Joost van den Vondel (1587-1679)

INLEIDING TOT DE LEEUWENDALERS.

Het ligt voor de hand, dat de vrede van Munster met buitengewonen luister in ons land moest worden gevierd en het behoeft ons dan ook niet te verwonderen, dat Vondel ter gelegenheid van deze heuglijke gebeurtenis een nieuw drama schiep, dat hoewel het slechts een „gelegenheidsgedicht” was, opgevoerd werd in den Stadsschouwburg en veel succes oogstte.

Van Lennep beschrijft op aanschouwelijke wijze de feestelijkheden: „Op ’t midden van den Dam waren drie hooge tooneelen opgericht, alwaar achttien vertooningen plaats hadden, zes op ieder tooneel. De samenstelling daarvan was opgedragen aan Coster, directeur van den Stadsschouwburg, geholpen door Jan Vos en Gerard Brandt (resp. glazenmaker en horlogemaker). Voor het hoogste schouwtooneel stond de Nederlandsche Leeuw, met het zwaard in de eene en de zeven pijlen in de andere klaauw. De steenen galerij rondom de waag was met speellieden bezet, en op ’t steken de schalmeien en schuiftrompetten, werden de gordijnen der tooneelen tot achttien reizen opgeschoven. De eerste reeks dier vertooningen was van Costers vinding, en zoo de schalke arts daarby een proef had willen nemen, hoe verre de bekendheid van Heeren Burgemeesteren met de oude geschiedenis wel ging, en tot welke hoogte zij zich zouden laten mystificeeren, dan was hem zijn opzet wel gelukt. Immers mij is het onverklaarbaar, hoe zijn programma de goedkeuring der overheid heeft kunnen wegdragen. – Men oordeele. – In de zes vertooningen dan zag men 1º Willem I, – van wiens muzykale talenten ik nimmer iets gehoord heb in de gedaante van Amfion, Thebe stichtende op ’t geluid zijner snaren: 2º den krijgshaftigen Maurits, in de gedaante van den vredelievenden Numa Pompilius, de godsdienst regelende der Romeinen wat in den geest van een man als Coster, den grooten vijand der orthodoxe predikanten, wel de grootste persiflage wezen moest, die maar kon worden uitgedacht: 3º Frederik Hendrik, afgebeeld door Fabius Maximus, den Romeinschen veldheer, die den roem verwierf, van de zaken door „dralen” hersteld te hebben – of ’t voor den Prins als een kompliment kon beschouwd worden wil ik liefst in ’t midden laten: 4º Willem II als de vredevorst Augustus, met wien hij zeker niet de minste overeenkomst had. De vijfde vertooning beeldde de zorg af van ’s Lands Staten, tot bescherming der bedreigde vrijheid. In de zesde zag men Mars geboeid, Vulkaan in ’t wapensmeden gestuit, het krijgsvolk betaald en gedeeltelijk afgedankt. – Dit „afdanken van ’t krjgsvolk”, een zaak, waar Amsterdam sedert zoo op aandrong, en dat de oorzaak werd der bittere twisten tusschen die stad en den Prins, zal gewis den Burgemeesteren zoo gesmaakt hebben, dat zij daarom alleen de rest door de vingeren hebben gezien.

Het tweede zestal vertooningen was door Brandt uitgedacht, die de gelukkige ingeving had gehad, zijne zinnebeelden niet aan de Grieksche of Romeinsche geschiedenis te ontleenen, maar op eigen bodem te blijven. In de eerste vertooning werd de aankomst van Bato en de Batavieren uitvoerig afgebeeld; waarbij de verbranding van ’t lijk van Rijcheldin (zie Hooft, Bato) en vele andere oude gewoonten voor ’t oog werden gebracht. De tweede vertooning was de bevestiging van ’t verbond tusschen Julius Cezar en de Batavieren, waarin men een toespeling kon zien op het beëedigen van ’s lands privilegiën door Keizer Karel den Vijfde. De derde beeldde de knevelarijen af, door de Romeinen onder Vitellius gepleegd, en sloeg op het geweld, door de Spaansche benden den Nederlanders aangedaan. In de vierde werd de Batavier Julius Paulus ter dood gebracht en zijn broeder Claudius Civilis verdreven; in welke beide personen men Egmond en Oranje kon herkennen. In de vijfde werden de overwinningen, op Spanje behaald, herinnerd door de voorstelling van ’t vernielen der Romeinsche legerplaatsen door Civilis. De zesde eindelijk stelde het vreêverbond voor tusschen Civilis en den Romeinschen veldheer Cerialis, en de vreugdebedrijven, daarover door de Batavieren gevierd; wat wel geen verklaring behoeven zal.

Wat de laatste zes vertooningen betrof, waar Jan Vos de eer van had, zij brachten den toeschouwer meer op het terrein der werkelijkheid. De eerste stelde het gewapend Europa: de tweede, de afgetreden Vorsten: de derde, de vrijheid der Vereenigde Nederlanden, bevestigd door een eeuwigen vrede: de vierde, het bezweren van dien vrede: de vijfde, de veiligheid van den Staat: de zesde eindelijk, Amsterdam, als de voornaamste oorzaak van dien vrede. De dag werd doorgebracht met het aanschouwen dier vertooningen, en des avonds werden op vele plaatsen van de stad pektonnen gebrand en vuurwerken afgestoken. Verder werden nog eenige gedenkramen in de Oude Kerk aangebracht met onderschriften van Vondel.

Maar, zegt van Lennep, het beste aandenken van den vrede was het voortreffelijke Landspel, door Vondel geschreven en met veel toejuiching op den Schouwburg vertoond. Het werd na de afkondiging van het vreedesverdrag vijf maal kort na elkaar vertoond.

Vondels meening ten opzichte van den vrede spreekt duidelijk in de Leeuwendalers. Als Katholiek had hij evenzeer met de oorlogs- als de vredespartij kunnen sympathiseeren. Immers, zoowel in de Franschgezinde als in de Spaanschgezinde pamfletten wordt op het gevaar van de „Paepsche religie” gewezen, indien men met één van beide landen tot overeenstemming mocht geraken, zoodat in dit opzicht Vondel een volstrekte, zij het dan ook niet welwillende neutraliteit kon bewaren. Hij laat zich echter in zijn sympathie leiden door zijn liefde voor stad zijner inwoning: Amsterdam, dat zeer voor den vrede geijverd had; daarnaast echter had het land zijner geboorte, de Zuidelijke Nederlanden, zijn liefde. In laatste instantie moest hij echter, daar hij elken opstand tegen het wettig gezag tot in het diepst van zijn hart verfoeide en de Tachtigjarige Oorlog oorspronkelijk niets anders geweest was, aan dezen vrede een vorm van wettigheid verleenen door in ’t laatste tooneel, waar de Noordzijde onafhankelijk wordt verklaard, dit als een vrije gunst van den Landsheer voor te stellen.


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001