Joost van den Vondel (1587-1679)

DE LEEUWENDALERS

DEN HEERE

MICHIEL LE BLON,

AGENT DER KROONE EN KONINGINNE VAN ZWEDEN.

BY DE DOORLUCHTTGSTE

MAJESTEIT VAN GROOTBRITANJE.

MYN HEER.

Dichters zijn niet deurgaens zulcke ongeluckige Waerzeggers, of men ziet zomtijts, oock buiten alle hope, gebeuren het geen zy een goede wijl te vore spelden. Dat getuight ons de profecy des Stroomgodts van de Maze, die, eenige jaren geleden den Hollanderen dit voorzong:

     Zoo wort met vier het eeuwigh vier gebluscht
          Zoo vreet de vlam des hemels taie roe:
     En Henrick houdt de heirbaen van August,
          En sluit de poort van gruwlijck oorloogh toe.

Dees vrolijcke dagh, dees goude dagh is ten lange leste eens opgegaen. Wy hooren de zilvere vrede-trompet den VREDE inblazen. Wy beleven het geen we naulix gelooven, namelijck het gewenschte einde des eeuwigen oorloghs, die den ganschen weereltkloot met zich omtrock, en in een geduurige bloetkoortse en onruste hielt. Prins Vrederyck Henrick heeft zijnen naem met de daet, en alle zijne oorloghstriomfen, en laurieren met eenen eenigen Vredetriomf, en den gezegenden olijftack gekroont, en ons den Vrede, zijn lesten adem, tot een geluckigh testament nagelaten. Hierom magh de Hollantsche Melcker, in de schaduwe des beuckebooms gedoken, den hemel en hem wel ter eere zingen:

     O Matelief, ick hou gewis, een Godt,
     Een Godtheit, holp ons aen dit vreedzaem lot.
     Ick wil hem oock opoffren mijn gedachten,
     En lam en vaers, het puick der kudde, slachten;
          Dewijl hy my laet weiden zoo gerust,
          En spelen wat mijn hert begeert, en lust. *)

Wij mosten dan mede op het spoor van Virgilius (die in ’t geruste bezit van zijn hoeve en lantgoet herstelt, Augustus aldus met Herderszangen eerde) den Hoogen mogenden Heeren Staten, d’assche van den Nassauschen Vredehelt, uit Keizerlijcken stamme, Willem, zijnen eenigen zone, Prince van Oranje, en onze Burgemeesteren, die getrouwe Vredevaderen, dit Lantspel toespelen, het welck wy uwe E. opdragen, die een rechtschapen Neêrlanders aert, uit den bloeienden welstant der Nederlanden niet dan blyschap kunt scheppen, en wiens onbloedigh ampt eigentljck bestaet in Vrede tusschen drie en vier Kroonen aen te voeden en t’onderhouden, en Koningkrijcken door zachte zijde banden van vrientschap en eendraght onderling te verbinden. Heerlijcke pallaizen zijn zelfs Koningen en hun Gezanten en Agenten zoo aengenaem niet, of het lust hun zomtijts, ten plattenlande, by simpele herders en ackerluiden, zich te vermeiden, en hoffelijcke grootsheit en pracht voor kleenheijt en eenvouwigheit te verwisselen. Ghy naemt, om u zomtijts, van gewightige bekommeringen wat t ’ontlasten, altijt geenen lust in historie schilderyen van Vorsten, Vorstelijcke personaedjen en trotse hofgebouwen, maer oock dickwils in kunstige lantschappen dorpen, en gehuchten, van boeren en herderen bewoont; en zaeght ’er met genoegen zelfs de Goden uit den Hemel, in de gedaente van sterflijcke menschen, den stockouden Filemon en Baucis, onder dun rieten dack vergasten, hun schamele hut in eenen rijcken tempel, hen beide in boomen veranderen. Hierom durven wy den Heer Agent te vrypostiger ditmael aen den boerendisch noodigen, op natuurlijck veltgewas, in teene korfkens, houte nappen, en aerdewerck aengerecht. Uwe goetrontheit en rustigheit zal ons open hart aenzien, dat zich en anderen op dit gezegende vredefeest wenscht, uit danckbaerheit voor zulck een onuitsprekelijcke deught en hemelsche weldaet, te verquicken, en in het groen spelen te voeren, zonder gal, zonder erghwaen, zonder de helderheit van dien schoonen zomerschen zonneschijn, en dat zuivere hemelblaeuw met een allerminste neveltje te rimpelen en misverwen. Honighbyen zullen uit deze bloemen niet dan honingh en nektar zuigen. Indien by ongeval een spinnekop hier venijn uit trecke; het komt by haren aert, niet by de bloem toe. De Voorredenaer zal het wit van dit werck ontvouwen. Wie hier te diep in verzinckt, neuswijs, in alle personaedjen, vaerzen en woorden, geheimenissen zoeckt, zalze’r niet visschen. Wy hebben slechts eenige verwen en geuren, die ons voornemen dienen konden, uitgezocht, en onder een gemengt, en het beloop van oorloge en vredehandel aldus in het klein ten ruighsten ontworpen, om alle hatelijckheit te schuwen; anders had men de bloem van deze verzieringe netter op de zaeck zelf konnen passen. D’aeloutheit getuight nergens dat de Heidenen Pan, maer wel Diane, menschen opofferden. Evenwel brengen wij Pan op het tooneel; eensdeels dewijl de veerijckheit der Nederlanden een Veegodtheit vereischt; anderdeels om iets grooters aen te wijzen, ’t welk van het Heidendom door dien zeldtzamen afgodt uitgebeelt wert. Want die vervloeckte afgodery, en het menigvouwigh verdeelen van het enckele en eenige Wezen der Godtheit in ontelbare bygoden, ter zyde gestelt, zoo schilderde Pan haer wat groots en waerachtighs voor d’oogen. Pan is in het Grieksch AL gezeit, en de natuurwijze Heidenen wouden door zijn beelt de geheele Natuur, of liever de Godtheit, die zich in alle schepselen uitstort, uitbeelden. Zijn bovenste deel vertoont den hemel; zijn onderljf en ruige bocksvoeten, het aertsrijck met zijn ruighte, en bosschaedjen, en boomen, en steenklippen. De roode troni betekent het vier, dat om hooge zweeft; de horens op het voorhooft, de maan; de lange baert, de zon met hare stralen; de gespickelde huit om het lijf geslagen, de starren; de gekringkelde wichelstock in d’eene hant, het ronde jaer, ’t welck zijn begin aen het einde knoopt het speeltuigh van zeven ongelijcke fluiten aen een gekleeft, de zeven dwaelsterren en het goddelijck muzijck der overeenstemmende hemelklooten. Zy wouden met Pan het zelve zeggen, dat Achises geest tegen Eneas zeide:

In zulck eenen zin, en niet anders moet men vatten deze woorden van eenen anderen Poeet:

D’allerootmoedighste en wijste Filosoof, die in den derden hemel, ja in den Paradijze, ter schole voer, pooghde zelf den bygeloovigen Atheneren den waerachtigen Godt, in wien wy leven en zweven, levendigh in te boezemen door het opschrift van hun eigen altaer, den onbekenden Godt toegewijdt. Het zal den Agent gelieven onze onnozele tooneelschildery aldus of andersins een luttel te helpen ontschuldigen, nu wy, naer den aert der weelige Poezy en hare vryheit, onder de schors van een verziersel, toeleggen, om jeught en burgerye by deze gelegenheit vermakelijck te stichten, niemant t’ontstichten, met dit Lantspel, dat niet te plat en plomp van toon moet vallen, nochte hooger dan zijn behoorlijcke maet rijzen, en welcks onbebloet tooneel doorgaens vast en stil staet: gelijck het Spel oock niet bloot behoorde te wezen van gezonde leeringen en zeden, en die beide van outs her gepreze eigendommen, de Herkennisse en den Overgangk, hier van zwaricheit en verlegenheit in blyschap en geluck, het welck uwe E. in zijn doorluchtigh Agentschap toegewenscht wort van

Uwe E. dienstschuldigen

JOOST VAN DEN VONDEL.


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001