Joost van den Vondel (1587 - 1679)

HET LEVEN VAN VONDEL.

(17 november 1587 – 5 februari 1679)

„Joost van den Vondel, die door zijn Nederlandsche dichten meest al de Dichters zijner eeuwe te boven ging,” zoo verhaalt Brandt, „en alleen met den Drossaard Hooft om den laurier streedt, had een’ vader van den zelven naam, schrander van geest een’ Hoedtstoffeerder t’Antwerpen, daar hij geboren was en woonde. Zijn toenaam Vondel beteekent in Brabantsche taaie een kleen brugsken, ’t welk de Hollanders een vlunder noemen, en van rijs of tienen gevlochten, gebruikt wordt om de slooten en naauwe vaarten te vloeren, en tot overgang te dienen.”

Vondel’s grootvader van vaders kant woonde eveneens in Antwerpen en was Katholiek, zijn vader daarentegen werd Doopsgezind en „week om ’t vervolgh” naar Keulen.

Vondel’s grootvader van moeders zijde was Peter Kraen (eveneens Craen of Cranen genoemd), een knoopenmaker, waarvan Brandt vertelt: „Zijn moederlijk grootvader Peter Kranen, ook een Antwerpenaar, werdt in zijnen tijdt onder de Brabantsche Poëten geteld, die naar de wijze van Cornelis van Ghistele, en van Jan Baptiste Houwaart, de Rhetorica, gelijk men toen de dichtkunst noemde, hanteerende, onder dat slagh van Rijmers in achtinge was: zoo dat de Drossaardt Hooft tot Vondel plagh te zeggen; dat gij een Rijmer zijt, hebt gij van uwen grootvader Kranen. Dees was met zijn echtgenoot, ten tijde der felle vervolginge ter oorzaake van de Reformatie, toen men de plakkaaten smeedde, en in de Nederlanden te werk stelde, het gevoelen van de weerlooste der Gereformeerden, de Doopsgezinden toegedaan: zich houdende aan hunne vergaderingen toen ’t halzen kostte. Maar ’t werdt haast overgedraagen, en zijne huisvrou, op ’t uiterste zwanger, door den Markgraaf van Antwerpen gevangen. Hij ontsprongh ’t ter naauwer noodt achter uit het huis. Zijn vrou, op den Steen, de stadts kerker gebraght, kreegh van ontsteltenisse den arbeidt op den hals. Doch haar werdt, op ’t aanloopen, en onder borghtocht van eenen Hans Michiels, haaren neve, toegelaaten naar huis te gaan, daar ze baarde en haar kraam uithieldt 1). Toen most die borg, die zijn’ hals voor haar te pandt hadt gestelt, haar weer op den Steen leveren. Als zij daar bitterlijk schreyende, zonde intreeden, troostte haar Hans Michels met deeze woorden, Nicht, ik breng u met deeze handt wel op den Steen, maar ik beloofer u met d’andere weêr af te brengen. Maar sedert uit den Markgraave verstaande, datze ten vuure was verweezen 2), en met zekeren Leeraar zou sterven, vondt hij zich in d’uiterste venlegenheit, badt om uitstel, en vraagde, of men, een haarer kinderen van een Priester Katholykelyk laatende doopen, haar niet zou kunnen redden? ’T antwoordt was, Misschien ja. Op welk hoope men in der ijl een der kinderen (met den vader naar Keulen gevlucht) een dochter, naar Antwerpen ontboodt, daar men ’t kindt naar de gewoonte der Roomsche kerke doopte: waar op de verweeze moeder, door veel voorloopers en voorspreekens, ten leste, onder belofte van Katholyk te zullen leven, werdt losgelaaten. Zij begaf zich sedert naar Keulen bij haar’ man en kinderen, daar ze ’t vervolgh ontschuilden: en de dochter, die, om haar moeder te redden, door een Priester gedoopt was, Sara Kranen genaamt, werdt namaals de moeder van Vondel, onzen Dichter 3)”.

Sara Cranen trouwde in 1585 met den jongen Joost van den Vondel, die om zijn geloof eveneens naar Keulen uitgeweken was. „Uit dit paar”, zoo vervolgt Brandt, is „Van den Vondel te Keulen, in de straat genaamt de Wijsgas, daar de viool uithing, 4) gebooren: in die oude vermaarde Rijnstadt, zoo genoemt naar ’t woord Colonia of volkplanting, een plante der Roomsche mogentheit, die ook oulinx naar M. Agrippa Augustus schoonzoon, en Agrippina, dochter van Germanicus en gemaalin van Keiser Claudius haar ’eerste stichters, Agrippina werdt geheeten. Ook erkende onze Dichter Keulen doorgaans voor zijn geboortestadt, haaren lof in verscheide dichten met groote zucht ten top verheffende; op het spoor der aaloude Grieksche en Latijnsche Poëten, die hunne geboorteplaatsen met dankbaare gedichten vereerden. In zijnen Olijftak aan den Zweedtschen Heldt Gustaaf Adolf, smeekt hij dien Koning, dat hij Keulen, zijn geboortestadt, verschoone. Men leest’ er deeze woorden:

Een heyntelijke treck
Verleyt het hart na mijn geboortestadt Keulen.
Daer heb ik eerst om honigh uitgevlogen,
Ontrent den blonden Rijn,
Beplant met Rijnschen wijn;
In als een bie violendau gezogen
5).
Uit dit geboortzogh wort mijn zorg gebooren,
Nu ’t Zweedsche vaandel vliehgt,
Daar ik ben opgewieght.

Hier toe diende ook d’opdraght van Sinte Ursuls of der Maaghden Treurspel aan Agrippine, die hij onder anderen dus aanspreekt:

D’inboorling is in zijne wiegh gehouden
En bakermat. Hoe kan ick die voorbij?
Al wordt de melk der Moeder niet vergouden
Van ’t kindt, dit strekt ten allerminste dy
Een klein bewijs van mijn genegent heden,
En groote zucht tot mijn geboorteplaats;
Daer ik, nu stijl een halleve eeuw geleden,
Eerst rijzen zagh den glans des dageraeds.
Wij volgen dus de leidstar der aelouden.
Wij volgen in hun schaduw, slechts van veer,
De Grieken die hun boortesteden bouden
Zoo lang voor ons met onnaevolgbaare eer.

De doorluchtighste der Duitsche Poëten kreeg dan zulk een treffelyke stadt tot geboorteplaats: zoo dat hij zich haarer, noch zij zich zijns, niet behoefde te schaamen. Zulk een Inboorling voortgebraght te hebben, gaf de stadt, die het te vooren aan geen’ glans van eere ontbrak, noch grooter luister. Gelijk Chios en andere steden, tot zeven toe, moedig waren op Homeer, en onderling krakkeelden om elk zich zelve zijn geboorte-recht, toe te eigenen: Gelijk Athenen op haren Euripides en Sophokles, Thebe op Pindarus, Mantua op Maro, Sulmo op Naso, Venusie op Horatius, Aquina op Juvenalis, Alexandrye op Claudianus stofte, zoo mogh Keulen roemen op Vondel, haaren ingebooren, die d’oudste en beste Dichters met wijde schreden volgende eenigen zoo na quam, dat hij ze als op de hielen tradt, en anderen voorbij liep.

Het jaar zijner geboorte geeft hij zelf te kennen in d’Opdraght van Maria Stuarts treurspel, zeggende, dat hij zijn. geboorte jaar bij Mariaas moordt jaar gedacht. Hij meent het jaar van MDLXXXVII, waar in die Koningin met de bijl werdt onthooft. Zijn geboortedagh viel op den zeventienden van November, of Slaghtmaandt, een dagh die de Roomsche kerk den Bisschop Gregorius Thaumaturgus 6) heeft toegeheiligt. Hierom noemt hij in zeekeren Geboortezangh Thaumaturgus zijnen Gheboorteheiligh, en zeght dat zijn Jaargetij op dat feest komt,

Als Slachtmaent, meer dan half voorbij
Den zonring sluit op zijn verjaeren.

Op den dag dan van dien Thaumaturgus, dat is Wonderwerker quam dit groote Wonder der Dichteren, die sedert, door zijn volmaakte werken, in de schranderste vernuften zijner eeuwe de hooghste verwondering baarde, ter werelt.”

In 1586 was reeds een dochter, Clementia, geboren en 17 November 1587 volgde dus Joost. Een derde kind werd eveneens nog te Keulen geboren nl. Sara in 1594.

Brandt vervolgt: „Zijne eerste kindtsheit, daar niet van te zeggen valt, braght hij te Keulen over, tot dat zijn vader geraaden vondt zich naar Hollandt te begeeven, daar de vrijheit, geduurende den oorlogh tegens Spanje, het hooft opstak, en de Doopsgezinden, nevens andere Gereformeerde Christenen, hunnen godtsdienst naar hun gemoedt, en zonder omzien moghten beleven. Dien raadt volgende toogh hij met zijn vrouwe en kinderen eerst naar Frankfoort, van daar met de waagen op Breemen en voorts op Hollandt, zich onderweegen armelijk behelpende, maakende een wiegh tusschen eenige stokken, de luyeren droogende op den waaghen, met teekenen van zoodanige ingetoogenheit en zeedigheit, dat de Voerman, dit eenvoudig paar voerende, tegens iemant zeide: ’t is eveneens als of ik met Joseph en Maria over wegh reize.”

Vondel vertrok waarschijnlijk omdat men ook in Keulen de Doopsgezinden vervolgde en hij zelfs met het gerecht in aanraking kwam. De reden waarom hij zulk een grooten omweg maakte, is niet bekend, gewoonlijk neemt men aan, dat hij het Munstersche gebied wilde vermijden, omdat de Wederdoopers daar niet op groote sympathie behoefden te rekenen.

„In Hollandt gekoomen,” zegt Brandt, „sloegh hij zich, met sijn gesin, eerst t’Utrecht, en korts daarna t’ Amsterdam, ’t welk toen door de zeevaart en koophandel bloeide, ter neder, daar hij zich met koopmanschap van kousen, eerlijk en met goede winst, geneerde: ’t welk daar uit blijkt dat een zijner zoonen, Willem van den Vondel, daarna middel vondt zich in taalen en weetenschappen, met naame in de Rechten en dichtkunste, t’ oeffenen, ook naar Italië te reizen, om d’overbljfsels van ’t neêrgestorte gevaart der Roomsche hooghmoogentheit t’aanschouwen. Maar onze Vondel, die de stof is van dit verhaal, scheen, dat jammer was, slechts tot neering opgebraght, leerende niet dan leezen en schrijven, en lagh ten dien einde eenigen tijdt t’Utrecht ter schoole.”

Behalve genoemde Willem, die in 1603 in Amsterdam geboren werd, waren na Sara nog geboren: Rebecca en Peter, waarvan zoowel plaats als jaar der geboorte onbekend zijn; zij leefden echter nog in 1602. Bovendien werd zijn zuster Catharina nog in 1602 te Amsterdam geboren.

De eerste officieele vermelding op het Stadhuis van Amsterdam luidt als volgt:

„Joost vande Vonde van Antwerpen is op huyden den 27 Martii 1597 poorter deser stede geworden. Gedaen hebbende zijn poorter eedt ende voldaen den Tresorieren.”

In Amsterdam begon de vader van Vondel een kousenhandel en deze scheen vrij gauw een behoorlijke winst of te werpen. Hoewel de financieele omstandigheden van het gezin dus verbeterden schijnt de jonge Joost niet meer naar school te zijn gegaan. Of hij reeds voor zijn zeventiende jaar dichtte is niet met zekerheid bewezen, het is niet onwaarschijnlijk, maar in ieder geval is er van de „kindtsche rijmen”, die Brandt wel vermeldt, maar blijkbaar ook zelf niet gezien heeft, geen enkele bewaard gebleven.

Het alleroudste gedicht, dat door Van Lennep in voor het eerst bekend gemaakt werd uit een verzameling gedichten door leden der familie Haesbaert overgeschreven, is een „Schriftuerlijck Bruylofts Reffereyn op ’t Houwelijck van Jacob Haesbaert met Clara van Tongerlo. Gecompomeert door J. van Vondel, 1605, in Junio.”

Vondel onderteekende het met de spreuk „Liefde verwinnet al.” Dit gedicht en het „Nieuw-Jaars Liedt” voor 1607, dat in dezelfde verzameling bewaard is gebleven, zijn voorbeelden van de oudere rederijkerspoëzie, waarin zoowel de mythologie als de Bijbel met vrucht gebruikt zijn om een poëtische sfeer te scheppen. Het Nieuw-Jaars Liedt is geschreven voor de rederijkerskamer „Trou moet blijcken”; hij was echter lid van de Brabantsche kamer „Wt Levender Jonst” en met zijn medeleden naar Haarlem getrokken ten einde een groot feest bij te wonen door het stadbestuur uitgeschreven om „het oude mannen-huis met een loterye te bouwen.”

In dezelfde jaren maakte hij een „Dedicatie aen de Jonck-vrouwen van Vrieslandt ende Over-Yssel” en waarschijnlijk ook zijn „Lof-zangh, toe-geeyghent Mr. Willen Bartjens.”

Intusschen vond er een groote verandering plaats in zijn uiterlijke levensomstandigheden. In het begin van 1608 stierf zijn vader en zijn moeder zette de zaak voort met behulp van haar oudsten zoon. Kort daarop trouwt Vondel met Maeyken de Wolff, de zuster van zijn zwager Hans de Wolff, die in 1607 getrouwd was met zijn zuster Clementia. Wij lezen hieromtrent.

„20 November 1610. Compareerden als voren Joos vander Vondelen van Keulen oud 23 jaren, wonende (14 ans) 7) in de Warmoesstrate geassiteert met Sara Kranen zijn moeder ter eenre, ende Maeyken de Wolff van Keulen, oud 24 jaare, wonende (15 ans) in de Warmoesstraet, geassisteert met Hans de Wolff, haren broeder ter andere zijde.”

Niet alleen dat de bruid dus de zuster was van Vondels zwager, ook waren de echtelieden in dezelfde stad geboren en woonden ze in dezelfde straat

In 1613 trok Vondel’s moeder zich geheel uit de zaken terug en deed deze aan haar zoon over. Uit den tijd even na den dood van zijn vader zijn slechts twee gedichten overgebleven nl.: „Op het Twaalfjarige Bestandt der Vereenigde Nederlanden” en „Wtvaert en Treur-Dicht van Henricus de Groote „Koningh van Vranckrijck en Navarre”.

Tegen de algemeen gehuldigde meening dat Vondel zich weinig aan zijn winkel gelegen liet liggen, een meening, die door Brandt uitgedrukt is in de woorden:

„maar zijn gedachten liepen op wat anders, op het dichten, zoo dat hij ’t koopen en verkoopen op zijn ega liet staan; en zij hem zijn drift liet volgen.” verzet Dr. G. Leendertsz zich in zijn „Leven van Vondel,” (Meulenhoff en Co. 1910).

„Van de 30 deelen, die de uitgave van Unger telt,” zoo zegt Dr. Leendertsz, „zijn er 20 gevuld met gedichten nadat hij zich uit de zaak had teruggetrokken.” De gedichten uit de 25 jaren van zijn huwelijksleven vullen nog geen zes deelen, die uit de volgende acht of negen jaar bijna vier deelen. Wanneer hij nu tijdens haar leven zich weinig of niet met de zaken bemoeid had en alles aan haar overgelaten, dan zouden die na haar dood wel zooveel inspanning gekost hebben, dat er voor dichten weinig tijd overbleef.

Of men zou moeten aannemen, dat zijn zorgeloosheid en onbekwaamheid zóó ver ging, dat dadelijk na haren dood de achteruitgang van de zaak begon. Die veronderstelling echter wordt onmiddellijk gelogenstraft door de boeken van de Wisselbank en door het feit, dat hij later zelf naar Denemarken ging om te trachten de verwarde zaken in orde te brengen. Bovendien is er nog eene bepaalde getuigenis, van den ernst, waarmee hij zijne zaken behartigde. In zijn de Uitvaert van Joost van den Vondel zegt Antonides, vs 233:

Gy zult nimmer weêr vertellen, met wat vlijt
Gy ’t overschot quaemt uit te woekren van uw tijt.

Ook zegt hij zelf in de opdracht van Horatius’ Lierzangen, dat hij deze eenige jaren geleden „tot een eerlijck tijdverdrijf en oefeninge, bij wintersche avonden” in proza vertaald had.

De idylle van den droomenden dichter met zijn hard werkende, haast mannelijke wederhelft, mogen wij dus gerust onder de fabeltjes rangschikken. Vondel was in zijn gezin en in de maatschappij dezelfde, brave degelijke, ernstige werker als in zijne kunst.

Hoe komt Brandt dan aan zijn bewering? Om te beginnen wijzen wij er op, dat aan de hier besproken woorden eene andere onjuistheid, al is het een kleine, voorafgaat. Hij zegt daar: Met deeze vrouwe... nam hij de kousneering bij der handt.” Hieruit kunnen wij toch wel niet anders lezen, dan dat hij nu de nering begon, en wij weten, dat hij die al twee en een half jaar gedreven had. 8)

In de inleiding van het Leven zegt Brandt, na aangetoond te hebben, van hoe groot belang wetenschappelijke ontwikkeling voor den dichter is: „Maar boven dit alles behoeft die Poëetsche geest, en noodige geleerdheid, ook ruimte van ledigen tijdt, en dat men zich in staat vinde van bij zich zelven te kunnen bestaan; op dat men, zich geheel aan de dichtkunst overgevende, gerust en met lust deeze oeffening geduurig voortzette.”

Blijkbaar door deze vooropgezette meening misleid, heeft Brandt in hetgeen de dichter hem mededeelde, meer gezien, dan deze bedoelde.”

Met het eerste groote dichtwerk „Het Pascha, ofte De Verlossinge Israels uit Egypten. Tragecomedischer wijze een yeder tot leeringh opt tonneel gestelt,” is Vondel waarschijnlijk al voor zijn huwelijk begonnen. Het staat onder de invloed van de Fransche literatuur, vooral onder het werk van Du Bartas. Vondels „Pascha” werd in 1612 gedrukt, maar waarschijnlijk reeds in 1610 of 1611 voltooid, want in het voorbericht wordt medegedeeld dat het reeds door de Brabantsche kamer opgevoerd was.

In het jaar 1613 verschenen de „Hymnus, ofte Lofgezangh der Vereenigdeh Nederlanden” en „Den Gulden Winckel der Konstlievende Nederlanders.”

De platen van dit laatste werk waren voor het eerst in 1579 uitgegeven met een Latijnschen tekst. De drukker Dirck Pietersz. Pers verzocht Vondel nu bij de illustraties geheel nieuwe gedichten te vervaardigen, hetgeen deze deed. In 1617 verscheen een tweede reeks nl. „De Vorstelijcke Warande der Dieren.”

„Tot Vondels naam als dichter te vergrooten,” zoo zegt Dr. J. F. M. Sterck in zijn „Leven van Vondel,” „heeft deze poëzie niet veel bij gedragen, maar reeds was hij zeer gezien onder zijn medebroeders, zoodat één hunner „Gerbrand Adriaensz Bredero, bij zijn Pascha hem had toegeroepen:

Kroont Vondels weerdich hooft, heylgraege jongelingen.

Deze blijspeldichter, slechts twee jaar ouder dan Vondel, was bij zijn dood in 1628 reeds een beroemd man te Amsterdam, terwijl gene nog slechts één treurspel, eenige gedichtjes en emblema-werkjes op zijn dichterlijk crediet kon boeken. Vondel ontwikkelde zich langzaam, al tastend en zoekend naar de kennis, die hij nu zich zelf moest eigen maken door gestadige oefening en opmerking bij oudere dichters.”

In dezen tijd bemerkte Vondel wat er aan zijn ontwikkeling ontbrak, hij was namelijk geheel onbekend met de oude talen. Hij wendde zich tot een leeraar aan de Latijnsche school en bracht het binnen korten tijd zoo ver, dat hij de klassieke dichters vrij vlot in het oorspronkelijk kon lezen

Van 1616 tot 1620 bekleedde de dichter de waardigheid van diaken in de zg. Waterlandsche Doopsgezinde kerk en stelde levendige belangstelling in den strijd tusschen Arminianen en Gomaristen, Remonstranten en Contra-Remonstranten waarbij hij partij trok voor de eerste.

Als eerste gevolg van Vondels klassieke studiën moeten wij een nieuw treurspel beschouwen, waarvan de stof grootendeels is ontleend, aan de Historie der Joden van Flavius Josphus „Hierusalem verwoest, Den Joden tot naedencken den Christenen tot waerschuwing als op het tooneel voorgestelt,” (1620) opgedragen aan Cornelis Pieterszoon Hooft. In hetzelfde jaar verschenen twee dichtstukken nl. „De Heerlijckheyd van Salomon,” evenals „het in 1616 bij Pers verschenen „De Vaderen,” een vertaling van een der Sepmaines van du Bartas en de „Helden Godes des Ouwden Verbonds,” het laatste bij een serie prenten, die Pers bezat. In dezen tijd teekent Vondel zijn verzen met het anagram „Door een ist nu voldaen.” door omzetting geeft dit „Joost van den Vondelen.”

Uit een gedicht, „op de geboorte van onze Hollandsche Sappho, Anna Roemers,” (1619) blijkt dat Vondel in een kring was opgenomen, die in velerlei opzichten hooger stond dan die der rederij kers van de Brabantsche kamer. Ook uit het feit, dat hij in 1623 „Het Lof der Zeevaert” opdraagt aan Laurens Reael en met hem de „Troades” van Seneca vertaalt, dat onder den naam van „De Amsterdamsche Hecuba” verscheen (1625). Toch moet men zich den omgang met deze notabelen niet te vriendschappelijk voorstellen, volgens Leendertsz:

„Wij hebben reeds gezien”, zoo schrijft hij, „dat Vondel met Roemer Visscher en zijne familie niet onbekend was, ofschoon het betwijfeld mag worden, of hij er een gewone gast was. Eveneens kende hij Hooft maar van een naderen omgang vóór dezen tijd blijkt niets. De groote bescheidenheid en teruggetrokkenheid van Vondel, zullen hem wel, vooral in dezen tijd van zwaarmoedigheid, verhinderd hebben eenigszins vertrouwelijk om te gaan met zulke deftige menschen. Hij bewonderde en prees hen, maar hield zich als eenvoudig btirgerman bescheiden op den achtergrond en achtte zich steeds vereerd, wanneer zij hem aanspraken.

Alleen met de familie Baeck schijnt de omgang reeds vrij vroeg hartelijker geweest te zijn. De vader Laurens Joosten Baeck, zelf dichter, was de schatrijke eigenaar der schoone hofstede Scheybeek bij Beverwijk, waar Vondel een welkome gast was en de stof vond voor verscheidene van die bekende gedichten, waarin zijn liefde voor de natuur zich zoo krachtig openbaart. Zelfs heeft men herinneringen aan de omstreken van Beverwijk aangetoond in gedichten, welke met die plaats niets te maken hebben, wanneer hij maar eene natuurbeschrijving wilde geven, bv. in den beroemden rei der Eubeeërs in den Palamedes. De grille joligheid in de verzen voor de dochters van Baeck is niet de toon van den deemoedigen beschermeling, maar van den trouwen huisvriend. De zoon Justus trouwde in Mei 1623 met Magdelena van Erp en werd daardoor de zwager van Hooft. Deze beide mannen waren spoedig ten zeerste aan elkaar gehecht en misschien is Vondel op deze wijze in nauwere aanraking met Hooft gekomen. Herhaaldelijk toch zien wij, dat Baeck de tusschenpersoon is „door wien Hooft iets aan Vondel laat weten.”

Leendertsz teekent hier echter zelf bij aan: „Anderen zijn van meening, dat Vondel door de opdracht van Hierusalem Verwoest met den jongen Hooft in aanraking is gekomen, dat deze hem spoedig waardeerde en ook in kennis bracht met de familie Baeck, Storm, Scriveriuss, Reael, enz.”

De door Leendertsz vermelde zwaarmoedigheid blijkt uit Vondels besluit om ontslag te nemen als diaken bij de Waterlandsche Doopgezinden, maar het meest misschien wel uit zijn „Gebedt, uytgestort tot Godt over mijn geduerige quynende sieckte.” (1621).

Zijn vriendschap tot de familie Baeck is uitgedrukt in gedichten op de beide dochters Catherina en Debora, waarvan vooral de „Beeckzang aan Catharina” geprezen wordt:

Maar ook met de zoon Jacob en Justus is hij zeer bevriend. De eerste had te zamen met zijn zoozeer geliefden, doch vroeg gestorven broeder Willem, Italië bereisd in gezelschap van drie anderen, waaronder ook Van Erp, broeder van Hoofts eerste vrouw. Ook het feit, dat Baeck hem na het schrijven van Palamedes onderdak verleende, laat hij nog eens uitkomen in zijn „Danckdicht aen Jacob Baeck, Rechtsgeleerde. Voor zijne schoone appelen my met een gedicht gezonden.”

De verhouding tusschen Reael en Vondel was eveneens van zeer vriendschappelijken aard. In denzelfden tijd maakte Vondel ook met kennis Cornelis Gijsbertsz, Vospiscus Fortunatus Plemp, Mostaert, Huygens, Ant. de Hubert en anderen.

Even voor de voltooiing van de „Amsteldamsche Hecuba” schreef Vondel, „Begroetenis aen Frederick Henrick, Prince van Oranje, op den intree van zijn Stadhouderschap en Landbestierung.” In hetzelfde jaar volgde „Palamedes”, waarin Oldenbarnevelt verpersoonlijkt wordt in de hoofdpersoon van het drama. 9).

Vondels levensbeschrijver, Brandt, bericht, dat hij kort na Palamedes weer in diepe zwaarmoedigheid verviel, waardoor hij niet in staat was tot dichten. Over de periode, die hierop volgt, schrijft Brandt: „In de jaaren, MDCXXVI, XXVII en XXVIII heeft hij zijn aanwassende vermaardtheit vermeert door zijn zinrijke en hooghdravende gedichten op Prins Willem van Nassau’s geboorte, op de Verovering van Grol, en op de komst des Prinsen van Oranje t’Amsterdam, tot slissing van eenige verschillen. In deeze dichten ging hy met grooten zwier van kunst breedt weiden in ’s Prinsen lof: zonder des weegen ooit de minste vereering van den Vorst t’ontfangen; anders zeer mildtdaadigh tegens de Poëten, wanneer ze zijne overwinningen met hunne dichten vereerden. Maar men meent, dat de Prins, wel weetende hoe quaaljck Vondel bij de Predikanten in Contra-remonstranten stondt, hem geen gunst toonde om zelf ongunst te mijden 10).

Dat onze Dichter in ongunst bij de kerkelijken raakte, was gansch niet vremdt; naardien hij hen dikwils op hun zeer tastte, met heekeldichten, zonder naame.

Als ’t eenigsins pas gaf (en ’t gaf, zijns oordeels, dikwijls pas) was hy tegens hen doende. In ’t jaar MDCXXVI of XXVII schreef hy ’t bekende Hanekot, daar hij den kerkeraadt van Amsterdam over ’t uit-werpen van den Predikant Kornelis Haanekop, als haanen met scherpe spooren, schendig doorsteek. Van dien aardt was ook zijn liedt van Reintje de Vos, ’t welk den Burgemeester Reinier Pauw, ontrent dien tijdt, vinnig stak. Hij toonde in dit, en andere dichten van dat slagh, dat hij al zijn tijdtgenooten in ’t schrijven van heekeldichten te boven ging, en d’aalouden weinig toegaf, inzonderheid als het de Kerkelijken goldt. Ook liet hij zich tegens een vertrout vriendt ontvallen; Als ik dat volk mogh aantasten, dan wordt mijn geest gaande.

Ontrent deezen tijdt overleed zijn eenige broeder Willem van den Vondel: een verlies, dat hem zeer en lang smertte. ’T welk zoo ver ging, dat ik hem bijna vijftig jaaren daarna heb hooren zeggen; Ik zou wel schreyen, als ik om mijn’ broeder denk. Hij ging my ver te boven. Dees, zich in de rechten geoeffent hebbende, was in den ouderdom van vijfentwintig jaaren naar Vrankrijk gereist, en hadde t’Orleeans den tytel van Doctor in de rechten verkregen. Van daar toogh hij voort naar Italië, te Siëna, daar hij zich negen maande oeffende, om in de geleerdheit te vorderen. Van daar schreef hy een brief in ’t Italiaansch, die de Drossaardt Hooft met groote verwondering las, en wel vijf of zesmaal herlas; zeggende: Ik kan my niet verzadigen zulk een schoon Italiaansch schrijft hy. In ’t jubeljaar MDCXXV was hij te Rome. Men vind noch eenige weinige staalen zijner Poëzye: zijn klink-dicht onder andere op zijn broeders Treurspel van Jerusalem: voorts schreef hij eenige Latijnsche dichten, daar men niet van heeft dan de vertaling, door onzen Poëet onder zijne dichten gestelt: te weeten een aanspraak aan Paus Urbaan, en zijn afscheidt van Italië op d’Alpes genoomen. Dit zijn d’eenige overblijfsels van dien schranderen geest. Men spreekt noch van een dicht op zijn broeders Lof der zeevaart, en van een klepperdicht te Siëna, op ’t paardeloopen gedicht: maar die dingen zijn verlooren. Hy was die jaaren buitenslandts, en viel, toen hij ’thuis quam, straks in een quynende ziekte, die hem wechsleepte: niet zonder vermoeden van vergift, hem in Italië ingegeven: hetzy dat hy, iemant te naa hadt gesprooken, of dat iemant anders een wrok op hem hadde gevat. De geleerde Kornelis Gyselbert Plemp, en een ander, die zijnen naam met drie letteren D.d.B. aanwijst, eerden zijne gedachtenis met Latijnsche lijkdichten, die van zijn’ broeder in ’t Hollandtsch zijn vertaalt.”

Plemp was in die jaren Vondel’s beste vriend en Dr. Sterck is zelfs van meening, dat hij den dichter met Hooft in aanraking heeft gebracht, hem zelfs introduceerde in den Muiderkring.

„De Muiderkring heeft Vondel niet dikwijls in zijn midden gezien,” schrijft Dr. Sterck echter, „Met zekerheid is zijn aanwezigheid alleen bekend door de voordracht van zijn epos.” en verder „In latere jaren heeft Vondel zelf aanleiding gegeven, dat zijn bezoeken aan het Muiderslot den gastheer minder welkom waren. De katholiek geworden dichter had in October 1642 zijn dichtwerk „Brieven der heilige Maeghden en Martelaressen” uitgegeven, voorafgegaan door een vroom gevoelde „Opdraght aen de Heilige Maeght,” een gedicht, waarin Vondel, zooals Brandt schrijft, „Maria als een Midlaares bij haaren zoon begroet en aanroept” en dat aan „veel opspraaks onderworpen,” was. Dit boek zal Vondel, als gewoonlijk aan Hooft hebben gezonden. Blijkbaar is dit vers het onnoozel „Ave Maria”, waarom Vondel, zooals hij aan Hooft schreef, meende dat deze hem „zijn geusetafel” verboden had. Immers, dat hiermede het bidden van een „Wees gegroet” bedoeld zoude zijn, is niet waarschijnlijk bij een man met libertijnsche beginselen als Hooft, die ook de katholieken Cornelis Plemp, Anna Roemers en Tesschelschade, Jan Vos, ja zelfs den priester, kanunnik Joan Albrecht Ban aan zijn tafel ontving.

Vondel door Hoofts misnoegen (dat deze later eveneens over Vondel „Altaergeheimnissen” uitte) gegriefd, zocht ook een gelegenheid om op hem verhaal te nemen en vond die, toen eenige katholieken hem aanzetten om van den Muider Drost gedaan te krijgen, dat hij meer vrijheden zou verleenen aan de Roomschen in het Gooi; Vondel had de onhandigheid om bij zijn verzoek aan Hooft als dreigement te voegen, dat het hem anders schade zou doen bij een proces, dat Hooft voerde te Brussel om het majoraatsgoed van zijn vrouw in het bezit te krijgen. Het gevolg hiervan was evenwel, dat Hooft juist strengere maatregelen tegen de Katholieken ging nemen, zoo zelfs, dat hij in 1644 een inval deed bij zijn vriend en Muidergast, den advocaat Bartholdus Ingels, op zijn hofstede „Den Ingelenbrugh,” en daar een huiskapel deed uitbreken en sluiten. Sedert is de verhouding tusschen Hooft en Vondel niet meer vriendschappelijk geworden, zelfs niet toen de laatste, bij de aanbieding van zijn Virgilius in 1646 trachtte de breuk te herstellen.”

De brief, die Vondel vergezeld deed gaan van het het exemplaar van Virgilius, is merkwaardig genoeg om overgenomen te worden.

Edele gestrenge Heer, mijn Heer Hooft,

Mij gedenckt, dat ick eens eenen Jode’ een Musikant, mijn Koningklycke Harp aanboodt, die hij weigerde t’ ontfangen, dewijl het zijn sabbath was: nu wil ick evenwel niet hopen dat de staetsabbath onzer onderlinge kunstbroederschap den toegank van uw huis zal stoppen voor onzen Parnasheiligh, die uwe Ed. hier toegezonden wort, in een Nederduitsch pack gestoken. Mishaeght u iet van het mijne, mij zou lief zijn met der tijt iet aengetekent te zien; om het te verbeteren. Behaegt u iet van het mijne, zoo laet het eens Sint Virgilius dagh zijn, en te zijner onsterflycke gedachtenisse den roomer eens omgaan, doch geenen zoo groot als daer Foleus den Lapithen mede dreighde, maer een’ berckmeier, die den mensch bij zijn zinnen laet, en gelyck predikant Adamus met den romer op de hant quinckeleerde, Godt en den mensch verheught, als hij siet hoe uit een dor en onnut hout, waervan men niet eenen nagel kan maecken, zulck een kostelijck nat vloeit. Leefde onse vrolijcke Mostert, ick weet dat hij het gaerne op die voorwaerde wachten zoude. Weinige maenden voor zijn overlijden noodighde hij den Joodschen Doctor noch, om met hem te gaen bij den patiënt met den grooten buick. Zij gingen hene, en vonden gennen waterzuchtigen maer het Rynsche wijnvat, en oordeelden stracks het laten geraden, om dien krancken van overtollige vochtigheid t’ ontlasten.

Onze Mecenaten smilten vast, Reael leit in de Westerkerck. Plemp, Baeck, Blaauw Victoryn en Mostert leggen in de Nieuwe kerck onder de zercken gekropen, een teken, dat wij volgen zullen: Godt geve ter zalige eere. Onze goede en wijze Grotius is oock al hene. Ick nam noch ’s morgens afscheit van zijne Ed. aen stadts herbergh, daer men wat naer packaedje wachte, en seide hem van deze overzettinge. Zijn Ed. zeide mij, hoe de Hartogh van Mantua sijn hof met Maroos schilderijen verciert, t’ welck ich noch in mijne voorrede te passe breng. Salmasius kan dit gebeente noch niet laten rusten. De Borgonions hebben het altijt te Delft op levenden of dooden geladen, Balthassar Geraerts op Prins Willem en dees op Grotius asschen. Nu komt er weder een boeck uit van de Transubstantiatie: doch ’t is al crambe repetita. Zu slachten d’ eeckhorens die vreesselijck zweeten, zonder wech te spoeden.

Mijn Heer, ick gebiede mij in uwe goede gunste, en sijt met uwe E. gemalinne hertelijck gegroet.

Uwe Ed. dienstwillige

J. V. Vondel

Mijn Heer, ick sende nu eerst de weergade aan den Heer Huigens; alsoo gelieve dit noch wat bij u te houden onder de vertrouwsten, dewijl wij noch acht dagen sullen stil sitten met exemplaren te verkoopen en uit te geven, op dat het Huigens eerst ontfange. Ich heb het sijn E. toege-eigent met die bescheidenheit dat ick eerst het goetduncken van Brosterhuizen uit den Hage daerop gehoort hebbe: hope niet, dat het zijn E. in zijn staet of ampt quetsen zal. Het is Maro, en geen kerckgeschil.

Hooft’s antwoord was beleefd, maar hij nam de aangeboden hand niet aan. Mogelijk, is het dat bij een openhartige bespreking der kwetsie de oude hand weer eenigszins hersteld had kunnen worden, maar zoowel door het feit, dat Vondel het punt, waarom het ging, niet durfde of wilde aanroeren of misschien verwachtte, dat Hooft nu wel verder op de zaak zou gaan door, als door Hooft’s eenigszins starre houding, bleef de verwijdering bestaan. Ten slotte, Vondel’s karakter, voor zoover het uit zijn dagelijksch leven spreekt is lang niet altijd te prijzen, maar deze brief is toch zoo kinderlijk-vertrouwelijk, dat Hooft zichzelf heusch niet te kort gedaan had wanneer hij hier wat minder „Hollandsch” op had geantwoord. De brief van den Drost luidde als volgt:

Monsr. Vondel,

Mij gedenckt, dat, als eens de H. H. Staaten van Hollandt, hoewel hun werks genoeg ooverschoot, zeer geneeghen scheenen te scheiden, om eenige Helighe daaghen te vieren, de Heer van Oldenbarnevelt, z.g. prijzende hunnen ijver, nochtans om hunne Edele Grootino, tot blijven te beweegen, daer bij voeghde, Qui non cessat bene facere, non cessat orare. Van geene wet, die zorghden, zoo wettigh, zoo wichtigh, aen zeeckren tijdt van ruste bindt, en daarom van geenen Staatsabbbatth en weet ick dan; maar uwer E. driedubbelen dank; voor den arbeidt besteedt aan ’t vertolken van Maroos werken, het toeëighenen van dien aan zoo getrouw een’ beminner mijnes vaderlads, en voor ’t boek mij vereert. Ik vertrouw dat het veelen te nutte zal dienen. Ued. vertrouwe te weezen

ten dienst van Ued.

P. C. Hooft.

Van den H. te Muide den 27en in
Hooimaandt des jaars 1646.

Indien wij in aanmerking nemen, dat Brandt van Vondel getuigde: „als hij yemant eenighsins meende misdaen te hebben, zocht hij strax te verzoenen, en quam licht om vergiffenis bidden; zoo dat men reeden hadt zich over zijne vernedering te verwonderen,” kunnen wij niet veronderstellen, dat Vondel te stijfhoofdig was om zijn leedwezen uit te druckken of zelfs een zekere mate van schuld te erkennen. In dit licht beschouwd kan men Hooft dan ook wel van een zeker gebrek aan soepelheid beschuldigen, al was Vondel’s houding even te voren ook niet correct geweest.

Vondel geeft in een brief aan Hooft, waarmee hij toen nog op goeden voet stond een zekere verklaring van het ontstaan zijner Hekeldichten (behalve „Rommelpot in ’t Hanekot” zijn de voornaamste „Harpeon” en „Roskam,” beide verschenen in 1630) 11):

Wat ’s d’ oorsaeck? Vraegldmen, wat? De gierigheyd alleen,
Die ’t algemeen versuyml, en vordert slechs haar eygen;
En sprack ick klaerdre spraeck, ick sorg sij soume dreygen
Met breuck en boeten, olie levren aan den beul.
Want waerheyd (dat ’s al oud) vind nergens heyl nocht heul;
Dies roemtonen hem voor wijs, die vingen op den mond leyd.
O kon ick oock die konst: maer wal op ’s harten grond leyt
Dat weltme na de keel: ick word te stijl geparst.
En ’t werckt als nieuwe wijn, die tot de spon uytbarst.
Soo ’t onvolmaecktheyd is, ’t magh tot volmaechstheyd dyen
Van dees’s ramsalige en beroereljcke tyen.
Waer in elck grabbelt, tot sijns naesten achterdeel,
Schrijft anderen toe, en en schuyft op hen de schuld van ’t scheel.

Hooft vond de gedichten goed; dit blijkt uit een brief, dien hij aan zijn zwager Baek schreef: „De Harpoen is aardig, al zal hij velen haarig duncken, niet meer dan de Roskam. Mij dunckt hij te genaadiger, om dat hij ieder naageeft dat hem naakomt, en zoo wel voor een goedt betaaler, als voor een scherp maaner gaan magh.”

Vondel begaf zich omstreeks 1627 naar Denemarken ten einde eenige schulden in te vorderen en maakte op den terugreis kennis met Jacob van Dijck, gezant bij den koning van Zweden. Bij deze gelegenheid schreef hij „Tot tol van Zijne Majesteit van Zweden betaalt te Gottenburg aan den Heer Jacob van Dijck.”

In 1628 verscheen het uit het Latijn vertaalde treurspel van Seneca’s „Hippolytus” en in de opdracht bleek duidelijk, dat de dichter zinspeelde op de ontvluchting van Hugo de Groot en de terechtstelling van Oldenbarnevelt.

Omtrent denzelfde tijd verscheen de Boerencathechimus (1629), die door Vossius zeer geestig gevonden werd.

„Op den Roskam en Harpoen volgde in Junius de Medaalje voor den Gommaristen Kettermeester– en Inquisiteur te Dordrecht,” zegt Brandt. „Dit ging vrij scherp en sommigen oordeelden, dat hij den Remonstranten, die hij wou begunstigen, met zulk schrijven geen voordeel toebraght; dat men d’ onderlinge verbittering slechts meer ontstak, en de quaal verergerde. Ook geleek iemant zulke dichten bij krijgsgranaaten, die zwanger gaan van bederf, en niet baaren om ter werelt te brengen, maar om daar uit te helpen. Maar Vondel meende, dat de zeeren van dezen tijdt, zoo diep waren ingeëttert, dat men er wijn en eedik 12) in moest wrijven, en den quaaden, of die hij er voor hield, hun eigen bedrijf levendigh voor oogen stellen, om hen, waar ’t mogelijk tot schaamte en beternis te brengen. Met dat ooghmerk schreef hij ook het Papiere geldt, een gedicht, vol ziels en levens, tegens Schout Bont en anderen, die de Remonstranten te Leiden, zijns oordeels, te hardt vielen. Boven den tytel zagh men de print van ’t Leyttsch papieregeldt, in ’t beleg gebruikt, met het opschrift, Hace libertatis ergo, Dit ’s voor de vrijheit. In het slot werdt de Magistraat van Amsterdam gepreezen, die de Remonstranten met oogluikinge lieten preeken, en een kerk bouwen. Die bewoogh hem ook tot het schrijven van d’ Inwijdinge des Christen Tempels ’t Amsterdam: een deftig en zeedig gedicht, dat met een’ cierlijken stijl ’t gebruik der tempelen ontvoude; dankende Godt en Amstels Raadt voor die verkreege vryheit. Dit gedicht stondt onder een groote print gedrukt, daar ’t nieu gebouw in was afgebeeldt; doch de Wethouders, niet willende, dat men met hunne goetheit zou pronken, terwijl men de Remonstranten noch in zommige steden lastig viel; ook weetende dat ’er zeer werdt gevoeldt om de plakkaaten, tegens hen gemaakt, alomme op nieuw te werk te leggen, lieten niet alleen de print met het gedicht ophaalen, maar ook de plaat op ’t stadthuis brengen; daar ze ettelijke jaaren bleef leggen, tot dat men ze, na ’t verzachten der tijden, den eigenaar (’t was de Boekverkooper Abraham de Wees) liet volgen.

Omtrent dien zelven tijdt dichtte onze Poëet dat aardig boertlied, Een otter in ’t bolwerk: waar in hij den Predikant Otto Badius, (die meer dan anderen tegens Dr. Samuel Koster, een stout meester in ’t aardig heekelen, uitvoer) bits genoeg beschimpte. Over dit liedt raakte Vondel in gevaar van ontdekt te worden. Een der onderschouten, daar, zoo ’t schijnt, lucht van hebbende, quam onverziens op de drukkerij, daar men ’t zou drukken; maar de drukker hem gewaar wordende, liet de vorm, als bij ongeluk, en uit ontsteltenis over zijne komst, uit de handt, en, gelijk de drukkers gewoon zijn te spreken, in pasteij of aan stukken vallen. Maar niet gaf den kerkelijken bijna meer aanstoot, dan zijn dicht, genoemt Decretum horribile: Gruwel der Verwoestinge in ’t jaar MDC XXXI uitgegeven. Hier in heeft hij de leere van de verwerpinge, met een stijl vol vuur en kunst, wederleit, een kraamvrou invoerende die zich inbeeldt dat een van haere tweelingen verworpen is.”

Omtrent het jaar 1630 kan men den poëtischen strijd tusschen Vondel en de predikanten als geëindigd beschouwen, bij gebrek aan tegenstanders, daar de heftigste predikanten zooals Bogaert, Lenertsz, Cloppenburg, Smout en Trigland van het tooneel verdwenen, hetzij wegens verbanning of om zich daarvoor te beveiligen. Indien wij de straffen, die Vondel voor zijn strijdschriften en later voor zijn Maria Stuart onderging vergelijken met de straffe maatregelen waarmee de onruststokers der andere partij aangepakt werd, moeten wij tot de conclusie komen, dat hij in zekeren zin nogal zachtmoedig behandeld is. Eén der laatste gedichten op dit gebied was het Vraaghdicht der Amsterdamsche Akadeinie aan alle Poëten liefhebbers der goude vrjheit, dat aldus begint:

Van in den zelf den tijd verschenen gedichten noemen wij: Wellekomst der Heeren Huig de Groot te Amsterdam en Maeghdeburghs Lickoffer ontsteecken op het Hoogh Atutaer bij Leipzigh . In December 1631 was Hugo de Groot in Amsterdam gekomen en Vondel maakte persoonlijk met hem kennis. In April besloten de staten van Holland echter reeds een premie van f 2000,- uit te loven voor dengene, die hem in de handen der Justitie over zou leveren, indien hij na acht of tien dagen nog in het land gevonden werd. In dezelfde maand was de Groot dus gedwongen het land weer te verlaten. De Groot’s invloed op Vondel is dan ook moeilijk te bepalen. Waarschijnlijk is zijn letterkundige ontwikkeling wel het meest gebaat bij zijn omgang met den groote geleerde. Tijdens het verblijf van de Groot te Amsterdam werd een school voor Hooger Onderwijs geopend, het Athenaeum Illustre. Het kerkje van het St-Agnietenklooster op den Oudezijds Achterburgwal werd ingericht tot het houden van openbare lessen en Vossius en Baerleus werden als Professoren beroepen; de eerste opende de Doorluchtige Schoole Januari 1632 met een plechtige redevoering.

Vondel schreef naar aanleiding hiervan zijn gedicht Inwijing der Doorluchtige Schoole. De beide professoren behoorden later tot zijn beste vrienden.

De jaren, die nu volgden waren voor Vondel een groote beproeving; indien er ooit sprake is van een keerpunt in zijn leven, dan is dit wel veroorzaakt door den dood van zijn vrouw en twee kinderen en het vernietigen (en dus volgens hemzelf mislukken) van zijn groot werk Konstantijn.

Alvorens wij Brandt aan het woord laten kunnen wij niet nalaten hier de ontroerendste gedichten uit dien tijd, helaas alle naar aanleiding van een sterfgeval in zijn naaste omgeving over te nemen.

Wij volgen weer Brandt: „Ontrent deezen tijdt liet de Dichter zijn gedachten gaan op eenigh groot werk: weetende dat Homeer Zijne Ilias en Ulysses onder de Grieken, Maro door zijnen Eneas, Lueanus zijne Farsalie, Stalius door zijnen Thebaanschen oorlog, Valerius Flakkus door zijn Grieksche Zeetoght onder de Latijnen, en in de laater tijden Arioste door zijnen Roelandt, en Tasso door zijn verlost Hierusalem onder d’Italiaanen onsterffelijke eere en naam hadden verworven. Derhalven besloot hy hun spoor, zoo ver hem mooghelijk was, te volgen, en den toght van den Keizer Konstantijn den Grooten naar Rome te beschrijven. Hier over heeft hij zich met den Heere de Groot, dien hy voor het Orakel van alle geleerdtheit hieldt, beraaden, en hem den aanvang van ’t werk, tot een staal, laaten zien: waar op hy deezen brief ontfing.

Seer geleerde en treffelijke vriendt,

Ik oordeele dat U.E. tot een volkomen Paëma een bequaame stof bedacht heeft, van den togt van Konstantjn naar Rome, ’t welk soo grooten gewichle heeft mede gebragt in de zaaken van de werelt. De Grieken roemen Konstantijn seer hoogh en noemen hem den Apostelen gelyk. My dunkt dat hy geen quaadt Prins is geweest sedert hy de Christelyke Religie heeft aangenomen: maar gelyk de Christenen hem tot den hemel verheffen, zoo zie ik dat Zosimus, een blind yveraar in ’t Heidensch geloof, alles opzoekt dat hy kan, met recht met onrecht, om hem te doen klein achten. Doch U.E. zeil wijselijk dat het der Poëten recht is de fouten over te zien, ofte niet te geloven van de geenen, die zy nemen tot stoffe van haar lot, en tot eelt voorbeelt van deucltt. U.E. begrijpt wel dat daar gele gen heil zal zyn om te spreken van de Heidensche en van de Christelijke kerk gewoonten. Van de eerste heeft U.E. genoeg voorschriften by de Grieksche en Latijnsche Poëten, en de oude uitleggers daar op; ook hebben weinigh voor onzen lijdt daar van niet onbequaamelijk geschreven Giraldus en Rosinus. De Christelijke kerk gewoonten van die tijdt kan men zien in de Verdaediginge van Justinus, de werken van Tertullianus, Cyprianus, de Conciliën van Neocesarie, Gangres, Laodicea, Ancyre, en het generaal van Niceen, ’t welk, gelijk ook dat van Eliberi in Spanje, en ’t eerste van Arles in Walschlandt, zijn gehouden ten tijden van Konstantjn. ’T beginsel staat my wel aan en zoo voortgaande twijffel niet aan het duuren van het werk. Godt wil daartoe zijnen zee gen verleenen, en U E. met zijn gezin neemen in sonderlinge hoede.

U E. gantsch dientwillige

H. de Groot.

Terwijl hij met dat werk beezigh was baarde zijn huisvrou hem een’ zoon en men overleide wat naam het kint stondt te geven. Hij zeide, noem het Konstantijn. Zij voerde hem tegemoet: Niemant van de vrienden heeft dien naam ooit gevoert, en wilt gy ’t naar vremden noemen, zoo geef het een schriftuurlijken naam. Hij daar op, noem het dan Gad, naar den zoon van Jakob uit Zilpa, Leaas dienstmaaght. Maar die naam geviel haar noch minder. Zij stondt dan toe, dat men ’t Konstantyn noemde: daar hy zich in verheughde, hoopende, twee Konstantynen naa te laaten, en den eenen alleen voortebrengen. Maar dat zoontje storf in zyne Kindtsheit. Aan dien anderen Konstantyn heeft hy veel jaaren besteedt, en maakt van dat heldenwerk in zyn Dankoffer aan Davind de Willem, Secretaris des Prinsen van Oranje, aldus gewagh:

In zyne Lijkklaght over zijn ega, spreekende van de tijdt van haar verscheiden, laat hy zich dus hooren;

Ook doet hy zyn doode echtgenoot hem aldus aanspreeken:

Hieruit kan men afneemen, hoe de Dichter yverde om dat groote werk tot zijn voorgesteldt einde te brengen. Doch het overlijden zyner echtgenote benam hem den lust: ’t welk uit een’ brief aan den Heer Huig de Groot, wat laater gezonden, te bespeuren is, Myn moedt, schreef hy, heeft sedert de doodt van myn zaalige huisvrouwe een’ krak gekregen, zoo dat ik mijnen grooten Konstantyn moet vergeeten, en met iets minders mij zoeken te behelpen. Ik ben aan de treurspelen vervallen, Als ik ntijn’ lust in treurstoffen heb geboet, magh ik zien.of ik weder aan mijnen Konstantyn valle. Ik beveele my ondertusschen in Uw Ed. mis gunnen.

Maar in plaats van namaals dat heldendicht te hervatten, liet hy ’t leggen, en ten leste handelde hy zijnen Konstantyn, ’t geen jammer is, gelijk Maro zijnen Eneas meende te mishandelen. Maro beval dat men zijn overtreffelijk werk na zijn doodt zou verbranden, als niet genoegh overzien en gepolijst: maar Vondel heeft zijnen Konstantyn by zijn leven aan stukken gescheurt. Zulk een weerzin hadt hy, met of zonder reden, in een gedicht gekregen, dat hem zoo veel tijdts hadt gekost. Het schijnt terwijl dit werk lang onderhanden bleef, en hy ondertusschen in de kunst toenam, dat zyn oordeel, meer en meer gesleepen, eindelijk op het voorste ’t welk eerst was geschreven lettende, daar misslagen in vondt, die hy met zulke scherpe oogen inzagh, dat hem de lust om voort te gaan verging: daar zulk een ongenadig vonnis, en ’t vernietigen van al zynen kostelijken arbeidt, op volgde. Niets bleef ’er van over dan eenige stukken en brokken, die hy sedert in andere werken te pas braght.”

Zoo overmoedig de dichter was na het verschijnen van Palamedes, zoo nederig is hij na de tegenslagen, die hem in verbijsterende hoeveelheid binnen een paar jaar tijds troffen. In het begin van zijn loopbaan als dichter leed hij aan melancholie en wij kunnen dit begrijpen bij een trots alles sterke geest als Vondel, die ontzaglijke moeilijkheden had te overwinnen, alvorens hij het begin van zijn „vorm” gevonden had. In dezen tijd echter, nu hij en in zijn werk nogmaals een crisis doormaakt en in zijn omgeving de zwaarste beproevingen moet ondergaan, is hij gewapend. Wij kunnen uit de verschillende stemmingen der zooeven aangehaalde gedichten stuk voor stuk aanvoelen hoe hij zich wapende. Wij kunnen tevens aannemen, dat in dezen tijd den grond gelegd werd voor zijn lateren overgang tot de katholieke kerk, al zijn hiervoor ook nog andere gronden als b.v. zijn omgang met Plemp en zijn bestudeering der Christelijke Oudheid van Rome voor zijn „Konstantijn” aan te wijzen. Dr. Sterck zegt naar aanleiding hiervan:

„Door de velerlei zware slagen in zijn dierbaar gezin geleden; door de weinige sympathie bij moeder en zuster voor zijn dichtkunst, door de teleurstelling zijn Constantinade niet te kunnen voltooien, door de geringe voldoening, die zijn innig vroom gemoed vond, zoowel in de kerkelijke twisten, als in den afkeer van het tooneel bij de Doopsgezinden:– moet Vondel wel in die dagen in een stemming verkeerd hebben, die zijn edel hart vurig deed verlangen, naar een geloof, dat hem krachtig kon opheffen uit die sombere neêrslachtigheid, die hem overal naar troost deed zoeken, zonder troost te kunnen vinden.

Zijn zelfbewust karakter had hem vroeger opgezet tot overmoedigen strijd, nu kwam de reactie die hem neerdrukte. Wanneer professor B. H. Molkenboer in de voorrede van zijn voortreffelijke Lucifer-uitgave aantoont, dat het Lucifer-motief, dat in de vernedering van den hoogmoed, door Vondels geheele dichterlijke leven waarneembaar is, zou ik deze opvatting willen verklaren en aanvullen uit het feit, dat de dichter in zijn eigen binnenste ook dezen strijd hevig heeft mede-gevochten. Nu had hij ervaren, hoe dit kwaad werd bestreden en uitgeroeid door de beproevingen van tegenspoeden en ellenden, waarmee hij zoo veelvuldig bezocht was geworden. Door vernederingen werd zijn hart gelouterd.”

Eén der wapenen tegen een volkomen ondergang in zijn verdriet, was zijn werk, dien hartelijken troost van elk kunstenaar, van elk mensch, waarin de elasticiteit van den menschelijken geest ten opzichte van de moeilijkheden des levens zoo duidelijk tot uiting komt. Hij had, niettegenstaande het mislukken van Konstantijn, vertrouwen in zichzelf, en dit vertrouwen hielp hem over de eerste moeilijkheden heen.

De vriendschap tot Hugo de Groot wordt in deze tijden steeds inniger. Had hij Hippolytus reeds opgedragen, aan den getrouwen Hollander, waarmee hij de Groot bedoelde, weldra verscheen een vertaling van dien Sophompaneas, die verscheen onder den titel van Huigh de Groots Josef of Sofompaneas. Treurspel. Vertaalt door J. v. Vondel. Later wordt zij ter onderscheiding van de andere spelen, waarin de geschiedenis van Joseph behandeld wordt, gewoonlijk Joseph in ’t Hof genoemd.

Toen in 1637 de Nieuwe Schouwburg aan de Keizersgracht, die Coster’s Academie verving, geopend werd, maakte Vondel voor deze gelegenheid een treurspel Gijsbrecht van Aemstel. Hoewel de eerste opvoering bepaald was op 26 December 1637 moest deze uitgesteld worden door het drijven der predikanten tot 3 Januari 1638.

Op den Gijsbrecht volgde een vertaling van Sophocles’ Elektra (1639) en in hetzelfde jaar een nieuw oorspronkelijk treurspel De Maeghden; de treurspelen volgden elkaar trouwens in verwonderlijke snelheid op. Op het eind van 1639 verscheen nog De Gebroeders en in Januari 1640 werd al weer een nieuw tooneelstuk van Vondel opgevoerd nl. Joseph in Egypten; weldra gevolgd door Joseph in Dothan, beide in October van hetzelfde jaar uitgegeven.

In 1641 ging Vondel openlijk over tot de Katholieke kerk. Wij hebben hierboven reeds aangegeven welke redenen tot dezen stap gevoerd kunnen hebben. Velerlei psychologische beschouwingen kunnen er niet aan vastgeknoopt worden, doordat van een dergelijke ingrijpende verandering in ’s menschen geest gewoonlijk slechts weinig tot uiting komt. In hoeverre men meent in de hiervoor genoemde tooneelstukken reeds een aanwijzing te zien tot dezen overgang zullen wij daar ter plaatse behandelen.

Zijn eerste groote werk moest wel ter eere van de Katholieke kerk zijn, nog in 1641 verscheen Peter en Pauwels; het stuk werd opgedragen „aan Eusebia” waarmee volgens sommige onderzoekers Tesselschade, volgens anderen zijn dochter Anna is bedoeld, die hem voorging in den overgang tot de Katholieke Kerk. Wij volgen nu weer Brandt, die in zijn beschrijving echter niet kan nalaten zijn eenigszins anti-katholieke gezindheid uit te doen komen.

Maar hij, om zijnen ijver tot bevordering van ’t Roomsch geloof te meer te toonen, stelde zijn pen ook te werk aan een lierdicht op ’t Eeuw gety der Heilige Stede t’Amsterdam. slaande op het wonderwerk, dat de Roomschgezinden beweeren aldaar, driehondert jaren geleeden, geschiedt te zijn. Dit quam in den jaare MDCXLV te voorschijn, maar verwekte hem veel haats en maakte een heelen hoop van onroomsche Rijmers gaande, die hem, met lamme steekeldichten en krabbelingen, elk om strijdt, te keer gingen, nergens toe dienende, dan om ’t graau tegens hem te verbitteren. De Drossaardt Hooft, toonde ook eenig misnoegen over dat Eeuwgety, schrijvende aan den Professor Barlaeus; Vondel heeft een vaars gemaakt op ’t wonder, waar af de Heilige Steê haaren naam draagkt: en laat het openbaarlijk voor de boekwinkels ten toon hangen, gelijk de voorvechters de messen in de luifen steeken, om de oogen der voorbijgangers te tergen, als men zeggen, wie ’t hart heeft pluike. My deen des man die geenes dings eerder moede schijnt te worden dan der ruste. T’ schijnt dat hij noch driehonderdt guldens in kasse moet hebben, die hem dreigen de keel af te bijten. Noch weet ik niet of het Item niet wel dienden moghte komen te staan; ende d’een oft andre heethansen by ontyde de handen aan hem schenden, denkende dat er niet een haan naar kraajen zoude. Dit spel immers, maakt zulk een brabbeling in de wacht, dat er alle daaghs nieuwe krabbeling uit rijst. Bij dat Eeuwgety voegde de Poeët het Kenteken des afvals, ’t welk met fel uitvaren noch meer aanstoots gaf, hoewel er min tegens gedaan wierdt, hebbende de Nakrabbelaars hunnen aêm te einde geloopen.

Doch deeze twee gedichten waaren maar voorloopers van grooter werk, dan de Dichter lang aan hadt gearbeidt te weeten d’ Alltaargeheintenissen, die hij in ’t naajaar te voorschijn braght. Dit werk, ontvouwende de Misse, was verdeelt in drie boeken. Het eerste handelde van d’ Offerspijze, het tweede van d’ Offereere, en ’t derde van d’ Offerhande. Hij hadt zich gedient van den raadt en hulpe der allergeleerdsten en spitsvondighsten der Roomsche kerke, die hij ’t Amsterdam kon vinden, en volgens hunne aanleiding, en op hunne gronden, was ’t geleerdt en kundstig uitgevoert:

Inzonderheit was men verwondert, dat hij de duistre woorden van Thomas Aquinas, en andere Paapsche Schoolleeraaren, omtrent deze stof bedacht, zoo gelukkig in ’t Hollandtsch wist te drukken. Maar wat wat de zaake zelve aanging, die bleef niet onbestreden.” Jacob Westerbaan schreef een niet onverdienstelijk verweer, waarop Vondel slechts met een achtregelig gedichtje antwoordde. Prof. Molkenboer merkt hieromtrent op: „Het ontbreken van een antwoord mogen wij niet wijten aan Vondel theologische onmondigheid, of aan een soort hopeloosheid om het versprokene goed te maken, maar eerder aan de vaste bewustheid van de bekeerling, dat hij geen blind geborene genezen kan.”

In 1646 kwamen eindelijk weer twee groote dicht-werken nl. de Virgilius verlating in proza en „Maria Stuart.” Wij vermelden nog dat hij even te voren een bloemlezing had uitgegeven van enkele van de Groot’s geschriften onder den titel Grotius’ testament. Ter gelegenheid van het vredesverdrag tusschen Spanje en De Nederlanden schreef Vondel „De Leeuwendalers.” In hetzelfde jaar publiceerde hij eveneens „Salomon.”

Brandt vervolgt: „Hierna vondt zijn heekelpen weêr werk in ’t jaar MDCL, naa ’t mislukken van den toeleg op Amsterdam. Toen schreef hij verscheidene dichten, die den aanslagh en d’ aanraaders mispreezen. Deze quaamen wel zonder naame te voorschijn, maar yder regel, ja bijkans elk woordt, gaf den Dichter, genoegh te kennen: die in drie volgende jaaren niet den eenige korte dichten uitgaf: waar onder d’ Uitvaart van den Admirael Marten Harpertzoon Tromp uitmuntte, beide door taal en stof.”’ In 1654 verscheen Lucifer.” Zooals men weet werd Lucifer den 2en Februari opgevoerd en daarna nog den 5en maar de verdere voorstellingen werden verboden. De groote schade door het Wees- en Oudemannenhuis, geleden, nu de kostbare toneeluitrusting slechts twee maal gebruikt werd, trachtte Vondel te vergoeden door een ander treurspel te dichten, waarin dezelfde uitrusting nogmaals gebruikt kon worden. Ofschoon hij dit stuk „Salmoneus” spoedig klaar had, werd het eerst drie jaar later opgevoerd. Het werd in 1657 gedrukt, evenals Davids Harpzangen.

In het zelfde jaar ging hij weer naar Denemarken. Deze periode is geheel gekenmerkt door het leed dat Vondel’s zoon Joost hem berokkende. Het ging hem financieel zoo slecht, dat hij in 1658 een betrekking aan moest nemen aan de Bank van Leening, waar hij bleef tot 1668. Gedurende zijn verblijf op de bank maakte hij nog verschillende treurspelen, te beginnen in 1669 met Jephta.

„Al die treurspelen stuksgewijs te verhaalen,” zegt Brandt, „zou te lang vallen: dies zal ik ze slechts optellen, naar ’d orde der jaaren, als ze te voorschijn quaamen. Koning Edipus uit Sophokles volgde kort Jephta, en hier op Koning David in ballingschap: voorts David herstelt: Samson of heilige wraak: Adonias of rampzalige kroonzucht: Batavische Gebroeders, of onderdrukte vrijheit: Faëton, of reukelooze stoutheit, Adam in ballingschap, of aller treurspeelen treurspel Itfgenie in Tauren uit Euripides: Zungchin, of ondergang der Sineesche heerschappije; Noah, of ondergang der eerste werelt: Euripides Feniciaansche of gebroeders van Thebe: en eindelijk Herkules in Trachin van Sophokles.”

„Nu staat ons het overige van des Dichters werken kortelijk te melden. Terwijl hij noch in de Leenbank zat beneepen, gaf hij in den jaar MDCLX den geheelen Virgilius uit, in Nederduitsch dicht vertaalt; en al kon hij dien grooter voorganger niet altijd met gelijke schreden volgen, noch in luister van eere met hem gelijk staan, (’t welk het menschelijke vermoogen, bijkans te boven gaat) nochtans oordeelden de kenners, dat hij hem veel tijdts zeer naa quam, en als op de hielen tredende, geen kleenen lof verdiende. Ook heeft hij, in den jaare MDCLXII en LXIII, drie werken van heilige stoffe, of den Godtsdienst betreffende, in ’t licht gebraght: De Bespiegelingen van Godt en Godtsdienst tegens d’ Ongodisten, verloochenaars der Godtheit, of Goddelijke voorzienigheit, Johannes den Boetgezant en De Heerlijkheit der Kerke, haer ingang, opgang en voortgang: boeken, waar in hij verscheide stoffen van Godtgeleertheit in zuiver Duitsch met met kunstige welsprekentheid (hoewel, naar ’t oordeel der Onroomschen, niet zonder groote misslagen) verhandelt: voornaamelijk in zijne Bespiegelingen, die met groot overleg, en raadt van geleerde mannen waaren bearbeidt.

Eindelijk quam de Herscheppinge van P. Ovidius Naso in den jaare MDCLXXI, in ’t vierentachtighste zijns ouderdoms, in dicht overgeset, aen den dagh, een werk dat verwonderlijk was, ten aanzien van soo hooge jaaren.

„De leste Gedichten, die men van hem zagh, waaren etlijke bijschriften op den Heer Johan de Wit, en zijnen Broeder den Ruwaart, verfoejende den moordt in den jaare MDCLXXII aan hen gepleegt; een gedicht op de zeege van Groningen, van de Bisschop van Munster in ’t zelve jaar vergeefs belegert; een ander op het verkoopen van Italiaansche schilderijen, de zeege der schilderkunst; het grafschrift op den Heer Johan Blaau, en ’t bijschrift onder d’ afbeeldingh van den Onderadmiraal Johan de Liefde, in ’t jaar MDCLXXIII; en ’t allerleste het Bruiloftsdicht het huwelijk van Sybrant de Flines met Agnes Blok ( in September des jaars MDCLXXIV, toen hij zijn zeven en tachtigste jaar op weinig weeken na hadt bereikt”.

Het einde van den grooten dichter beschrijft Brant als volgt:

„Sedert liet hy de Poëzy rusten: te meer om dat hem de Geneesmeesters verboden yet te doen daar zyn herssens op mosten werken; oordeelende dat het hem in dien ouderdom ten hooghsten zou schaaden. Hy volgde dien raadt, en behielt, tot weinigh tytds voor zyn doodt noch een vaste gezontheit. In den jaare MDCLXXVI zagh ik hem noch etlyke geschreve gedichten leezen, zonder bril, daar hy zich nooit van diende. Het eerste dat in zijnen ouderdom bezweek, waren de beenen; dies most hy, zijn gangh hem begevende, zich in huis houden. Ook begost zijn geheugenis ontrent desen tijdt te verzwakken: want hem bezoekende bevondt ik, dat hy somwyl in ’tmidden van zijn reede bleef steeken, en den draat van zyn gesprek verloor of vergat; maar als men hem indachtig maakte, ’t geen hy even te vooren zeide, dan hervatte hy zyn reede, en ging voort. Dit viel hem moeyelyk (want zyn oordeel was noch volkomen) zoo dat hy zomtijts met droefheit zeide: ik ben niet langer bequaam met menschen te spreken, of een reede te voeren. In deezen standt echter heeft hy, op myn vraagen, verscheide dingen openhertig gemelt, die hy voorhenen plagh te bedekken: rondt uit bekennende dat het Hanekot het liedt van den Otter, en Reyntje de Vos, met verscheide andere gedichten, in voortijde zonder naam gedrukt, pylen uit zyn kooker waaren. Het Vlaamsch schimpdicht op het geschil der predestinatie beginnende, Ol es de niensch elacie, schreef hy den Heere Laurens Reaal toe. Het gedicht op de Haaghlopers, beginnende ’T malle Ventje was, zeide hy, Mosterts werk: en een ander van Malle Jan de vent, het maaksel van Hendrik Hooft broeder des Drossaarts.

In deezen tydt en toen hy niet langer gaan, en naaulyks staan kon, en altydt by den haart moest zitten, strekte hem ’t bezoek en d’ aanspraak der vrienden tot geen kleen vermaak; die hy in ’t scheiden met hertelyke handtdrukkinge, en een Godt loon ’t, bedankte. Onder de geenen die hem in zijn leste jaaren meest bezochten, was d’ Advokaat Plemp en zyn broeder, zoonen van zynen ouden vriendt den geleerden Korneus Gyselbert Plemp: ook de Dichter Antonides, eer hy naar Rotterdam met den woon vertrok, Geeraard Jakob Leeuwen, en de schilder Flips de Koning, met weinige anderen. In ’t jaar van MDCLXXVII, het negentigste zyns ouderdoms, liet hy zich met een slede aan de huizen van twee Burgemeesteren rijden, en zoo zwak van lichaam als van geheugenisse, by hen leiden of dragen: hun, elk in ’t bizonder, met half gebrooke woorden biddende, dat ze zyn zoons zoone, maar hem genoemt, die hun beide, van moeders weegen, in maaghschap bestondt, met eenig ampt of bedieninge willden voorzien: of dat hy, die nu by een Schoenmaker wrocht, en weinigh won, daar van moght leven. Maar op dat verzoek kreegh d’oude man geen anderen troost dan goede woorden.

Hier na volgde allengs een verval van krachten. Zijn ouderdom was zyn ziekte. Het pit des levens ontbrak oly: de lamp most uitgaan by mangel van voedzel. Ook begaf hem de natuurlyke warmte, en de koude des winters viel hem des te lastiger: zoo dat hy met een’ zyner vrienden daar van spreekende, al boertende, verhaalde dat hy een grafschrift op zich zelven hadde gemaakt. Men magh, zeide hy, als ik sterf op myn graf zetten,

Dit meen ik was de leste snik zyner Poëzye. Hy verlangde nu naar de doodt, klagende dat d’ ouderdom een zwaare last was, maar zeide noch somwijl al boertende, Ik ben oudt, maar niet geemelijk. Hy plagh van oudts van de doodt te hooren spreken: en ziende zyn zoons zoon, Willem van den Vondel, in den doodt-kist leggen, zeide tot zyn dochter Anna: Wat is de dood een leelyke pry! daar leit nu die schoone iongeling, en is een lyk, dat rot. Op een anderen tijdt zeide hy tegens zyn nicht Agnes Blok, ik heb geen zin in de doodt, en als zij vraagde, Hebt gy wel zin in ’t eeuwigh leven? was zyn antwoordt, jaa daar heb ik lust toe: maar ik wilde ’r wel als Elias naar toe vaaren. Doch nu begon hy somwyl tot haar te zeggen; Bidt voor my, dat Godt de Heer my uit dit leven wil haalen, en als ze hem vraag-de, Wilt gy dan nu dat die leelyke pry koome? zeide hy in ’t lest, Ja, dat ze koome, of ik langer wachte, Elias wagen zal toch niet koomen, men moet den gemeenen wegh in. Eindelyk verkreeg hy zynen wensch. By zyne zwakheit quam een weinig ziekte, doch voor hem genoeg. Hy lagh ontrent acht daagen, maar zonder merkelyke pyne, of schyn van benaautheit: zoo dat hy scheen te sterven zonder ziek te zyn. Ook ontging hem zyn adem en geest, zoo zacht en onvoorziens, dat de vrienden, die in huis waaren, om op zyn einde te letten, zijnen uitgang naaulyx merkten. Dit geschiedde den vyfden van Februarius in den jaare MDCLXXIX s morgens tusschen vier en vyf uuren (na dat hy op zyn doodtbedde, volgens de wyze der Roomsche kerke, was berecht, in den ouderdom van eenentnegentig jaaren, twee maanden en negentien daagen: ontrent zeventien jaaren ouder geworden dan Euripides, en op zeeven jaaren, zoo oudt als Sofokles; de twee vermaardtste Treurspelschryvers, die hy meest poogde te volgen. Hy wordt op den achtsten dagh der zelve maandt in de nieuwe kerk t’Amsterdam, by ’t Pausdom aan de Martelaresse Katharina toegewydt, (niet ver van ’t Koor, naar de damdeur) toe door veertien Poëten of liefhebbers der Poëzye, ter aarde gebraght. Hier leit hy in de zelve Kerk, daar de Drossaart Hooft, en Barlæus, die groote Poëten; en ook Daniel Mostaart, Joan Victorijn, Cornelis Gyzelbert Plemp en Jakob Baake, zyn waarde vrienden, in d’ aarde rusten. Maar dees voortreffelyke Dichter, die zoo veele graven van groote mannen met zyne vaarzen vercierde, werdt hier begraven zonder eenigh grafschrift of het minste gedenkteeken van eere: tot dat, ontrent dry jaaren naa zyn doodt, de heer Joan Six, Heer van Wimmenum en Vromade, Outscheepen en Raadt der stadt Amsterdam, dit tydtvaars op zyn graf-zerk liet houwen.

VIR PHOEBO ET MVSLS GRATVS VONDELIVS HIC EST

’T welk wy dus vertaalen,

HIER RVST VAN VONDEL, HOOGH BEIAARDT, APOLLE EN ZIIN’ ZANGBERG VVAARDT.

Doch ten tyde zyner begraafenis werdt zyne gedachtenis met een groot getal lykdichten van Antonides, Vollenhove, Oudaan, en anderen, te veel om te noemen vereert: hem ten toon voerende en betreurende, als den grootsten Poëet zyner eeuwe, die in alle deelen der kunst uitmuntte. Petrus Francius, Professor der welspreekenheit, een uitneemend Latynsch Poëet, schreef ook een grafschrift, kort van woorden, maar ryk van zin. Hij gaf hem den tytel van PRINCEPS POETARUM, Vorst der Dichteren: zeggende dat Maro, Horatius en Sofokles met hem waaren begraaven, en dat men zyn graf most vereeren: dewyl het betaamde den ouden te eeren, en voor al dien Poëet, die ze allen te boven ging, in jaaren en in verstandt. Den lykdrageren werd een zilveren gedenkpenningh, vertoonende aan d’ eene zyde ’s mans beeltenis, en aan d’ andre zyde een zingende zwaan, tot zyner gedachtenis, vereert. Hier las men het jaar en den dagh van zijn geboorte en doodt, met dit beschrift, D’OUDSTE EN GROOTSTE POEET.”


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001