Joost van den Vondel (1587-1679)

DE LEEUWENDALERS.

HET DERDE BEDRIJF.

HAGEROOS. REY.

HAGEROOS.

Het diende nader niet: ick was alree beknipt,
Maer ben, ter goeder tijt, den schender nog ontslipt.

REY.

Wat zeghtghe, Hageroos? wie droegh zoo luttel kennis,
Dat hy een zuiverheit, zoo wit als sneeu, met schennis
En schande smetten wou, zoo reuckloos, en ontzint?

HAGEROOS.

Ick weet niet wie het was, of wat hem had verblint.
Hy quam my stil aen boort, en speelde vast den stommen,
Om door stilzwijgentheit zijn boosheit te vermommen,
Een boosheit, die gewis haer straf gevoelen zal;
Want niemant schimpí met Pan: hy ziet ons overal,
In hol, en achter duin, in ruighte, en onder hagen.

REY.

Zoo gaet het haer, die op het zoenfeest loopt uit jagen,
Alleen, en onverzelt; nu alle de gemeent,
Bekommert en beducht, al hangends hoofts, beweent
Díonzekerheit der keure, en ít zekre lot van ít outer.
De Heemraet gaet te keur, verdaeght van blinden Wouter:
En scheptghe noch vermaeck in jaght, en wilt, en duin?

HAGEROOS.

Ick zoeck mijn eige niet, maer Leeuwendaels fortuin,
En had een hinde op ít spoor, met meining, na het vangen,
Haer voor ít gemeene best in ons kappel te hangen;
Of Pan, hier door vermorwt, een vrolijcke uitkomst gaf!

REY.

Vergeefme dan dat ick onwetende u bestraffí:
O deeghlijckheit, ghy zijt wel waerdigh, datze u dancken.
Een ander zit en slijt den dagh met ydel jancken:
Ghy slaet de hant aen ít werck: een ander kijft en tiert,
En steurt zijn buurmans rust ; ghy draeght u vroom en viert
Het feest in eenzaemheit, en zonder tijt te spuien,
Verzoeckt door offerhande en hinden Godt te stillen.
Vergeefme dat ick u bedilde, zonder slot.
ík Geloof geen sterflijck mensch behoedde u, maer een Godt,
Van wien ghy zekerlijck uw afkomst wel mooght rekenen,
Naerdienze zich ontdeckt door geen onwisse tekenen.
Dat hy u langer spaerí, die hoven zit aen ít roer.
Laet hooren hoe het ging, en wat u wedervoer.

HAGEROOS.

Ick wist het leger, daer een hagelwitte hinde,
In dichte ruighte en riet, dat ís jagers oogh verblinde,
Zich dagelijcks onthielt ; dies teegh ick derrewaert,
Maer vont het ledigh nest. Mijn winthont, heet van aert,
Was toghtigh om het wilt in ít wilde na te sporen,
En kreegh verlof, en stoof door zant, en hegh, en doren,
En kreupelbosch in duin, en snuffelde overal.
Zoo miste ick hem daer na, en hoorde geen geschal.
Mijn yver voerde my terwijl naer waterplassen,
Daer, aen den voet van duin, de beeck begint te wassen
En door de biezen ruischt. Hier viel ick plat ter neÍr,
En zagh, na eene poos, de hinde, die van veer
Allengs genaeckte, en scheen heur hart te willen laven.
Ick loofde flucks aen Pan dat puick der offergaven
En had den pijl al ficks op mijne pees gezet,
Zoo dra de hinde quam, en lobberde in dit wedt.
Maer onder ít micken komt een onverlaet, een schenner.
Godtheit van de jaght, alweter, hartekenner,
Bescherm mijn zuiverheit, en geef getuighenis
Hoe Hageroos zich droegh, hoe zy ít ontworstelt is.

REY.

Ontstel u niet: hy zal den Rechter niet ontsluipen
Nu wisch de tranen af, die langs uw kaecken druipen.
ík Verlang hoe dit verging, ík Geloof ghy bleeft beschut
Door uw onnozelheit, uw toeverlaet, en stut.
De deught behoeft geweer, noch boogh, noch pijl, noch wachter.

HAGEROOS.

Hoe heeft mijn hart van angst! hy quam my op van achter,
Gelijck een boze vos een velthoen grijpt, wel stijf.
Hy sloegh met alle maght zijn armen om mijn lijf,
Noch vaster dan het veil een eicke kan omvatten;
En ick om ít allereÍlste en waertste van mijn schatten,
Mijn eerhaerheit, in noot te bergen, nam al heel
Mijn toevlught tot mijn stem, en stack een klock, en keel
Zoo luide en schricklijck op, datze over hegh, en tuinen
Ging wentelen in zee, door díomgelegení duinen.
Op zulck eení luiden kreet liep Adelaert hem in,
En greep dien onverlaet by ít hair, by kop, en kin,
Dat hy gedwongen wiert my bange maeght te slaecken:
En ick zoo dootsch en wit om ít hooft, gelijck een laken,
Begafme herwaert aen, al omziende, en beducht
Hoe ít Adelaert vergingk, na mijn verbaesde vlught.

REY.

O eerbre jongelingk, men zal u eeuwigh roemen,
En vlechten, krans op krans van bladeren, en bloemen,
Met maeghdevingeren gelezen, en gepluckt.
Ghy lijdt niet dat de deught en schoonheit wort verdruckt.
Een Godtheit heeft van daegh u heerlijck begenadight,
Beschoncken met dien prijs, dat ghy een Maeght verdadight.
Hoe voeght u zulck een lof, gelijck een pijnloofkrans
Onze Opperpriesterin! De roos verliest haer glans
En geuren, maer uw lof zal nimmermeer versterven.

HAGEROOS.

Hy moetí verdienden loon naer zijne deught verwerven.

REY.

Dat loonen staet aen u: dat hebt ghy in uw maght.

HAGEROOS.

Mijn maght is wonder kleen. Die heusche vryer acht
Geen loon
: hy volght de deught van zelf, alleen uit reden.

REY.

Hy volght oock Hageroos met zuchten, en gebeden
Gelijck de schaduw ít lijf. Hy volght u waerghe gaet,
Des middaeghs, ís avonts spade, en met den dageraet.
Dat weten zon en maen, en oock de morgenstarre.
Hy volght u in het dorp, en by de straet, en verre
Van honck, wanneerghe jaeght, en stuift door ít gulle zant.
Vergelt nu eens zijn deught, en biÍ hem mont, en hant.

HAGEROOS.

Ghy paert den zomertijt met onze winterbuien,
De lely met het sneeu, ons Noorden met dat Zuien. (*)
ít Verdrietme dat hy my dus naloopt, vroeg en spa.

REY.

Hoe qualijck quam het u van dezen dagh te sta!

HAGEROOS.

Het quam te stade of niet, ick achtme des onwaerdigh.
Hy houde zich gerust, en voor een rijcker vaerdigh.
Hy zoecke een van bekent en overout geslacht.
Zoo lang als díoverbuur zijní overbuur veracht,
En dwers vallí, kan geen min en liefde op beide kleven.

REY.

Hy vrijde u voor de doot: misgunt ghy hem het leven?

HAGEROOS.

Neen zeker: dat hy leve, en bloeie hondert jaer.

REY.

Misloonde knaep, hoe valt u ít minnejuck zoo zwaer,
Gelijck
het ros den ploegh door vetten klay te trecken!
Ghy ziet vol hartewee de duiven treckebecken,
En elcke wederga genegen tot heur ga.
De beeckzwaen bruist vol viers het witte wijfke na,
En strengelt hals om hals: zy weet van wederkussen
Daer ít kille water zelf haerí gloet niet te weet blussen;
En ghy, getrouwe knecht, beschermer van haer eer,
Verwacht van Hageroos geení troost noch vrientschap weÍr,
O winterroos, te scherp gewapent met uwí doren.

HAGEROOS.

Hy schuwí den dorenstruick.

REY.

                                            Hou op zijn min met sporen
Te noopen, dagh op dagh, door ít afslaen van een beÍ.
Ick zie hem van een duin noch plompen steil in zee,
Of worgen aen een pees, of van een eicke ploffen,
Of van zijní eigen pijl, en eigen hant getroffen. (*)
Ay Hageroos, ay, schut zijn ongeval, gelijck
Hy u beschutte, eer ghy te va1len quaemt in ít slijck,

HAGEROOS.

Ick ga in ons kappel my zelve danckbaer toonen,
En zal het Adelaert., zoo dra hy koomí, beloonen
Met danckbaerheit, gelijck een eerbaer hart betaemt,
En een van kleine maght.

REY.

                                        Zy vint zich zelf beschaemt
Om zijn getrouwicheit. Ick zagh haer wangen blozen.
My docht de minne doock in lommer van die roozen.
Hoe kan een edel hart, tot alle deught bereit,
Vergelden zulk een trou met wederwaerdigheit?
ontveinst haer minne, en weet zich wonderlijck te wachten;
Maer ít mist ons, zienwe niet het pit van haer gedachten.

ADELAERT. REY.

ADELAERT.

Wie joegh ter weerelt oit geluckiger dan ick?

REY.

O jongelingk, ghy zijt nu wonder in uw schick.
Ick heb ít verslagh al wech.

ADELAERT.

                                            Van wie?

REY.

                                                            Van uw vriendinne.

ADELAERT.

Och waerze mijn vriendin! Hoe gloeit mijn hart van minne,
Noch vieriger dan oit!

REY.

                                  Waerom?

ADELAERT.

                                                    Ick hoorde, en zagh
Haer eerbaerheit, en deught, daer zy ter aerde lagh,
En kreet, en spoogh, en beet dien schender, dien schoffeerder
In ít aenzicht; maer vergeefs, had Pan haer geen verweerder
Gezonden; had iek haer niet daetelijck ontzet.
Waer is zy?

REY.

                  Ter kappelle, en stort íer haer gebedt
Voor Pan, en heeft belooft uw trouwe daet te kroonen.

ADELAERT.

Zoo hoop ick in het hart, dat edel hart, te woonen.
Wat tij ding brengtghe my, zoo snel op ít ongezienst
ík Geloof het geen ghy zeght. Hoe kan in ít ende een dienst
Na vele diensten eens een vrijsters hart bewegen!
Ach Adelaert., ghy liept, door hagel, sneeu, en regen,
Niet ydel noch vergeefs uw Venus achter aen:
Een uur betaelt het al.

REY.

                                    Nu blijf een luttel staen:
Versteur haer aendacht niet: verwachtze hier ter stede.

ADELAERT.

Hoe springt dit dier: sta stil. Ick breng haerí jachthont mede.
Hy janckt om zijn bazin, en misteze al een wijl.
Ay lieve, hou hem wat: ík wil achter eenen stijl
Aen ons kappeldeur gaen verschuilen in het duister,
Op dat ick heimelijck dí aendaehtige beluisterí,
En mercke op heur gelaet: de minne maecktme stout.

REY.

Ga heen; maer geen kappel noch outer wert gebouwt
Op dat een vryer daer zijn vrijster zou beloncken.
ík Vergeef het hem nochtans: hy is van liefde droncken,
En raeskalt in dien droom: men naem het anders vremt,
Dat hy, terwijl het dorp de namen telt, en stemt
Tot loting, op de jaght zijn harteblat ging vinden,
Wiens ooghmerck hoogher ziet, en liever Pan met hinden
Dan menschenbloet verzoent. Bezie hem eens: hoe stijf
Hoe stockstijf gaept de knecht! Kan niemant aen een wijf
Geraecken
, zonder dus door ít velt te loopen brullen,
Gelijck een wilde bors? het hair met spogh te krullen?
Te huilen als een hont? ick nam íer liever geen,
Al schonck men my de keur uit al het boereveen.
Zy hoeven ít jawoord niet zoo byster tíoverloven.
Mijn min is vier, noch kool: men hoeftze niet te dooven;
Al pratenze dat Pan, in Oostlant, by eení vliet,
Zijn mallicheden zocht, en naerpeurde, in het riet:
Dat hy, om díoude maen by avont te begorden,
Ging mommen, als een boek, ja zelf een boek most worden;
Indien men ít zeggen magh, daer ít niemant ziet, en hoort.
Wel vryer, wel hoe dus? heeft zy uw oogh bekoort?

ADELAERT.

Bekoort? ja wel te recht: nu worde ick eerst gevoelijck.
Al smolt menze al in een, geen schoonheit is zoo goelijck,
Zoo degelijck als zy. Wat heb ick daer gezien!
Een beelt van zuiver sneeu, met neÍrgeboge knien,
Noch witter dan het vel, waer meÍ zich Pan bekleedde.

REY.

En schepte ghy geení troost uit haer oprechte bede?

ADELAERT.

Ja honingh, want zy badt: o Pan, beloon het hem,
Die my te hulpe quam op mijne heesche stem.
Hoe kan zoo groot een deught by my haerí geur vergeten!
Bescherm hem, nu de Raet te keure is neÍrgezeten.

REY.

Zoo gaet het vast, ghy spant alleen de kroon in ít hart?

ADELAERT.

Alleen, en anders geen. De bruit is mijn. Ick tart
Zoo menigh jongman, als by doghters oit verkeerde.
Geen dochter vieriger oit Godt en díouders eerde
Als zy, gewis een spruit van goddelijck geslacht.
Och wist men eens wie haer ter weerelt heeft gebraght;
Al schijnenze uit het kroost haer moeders aert te gissen.

REY.

Een dochter, zoo als zy, kan licht de moeder missen.

ADELAERT.

By vlagen met gedult, tot dat díonkundigheit
Van haer geboortereeht, dat noch verholen leit,
Allengs haer in den krop en in het hooft koomí schieten:
Dan zitze, en smilt, als sneeu: dan gietze heele vlieten
Langs haere wangen neÍr: dan berstze in klaghten uit:
Dan slaet de wedergalm in duin en dal geluit,
En helpt konijn, en haes, en jaght, en wilt op hollen:
Dan huilze díoogen uit, wel root en dick gezwollen.
Dan duncktme schijnt die zon door eenen regenboogh.
En ick, in ruighte en riet gedoken, schroom om hoogh
Te zien
, en díeenzaemheit van mijn Princes te steuren.
O moeder, roeptze dan, ick zie uw lijf verscheuren
Van eenen wreeden wolf; u uitgaen, zonder troost;
Of verre van uw vrucht, om hulp noch uitzien,
Oost En West; of in een graft verdrincken, en versmooren.
Dan smijtze uitzinnigh uit al wat haer komt te voren.
Dan denck ick: zagh de zon wel oit zoo vroom een kint,
Een weeskint, dat zoo teÍr zijn moeder noch bemint,
En niet vergeten kan?

REY.

                                  Wat noot isít? Groote Vrerijck,
Een Heerschap zoo geacht, zoo lantrijck, en zoo veerijck,
Bemintze zoo, gelijck den appel van zijn oogh.

ADELAERT.

Ja wie bemintze niet? wie zet haer deught te hoog?
Zy verf de noit haer wang met moerbay, of morellen
Zy looght noch bleikt geen hair. Zy zoeckt geen jonggezellen.
Zy schuwt de ledigheit, al even kloeck, en kuisch,
Hetzy ze jaege in duin, of neerzittí binnen ís huis
En overpeinze al stil wie alles kan besturen.
Dat tuight het huisgezin: dat tuigen al de buren.
O Hageroos, uw vier ontvonckt mijn ziel, als stroo.

REY.

Vat aen, daer is de hont, haer jaghtknaep, die zoo noo
Gebonden gaet, als ghy wel gaerne gingt gebonden
Aen ít hairsnoer van een wijf. Zy heele uw zoete wonden:
Ick ga vernemen, wiende keur hebbe uitgepickt.

ADELAERT.

Ick volg, zoo ras als hier mijn zaecken zijn beschickt.

HAGEROOS. ADELAERT.

HAGEROOS.

Zijt ghy dat, Adelaert? O Koning van de helden,
Hoe kan ick uwe deught, uw vromicheit vergelden,
Die minder ben van staet, en slecht, en min gezien?
ít Is billijck dat ick dit naer mijne maght verdiení.
Gebruicktme ítuwen dienst, uw leven langh, in eere.

ADELAERT.

Ghy Schoonste, bietme meer dan ick op u begeere,
Of oit verdienen kost. Wie zou een maeght in noot
Verraden? dat waer schande. Ick breng u Hazepoot:
Hy springt en janckt om u, van blyschap en verlangen.

HAGEROOS.

Koom hier, mijn toeverlaet: koom herwaert: kus mijn wangen,
Mijn lippen, mont, en hant: dat ick u strijcke, en streelí.
En afwisschí stof, en zweet. Geen molsvel, geen fluweel
Is zachter dan dit vel. Hebt ghy uw vrou gevonden?
Waer staecktghe, toen ick riep?

ADELAERT.

                                                Geluckigh zijn de honden:
Zy worden zelfs gevrijt, gelickt, gestreelt, gekust.

HAGEROOS.

Wat zeght ghy, Adelaert?

ADELAERT.

                                        Ick zegh, het is een lust
Te zien met welck een gunst en liefde oock stomme dieren
Den mensch bejegenen, en, die hun weldoen, vierení:
Noch schelt de domme mensch de dieren redeloos.

HAGEROOS.

De dieren zijn getrou, de menschen overboos:
Dat zaeghtghe, daer ick lagh verlegen, en verlaten.
Wat dochter wandelt vry op vrye heerestraten,
Zoo zulck een boosheit, niet gestraft wort naer den eisch.
Wy wachtten is een wijl, en keecken reis op reis
Bekommert om. Hoe zijt ghy eindelijck gevaren?
Een schrickelijcke kreet quam dringen door de blaren,
En baerde een nieuwe vrees: mijn voeten werden vlugh.

ADELAERT.

Ick vleugelde dien gast de handen op den rugh,
En trapte hem op ít hart. Uw hont quam aengesprongen
Op dat benaut geschrey. Had ick hem niet bedwongen,
Hy had den booswicht voort verscheurt, gelijck een wilt.

HAGEROOS.

Mijn toeverlaet, mijn troost, mijn boogh, mijn pijl, mijn schilt,
Mijn Hazepoot, hebt ghy mijn ongelijck gewroken?

ADELAERT.

Het scheen als of de hout uw tranen had geroken,
Uw kuischeit, en gekerm. Hy heet met zijnen mont
In ít zant, in dezen boogh, dien hyíer liggen vont.
De booswicht zong gena. Ick dreef hem voor my henen,
En ondervreaeghde vast: waer op hy zich met weenen
Ontschuldighde, hoe min den mensch zoo wijt vervoert.
Hy had aen ít Braessemmeir uw schoonheit korts beloert,
Toen ghy met Zwaentje, daer ter jaght, u wiescht en baedde;
Hy juist van ít spoor gedwaelt, hier aenquam, tot zijn schade,
En door de biezen zagh, by klare middaghzon,
Uw schoonheit, die de zon in top verletten kon
En sedert in zijn brein zoo diep een voetstap plantte,
Dat zich zijn achterdocht vergeefs hier tegens kantte,
En uitgeborsten was tot zulck een onbescheit.

HAGEROOS.

Heel fraey.

ADELAERT.

                  Hy kermde, en kreet: de min heeft my verleit:
Beschaem mijn ouders niet, verdien ick dit te boeten
Verschoon eení mensch: een paert met alle vier zijn voeten
Kan struickelen. Zoo kreegh ick deernis met zijn
En bont hem díarmen los.

HAGEROOS.

                                          Wel edel is uw hart.
ík Vergeef het hem, zoo rein als of het noit geschiedde.

ADELAERT.

Dien ouden kluitboogh nam ick hem, en brenge en biede
U dien, op datghe my hier eeuwigh by gedenckt.

HAGEROOS.

Ick ben te vrede, dat ghy dit een ander schenckt.

ADELAERT.

Ick hidde u, laet dien boogh in uw slaepkamer hangen.

HAGEROOS.

ít Was mijn gewoonte noit van iemant iet ítontfangen.

ADELAERT.

Ick bidde u, weiger my zoo klein een vrientschap niet.

HAGEROOS.

Ghy zijt een grooter waert. Het oogh, dat alles ziet.
Grondeert mijn hart, en weet hoe zeer ick u bezinne.

ADELAERT.

Zoo toon ten minste blijck van ongeveinsde minne
Te mywaert ; bleeck mijn trou, zoo trou als gout, in noot.

 HAGEROOS.

Al lengde ick uwen tijt door mijn verhaeste doot,
Noch bleef uw goude deught en weldaet onvergouden.

ADELAERT.

Ick zie men zoecktme slechts aen ít lange touw te houden.

HAGEROOS.

O borst, ghy houdt u zelf: ga hene, waer ít u lust.

ADELAERT.

Dat lijtghe niet. Helaes, ter weerelt wort geen rust.
Noch troost, noch laefenis voor mijne quael gevonden.
Des avonts rust het wilt in nest, en hol: de honden
Gaen rusten, na de jaght, in ít hoek; het vee op stal;
De vogels in geboomte en heggen over al
Maer Adelaert, ocharm, magh rust noch lust gebeuren.

HAGEROOS.

ík Heb lust by wijlen ít wilt zijn rust in duin te steuren,
Met brack, en hazewint; by wijlen met eení valck
Te vliegen over ít velt; daer hy, doortrapt en schalck,
De vogels in haer vlught versteure, en weet te grijpen:
Maer reÍ ten dans te staen, op al wat vryers pijpen,
Vermaecktme niet. Hebt ghy wat stemmighs in den zin,
Zoo breng wat stemmighs voort: ick luister naer geen min.

ADELAERT.

Een molock houdt de kars voor musschen onbedorven:
Een honinghbie verjaeght de snoepers uit de korven
Een neske koeckoeck broet een anders eiers uit:
Zoo vinde ick ít ledigh nest: een ander strijckt den buit.
Zoo heb ick deze roos vergeefs in ít bijster weder
Beschut. Wat baet het hoe zich Adelaert vernederí,
Haer diene, dagh en nacht, en gaslae, en behoÍ?
Zy luickt voor andren op, en sluit den boezem toe.
Voor zijn gedienstigheit. Ick wil die grijnzen schuwen,
En eenzaem, diep in duin, van ít wijvenaenzicht gruwen;
Vermijdenze, als een slang, vergult en glat van vel.
ít Verdriet my in den gloet van zulck een schoone hel
Te jammeren van pijne; of ít water op de lippen
Te vangen, daer het eb de tonge ga ontglippen;
Of bleeck en afgevast te zien den leckren disch,
Dewijl het nuttigen den tant verboden is; (*)
Of zulck een boŰmloos vat met water op te vullen.
Ick wil, gelijck een stier, door woudt en weide brullen.
Maer raeze ick oock van minne? o al te wulpsche jeucht,
Betrouw geen vrouwvolck meer: zy loonen niemants deught.

WOUTER. ADELAERT.

WOUTER.

Waer vint men Adelaert? my dunckt ick hoor hem spreken.

ADELAERT.

Wel Wouter, hebtghe blint in mijn fortuin gekeken?
Wat brengtghe goets? Hoe na is ít vonnis nu gevelt?

WOUTER.

Ja wel, hoe praet ick dit? De namen zijn getelt.

ADELAERT

Zegh op, hoe ging het toe? ík Verlang het lot te weten.
Hoe nu? hoe dus? my dunckt, ghy ziet alree bekreten.
Nu huil niet, slechte bloet: het sterven is ons lot.
Een mensch is stof, en breeckt, gelijck een aerde pot.

WOUTER.

Men kan een broke pot noch wel te zamen smeeren,
Maer menschen niet. Ay my, kost ick dit jammer keeren.

ADELAERT

Laet hooren hoe het ging: of viel het lot op u?

WOUTER.

Wat zal ick praten? angst maeckt blinden Wouter schuw.
De Heemraet had een wijl gekeven, dat het roockte,
En ít bloet van wederzy, gelijck een ketel, koockte,
Wanneer men ging te keur: het was oock tijt te gaen
En Lantskroon zette zich met Vrerijck boven aen.
De stemmen gingen om by beurte, en broghten tízamen
Van weÍrzy twalef uit, dat ís vierentwintigh namen.
Men tekende de rol, al was ít met wederzin
Van elcke zy: toen riep men blinden Wouter in,
Die most uit al den hoop twee cyferletters noemen.
Ick wreef mijn handen vast, en morde al stil: gansch bloemen,
Dit kost geen koe, noch kalf: het kost íer menschevleisch.
Het Heerschap graeude vast, en porde reis op reis.
Wat zou men doen? Ghy weet ick ben gezworen bode,
En roeper van ons dorp. In zulck een versche zode
Van vierentwintigh maets te grabbelen zoo los,
Zoo reuckloos naer een paer: het is geen bot of pos.

ADELAERT

Laet hooren wien ghy koost, het zy dan pos, of snoecken:
Wie ít wezen magh of niet: ick ben niet veer te zoecken.

WOUTER.

Met oorlof, brave borst, ick noemde drie en tien,
En badt terstont gena. Daer kost een blinde zien
Wie om zijn hooft bestorf. Hoe mompelden de monden,
De mannen om de banck? ick wert terstont gezonden
Om Hartman, daer hy zat, en praette by zijn moÍr.
Daer lagh een huis, gelijck een hoischuur; al de vloer
Bezet van ít naeste bloet, van vrienden, volck, buren.
Op ít huilen beiden stracks de stallen, en de schuren,
En weiden om het huis. De zuster hallef doot,
Viel Hartman om den hals, die kreet: het doet geen noot:
Geen Hartman is zoo weeek, dat hy om ít lot zou zwijmen.
Toen quam íer Maetelief, en Kees, en lange Tymen
Zijn oude vryster Baers die keeek onaertigh bang,
De tranen biggelden, als knickers, op de wang.
Hy zoendeze eens, en riep: ghy blijft geen weduw zitten.
O schoonheid, zoo ick sterf, verklaerme met de gitten,
Die in uw aenzicht staen: Ąick min u, by mijn zielĒ.

ADELAERT

ík Verlangme doot: maer zegh waer ít ander lot op viel.

WOUTER.

Verlang zoo niet: het wil u tijts genoegh bedroeven.

ADELAERT

Nu blinde knecht, zegh op: waer toe dit lange toeven?

WOUTER.

De naem, daer ít lot op viel is u te lief en waert,
Misschien uw beste vrient.

ADELAERT

                                          Al was het Adelaert,
Ick ben het lot getroost, en kan het leven missen.

WOUTER.

Wat noot is ít dat men ít noemtí? ghy kunt het zellef gissen.

ADELAERT

Zoo hoop ick dezen dagh te sterven met den krans.

WOUTER.

Ghy moet met Hartman voort gaen loten om de kans.
Ick daegh u uit den naem des Heemraets en hun allen.
De Zuidt- en Noortzy vreest op wien het lot wil vallen.

ADELAERT

Geluckige Adelaert, schep moedt: ghy zult altoos
Niet
zuchten, onbeloont van fiere Hageroos,
Die uwen dienst versmaet, en zultze nochtans minnen,
Veel meer dan eenigh haen het puick van al zijn hinnen,
Beschut door zijnen beck, en pen, en spore, en poot.
De waere liefde is taey, en overduurt de doot.
Behaeghde ít haer uit gunst mijní krans te helpen strengelen,
En onder elcke bloem eení druppel daeuws te mengelen.
Die langs haer wangen druipe; ick storref waert benijt.
Nu ít lot des doots getart: zy wachten: het is tijt.
Een ander trille, en beve, en hoorí van ít sterven noode:
Ick hoor geen blij der maere, en volgh van zelf den bode.

REY VAN LEEUWENDALERS
KEER.

O zorghelijcke lotery,
Wie van die beide treckt zich vry
     Hier schuilen doot en leven
In eene zelve bus al stil.
Het lot magh vallen hoe het wil;
     Een karel moet íer kleven.
De Zuidtzy bidt voor Adelaert:
De Noordtzijde acht haerí hartman waert.
     Hoe ít valle, ít valt oneven.

TEGENKEER.

Het bloet van beide is ongelijck:
Maer ít blinde lot zal arm noch rijck,
     Noch hoog noch laegh verschoonen.
Het bloet der Goden sneuvelde oock,
Toen al ons vreught verdween, als roock.
     Wout- en Veegodts zonen,
Uw deught blijft eeuwigh buiten ít graf:
Uw naem neemt toe, en nimmer af:
     Geen winter schent uw kroonen.

 TOEKEER.

De nederlaegh van Waerandier,
En Duinrijcks jammer hebben ít vier
     Van ís hemels wraeck ontsteken.
Hoe maeektze ít Leeuwendael zoo bang?
Och Ackergoden, och, hoe lang
     Zult ghy uw zonen wreken?


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001