Joost van den Vondel (1587-1679)

Wellekomst van den Heer Huigh de Groot,

’t Amsterdam na sijne Langdurige Ballingschap

Wat saelge wint is ’t, die van ’t Lelistrandt,
Den stroom op, in ’t ondankbre Vaderlandt
Hervoert het Delftsche wetorakel, dat
Gekoffert, als een kostelijcken schat,
Weleer de bange Maes afdrijven quam,
Tot dat de Sein het in haer armen nam,
En sette dat geberghde Godskleynoodt
Met blyschap op den koningklijcken schoot
Des Allerchristelijcksten Luidewijcks,
Die ’t herbergh schonck, tot glory sijnes Rijcks;
Op dat het, na ’et verstuiven van die wolck
Des drucks, verscheen, tot heil van ’t vrye volck,
En ’t misverstandt, aansiende ’s helds geduld,
Hem weder eerde, en riep: het is mijn schuldt.
  De Vader der welsprekentheit herblonck
Soo weer te Roome, als ’dordenloosheid stonck
Van Klodius, die schadelijcke pest
Voor ’t lichaam van het algemeene best.
Het treurigh aansicht van den Staat dat lacht.
De swacke wetten voelen nieuwe kracht.
Self d’Ontucht word beschaamt van ’t eerlijck licht.
Rechtvaardigheit houdt vree door evenwight.
De Rede stemt niet troebel, maar gesondt.
Soo veele steen besluyten uit een mondt.
Men tast niet meer in blinde duisternis,
Der burgren oirbaar ’t eenigh doelwit is;
En rept ’er ergens een van dwinglandy:
Daar ooghtmen op, als hiel hy Spanjes zy’.
  O groote Ziel, o son van mijn gesangk,
Die weer verrijst, na uwen ondergangk,
En ons verheught met desen gouden dagh,
Dien Hollandt wel met eere vieren magh:
Wat woorden sal de danckbare gemeent
Best vlyen, als de goudsmidt dier gesteent,
Om u t’onthalen op den hooghsten trap,
Na ’s kerckers ramp, na suure ballingschap.
O stalen hart, al gloeyend hardt gesmeedt!
O Groothart, met wat hemelschen magneet
Besteeck Standvastigheit uw vast gemoedt,
Dat het soo heel van liefde t’onswaart woedt,
En wraackt de weelde van een aartspaleis,
En kust het landt en al zijn haters peis.