Joost van den Vondel (1587-1679)

OP DE NEDERLANTSCHE OORLOGEN VAN DEN DOORLUCHTIGEN ROMAIN, FAMIAEN STRADA

Wat zijn vele Nederlanders
In hun letterwijsheit anders
Dan een veder, uit de wieck
Van een grijs Romain of Grieck
En den ouden tijt getogen?
Wat van verre komt gevlogen,
Wort hier wonderlijck onthaelt.
Wie met anders vonden praelt,
Laet zich duncken ít is zijn eigen.
Onze schrijfgedachten neigen
Wilt te weiden buiten duin.
Kruiden in eens anders tuin.
Poelen, velden, en moerassen
Over menige eeuw gewassen,
Geven aengenamer geur
Dan het groen voor moeders deur.
Kies op ít vreemt en afgesleten,
Wy de nieuwe draght vergeten,
En verzuimen aen den haert
ít Geen ten spiegel dient bewaert.
STRADA, een Romain geboren
En van Klio uitgekoren,
Leet ons dit gebreck verstaen;
Wijst die vuile vlecken aen;
Komt, als Cezar, aengetogen,
Afgerecht op oorelogen,
In den boezem, van het lant,
Dat de kroon der landen spant.
Onder zijnen Alexander
Draeft zijn pen in ít velt, zoo schrander
Dat hy Kurtius niet wijckt,
En den prijs der pennen strijckt.
NeÍrlant, trots op nieuwe vaerten,
Krijght van hem de beste kaerten
Van zijní bodem velt en strant,
Waar hy vaen en leger plant.
Ieder Raetslot sluit hy open.
Ieder aenslagh wort doorkropen
En doorsnuffelt van dit brein,
Van dien deftigen Romain.
Zoeck uit Grieksche burgertwisten
Noch Romainsch krackeel geen listen
Nochte treken: hier is ít al
Wat een krijghsman leeren zal,
En een Raetsheer, en bezorger
Van den huisman en den borger:
Hier is oordeel en beleit,
En het zekerste bescheit.
Parma, roem met kopre monden
Dat uw krijghstoght heeft gevonden
Zulck eení glans in zwarten inckt
Van de schacht, die eeuwigh blinckt,
En de weerelt toe zal stralen
In het licht van alle talen.

Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001