INLEIDING TOT LUCIFER.

In het jaar 1653 voltooide Vondel zijn treurspel Lucifer, volgens zijn gewoonte zoo genoemd naar den hoofdpersoon Lucifer, die opstond uit „staatszucht” tegen zijn eigen heer en schepper. De handeling is ontleend aan den Bijbel, aan de Kerkvaders en aan latere schrijvers. Wij komen hierop nader terug. De loop van het drama is als volgt: in het eerste bedrijf geven de drie duivelen Belzebub, Belial en Apollion een uiteenzetting van den toestand. Zij vertellen hoe in het paradijs de menschen, nl. Adam en Eva, gelukkig leven en hoe dit de Engelen, wier opperheer Lucifer is, in hun heerschappij moet treffen: tot nog toe waren de Engelen Gods eenige schepselen geweest. Gabriël deelt vervolgens mee, hoe God den mensch heeft geschapen om hem onbeperkte heerschappij op aarde te geven (zoodat de Engelen alleen in den Hemel de hoogste plaats bekleeden), en hem ten slotte ook haven de Engelen te verheffen, nl. doordat God de Zoon op aarde zal komen in menschelijke gedaante. Gabriël noodigt alle Engelen uit om den Mensch hulde te betoonen. Lucifer, Gods Stedehouder, die zich van de aardsche heerschappij door een mededinger verdreven ziet en zich tevens door de aankondiging van Gabriël in zijn hemelsche macht bedreigd voelt, besluit op aandringen van Belzebub zich hiertegen te verzetten. Tevergeefs tracht Gabriël hem dit heillooze plan uit het hoofd te praten, maar Apollion weet Lucifer, die er meermalen aan twijfelt of hij wel juist zou handelen in zijn plan te stijven. Het derde bedrijf begint met een woordenstrijd tusschen de Luciferisten en den Rey van (trouwe) Engelen, hetwelk herhaald wordt in een gesprek tusschen Belzebub en Michael. Merkwaardig is het dat Belzebub doortastender optreedt dan Lucifer. In zekeren zin zou men de eerste als den kwaden genius van den laatste kunnen beschouwen. Lucifer blijft in het geheele drama een betrekkelijk edele figuur, die, had hij slechts betere raadgevers gehad, misschien gered had kunnen worden. Door hem een zekere distinctie te verleenen heeft Vondel de dramatische ontknooping krachtiger gemaakt. Immers, zen hij reeds van te voren en mentaal en wat zijn macht betreft verre achtergestaan hebben bij de minste der engelen, zou hij geschilderd zijn als een typische oproerkraaier, dan Zen de omvang en verhevenheid van het conflict daardoor ten zeerste geleden hebben. Bovendien is nu de val van den door misplaatste eerzucht verblinden Stedehouder des te verschrikkelijker. In het vierde bedrijf tracht Rafael nog voor de laatste maal Lucifer te vermurwen, maar deze, die zich nu tegenover zijn aanhangers meet verantwoorden, is genoodzaakt hem af te wijzen. Het ligt natuurlijk geenszins in Vondels bedoeling de houding van Lucifer ook maar in de verste verte te verdedigen. Dat hij echter in dit bedrijf de afvallige Engelen als stuwkracht op laat treden, die de handelingen van Lucifer bepalen, maken van dezen een diep tragische figuur, waardoor het drama aan innerlijke kracht wint. Vondel bewijst hiermede dat ook reeds de gedachte aan opstand tegen het wettige gezag noodlottige gevolgen kan hebben en dat op een zeker oogenblik een weifelende houding meet ontaarden tot verzet. Nu rukt het leger der trouwe Engelen onder aanvoering van Michael de afvalligen tegemoet. De strijd zelf vindt plaats in het laatste bedrijf. Het leger van Michael, in den vorm van een kruis geschaard, verslaat de Luciferisten die in een halve maan gerangschikt optrekken. Lucifer wordt verslagen en ten val gebracht. Tijdens de triomphgezangen over dezen gelukkigen afloop komt plotseling Gabriël met een ongelukstijding: de in de hel geslingerde afvallige Engelen hebben zich gewroken door Adam te verleiden, maar het treurspel eindigt met de voorspelling van de komst van den Verlosser.

Volgens de voorschriften der toenmalige dramatiek, ontleend aan Aristoteles, was een treurspel gebonden aan drie eenheden: de eenheid van tijd, van plaats en van handeling. De eenheid van tijd stelde tot eisch dat het geheele drama binnen vierentwintig uur afliep; dit brengt niet de gewoonte om al wat er vroeger gebeurd is, in den aanvang van het eerste bedrijf te vermelden (de zgn. expositie), en vaak kwam er aan het eind van het vijfde bedrijf een voorspelling. De eenheid van plaats verplichtte den schrijver de gansche handeling te doen geschieden op dezelfde plaats, hieraan heeft Vondel zich altijd vrij nauwkeurig gehouden (in de Gijsbrecht niet). De eenheid van handeling wordt ook thans nog als eisch aan een drama gesteld. Er zijn wel is waar pogingen gedaan om hierin verandering te brengen, maar tot nu toe zijn deze niet in voldoende mate geslaagd om hier van een succes te kunnen spreken. Vooral bij het tooneel met zijn in laatste instantie toch nog beperkte middelen is het moeilijk op juiste wijze tot een combinatie voor twee of meerdere gegevens te komen. Wel hebben reeds de oudere schrijvers met succes verschillende dramatische conflicten, die parallel liepen of althans op dezelfde personen betrekking hadden met elkaar in verbinding gebracht tot één drama, waarbij dus het voornaamste conflict als het ware bijgestaan wordt door andere. Het spel behoeft hierdoor niet aan eenheid te verliezen en men verkrijgt het voordeel dat op oogenblikken van rust in het hoofdgegeven de secundaire gegevens den loop van het drama vervolgen. Nu is de eenheid van handeling in Lucifer een zaak, waarover men het niet geheel en al eens is. Lucifer, de hoofdpersoon, verzet zich in zijn heovaardigheid tegen God, met zijn ondergang als gevolg. Ziedaar de handeling. Dan volgt een tweede poging aan het slot, waarin hij Adam ten val brengt met als resultaat een tweede nederlaag: nl. de voorspelling van de komst van Christus. Men heeft de opmerking gemaakt, dat aan het slot van een drama, na den val van den hoofdpersoon, een „vertroosting pleegt te komen, die bij een ramp den mensch tot heil kan strekken, maar dat een dergelijke vertroosting bij Lucifer natuurlijk niet op haar plaats zou zijn. Dit is op zichzelf juist, maar ontzenuwt niet het bezwaar, dat in het slot van het drama een tweede handeling plaats grijpt, niet noodzakelijk voortvloeiende uit den gang van het drama, dat met de woorden van de Rey rg. 2018–2019:

als geëindigd kan worden beschouwd. In verband hiermede is de uitlating van Jean Cohen (1781–1848), die een Fransche uitgave in 1822 verzorgde van belang:

„La pièce est evidemment finie avec le quatrième acte. La chute d’Adam, qui fait le sujet du cinquième, ’n’a rien de commun avec le commencement de la tragedie, et, pour comble d’inconvéniens, donne a La victoire de Dieu toute l’apparence l’une défaite, puisqu’en definitive Lucifer triomphe dans sa chûte.” Vondel zelf heeft later dezen tweeden aanval van Lucifer, niet meer op God zelf, maar nu op Gods schepsel, den Mensch, tot het onderwerp van een ander drama gemaakt: Adam in Ballingschap. In den Inhoudt evenwel neemt Vondel den aanval op Adam als een vervolg van zijn aanval op God en redt daarmee in zekeren zin de eenheid van handeling. Hoe dit ook zij, voor een modern beschouwer heeft Vondels opvatting inderdaad het bezwaar, dat door dit „naspel” de handeling aan dramatische kracht verliest en het geheel daardoor in sterkere mate episch wordt.

Lr. B. H. Molkenboer zegt hieromtrent: „Als het prachtige drama één grove font toont, dan in de laatste honderd-en-zestig verzen, die als samengeperst aanhangsel den Adam aankondigen. Dat geforceerde in den vorm is maar ’n gevolg; de grootste vergissing steekt in ’t feit zelf, dat de dichter ons na zijn drama in de wolken ineens naar de aarde trekt, om er uit Gabriëls mond lange vertoogen van Lucifer-de-slang met zich zelf en Eva te laten hooren, nadat hij ’t slotakkoord van Michaëls overwinningsjubel, waarmee ’t spel dramatisch en artistiek toch uit was, moedwillig verstoorde door nieuw getreur, uit den mond van een der overwinnaars dubbel verwarrend.

Vondel heeft zich bij het schrijven van dit slottooneel niet weten te bedwingen. Hij voelde de droeve paradijsgeschiedenis als een weerwraak en tweeden aanslag van de overwonnen Lucifer zoowel op ’s menschen geluk als Gods majesteit, – nieuwe uiting dus van zijn nijd en staatszucht! – maar ’t stond hem niet klaar voor den geest, dat hij hiermee aan een heel nieuw konflikt en tweede treurspel raakte. Zelf voldeed hem zoo’n summiere behandeling van wat hij als der treurspelen treurspel begreep op den duur evenmin en daarom schreef hij, tien jaren later, zijn Adam in Ballingschap. Bij de voltooiing van dit drama, toen toch blijkbaar door den dichter als een vervolg op den Lucifer gedacht, verzuimde hij echter twee voorname zaken; ten eerste het aangeplakte slot van ’t engelendrama af te knippen en ten tweede zijn treesteloos eindigende Adam te besluiten met de belofteverzen 2176–2183, die nu ’t laatste woord zijn van den Lucifer.

Dit inzicht mag ik steunen met de meening van den uitnemenden Godgeleerde en Vondelkenner J. SaIsmans S. J., die een korte bespreking van deze kwestie aldus besloot: „Tot meer letterkundige eenheid was het wellicht beter Adams val in een afzonderlijk treurspel ten tooneele te voeren, en dat heeft Vondel in zijn

„Adam gedaan (1664); maar wellicht dacht hij daar nog niet aan wanneer hij „Lucifer dichtte (1654). Wat daar ook van zij, die twee stukken zijn zoo innig verwant, dat ze nooit heelemaal van elkander mogen gescheiden wordon. Ik zou ze op twee achtereenvolgende dagen doen opvoeren; „Lucifer zou den eersten dag eindigen met Michaels triomf, den tweeden dag zou „Adam in Ballingschap heel natuurlijk volgen, met als slot de acht laatste verzen van „Lucifer door den Rei, nadat Adam en Eva uit het Paradijs verdreven zijn, plechtig op te zeggen.

Zoo ware de eindindruk van „Adam” verlicht en opgehelderd door den hoopstraal der waarheid, beter dan door de vluchtige aankondiging in Uriëls woorden, vs. 1660 vgl.”

De inhoud van het drama is, zooals wij reeds zagen de opstand en de val van Lucifer. Het lot van Lucifer wordt hier tevens gegeven als het lot van den opstandeling in het algemeen. Het is daarom niet vroomd als we in het drama talloozo toespelingon zion op historischo opstanden en opstandolingen, die Vondel kan liebben gezion als incarnatiën van Lucifer. Het is zeker dat Cromwell’s opstand tegen koning Karel I hem voortdurend voor den geest stond. Zoo zegt hij naar aanleiding van den moord op Karel I het volgende.

De woordspeling „Engelsch” voor van Engeland en van de Engelen gebruikt Vondel meermalen o.a. in Maria Stuart. Men ziet, Cromwell is bijna de personificatie van Lucifer. Zinspelend op zijn naam, zegt Vondel b.v.:

In sommige hekeldichten noemt hij Cromwell: „Lucifer, die naer zijn Scheppors scepter stont (Morgenwekker der Sabbatisten). Maar tevens heeft hij gedacht aan den opstand van Willem van Oranje togen Philips II. Als men nl. in het vierde bedrijf hoort, hoe de Luciferisten zweren bij God (dien zij in werkelijkheid bestrijden) en zijn (reeds afgezetten) Stedehouder Lucifer, dan denkt men onwillekeurig aan de fictie, die de Nederlanders tot aan de afzwering van Philips volhielden: zij streden voor den (misleiden en verkeerd ingelichten) koning en zijn wettigen (hoewel reeds afgezetten) stadhouder. Tevens speelt door het drama de aanval van de Turken op de Christenheid, weergegeven in de slagorde der legers: halve maan tegen kruis. Het is mogelijk, dat Vondel ook aan den opstand van Wallenstein heeft gedacht, en wellicht ook aan den aanval van stadhouder Willem II op Amsterdam, hoewel hiervan de sporen niet duidelijk zijn aan te wijzen. Men heeft Lucifer als een politieke allegorie willen opvatten en het verhaal van Lucifer dus als den uiterlijken vorm, waarmee Vondel een werkelijke politieke gebeurtenis heeft omkleed. Van Lennep en onafhankelijk van hem (van Lennep erkent dit zelf) W. J. A. Jonckbloet hebben de ontwijfelbare beïnvloeding, die Vondel heeft ondergaan van de hierboven reeds even aangeduiden opstand van Willem van Oranje tegen Philips II, gemaakt tot den geheelen inhoud van het drama. Ziehier wat Van Lennep er van zegt: „Het is een iegelijk bekend, hoe Karel V schier bij uitsluiting aan de Nederlanders zijn vertrouwen geschonken, en hen niet slechts hier te lande, maar in Spanje zolfs met hooge bedieningen had bekleed, tot groote ergernis der Spanjaarts. Onder Filips ontstond de reaktie, en het was niet te verwonderen, dat de voormalige gunstelingen des vaders zich niet dan met spijt en misnoegen door den zoon zagen teruggezet en Spanjaarts met die eereambten voorzien, waarop zij vermeenden uitsluitend gerechtigd te zijn.

Wat nu wekt in het treurspel de ontevredenheid op van Lucifer en de everige Vorsten? Het is de meerdere gunst, aan den mensch bewezen: de eerste rang, vroeger aan de Engelen, thans aan hem toegekend:

Is deze vergelijking al vrij gewild, de volgende heeft nog minder bewijskracht: „Zoo de begunstiging der Spaansche Edelen boven de Nederlandsche aan deze laatsten vooral een doom in ’t vleesch was, daarbij kwamon, em niet slechts hen, maar oek de gomeente in ’t harnas te jagen, de plakkaten. Wij vinden evenzeer in den „Lucifer” de aankondiging van Gabriël door Belzebub zelfs een plackaet genoemd:

Ten slotte is Van Lennep’s lust om de allegorie te bewijzen zoo groot, dat hij tot zuivere speculatie vervalt: „Hervat niet Lucifer, tot driewerf toe, den slag, gelijk Oranje drie malen in de Nederlanden viel? Kan men het er niet voor houden, dat de Leeuw en de (Zee)draak, die voor Lucifers wagon zijn gespannen, op Holland en Zeeland zinspelen, die twee Gewesten, die, voornamelijk en voortdurend ’s Prinsen zijde steunden, en zich door zijne hand lieten besturen? Zou bij ’t verhaal der misschepping van Lucifer in zeven dieren onder één ook gedacht zijn geweest aan de Unie tot zeven Provinciën? En kan men in die godgetrouwe Reien, die twee derden van de Engelen uitmaken, de Spaansche Nederlanden ook herkennen, wier bevolking met die tot afgescheiden Gewesten ongevoor stond als 3 tot 2? ’t Is waar, het treurspel eindigt met de nederlaag van Lucifer en zijn Engelen, terwijl het aan Oranje en zijn zonen, hoezeer dan ook na vele tegenspoeden, gelukte, de onafhankelijkheid van den vrijgevochten Staat te verkrijgen. Maar toch, zoowel Lucifer als Oranje verbeuren de gunst van hun Opperhoer en de hooge waardigheden, vroeger door hen bekleed: – en zoo de een als de ander bekomt hierin zijn wil, dat Adam buiten het Paradijs, en de Spanjaarts buiten het grondgebied van den bevrijden Staat worden gebannen. Het ligt eenigszins voor de hand, dat Van Lennep deze veronderstelling maakte (hoewel hij er natuurlijk niet zoo ver op door had hoeven gaan) want reeds vroeger (in 1625) had Vondel met Palamedes een dusdanige allegorie gegeven en onmiddellijk na het verschijnen van Lucifer heeft Joachim Oudaen hierop ook gezinspeeld. Maar geheel ten onrechte. Want een politieke allegorie eischt, dat iedere perseen, die in het drama voorkomt een bepaald historisch perseen voorstelt, en dit is bij Lucifer zeer zeker niet het goval. Vondel zelf heeft meermalen ontkend, dat bij hem van een dusdanige bedoeling sprake is geweest, en hij was er de man niet naar om de houding van de belaagde onschuld aan te nemen, als het zijn bedoeling was geweest een allegorie te geven. De vergelijking met Palamedes toont juist dit groote verschil. Vondel zelf heeft aangewezen wie precies in dit drama met de allegorische figuren bedoeld zijn, terwijl een dergelijke aanwijzing bij Lucifer ten eenenmale ontbreekt. Palamedes is het drama van Oldenbarneveldt, maar Lucifer is het drama van Lucifer, om niet van Cromwell, niet van Willem van Oranje noch van iemand anders. Ook gegeven het feit, dat Vondel oprecht geloovige was, spreekt al togen de meening, dat hij hier het bovenaardsche zoo innig met het aardsche zou verbinden.

In een veel bewogen tijd zal een groot dichter in zijn werk onwillekeurig (meestal ten goode) beïnvloed warden door de gebeurtenissen om zich heen. Het is dan ook niet onmogelijk, dat in de uitwerking Vondel nu eens aan deze dan aan gene episode in de geschiedenis gedacht heeft, een opzettelijk en consequent verallegoriseeren van bepaalde toestanden is echter uitgesloten. Vondel behandelt in Lucifer één zijner mentaliteitsprincipcs, d.w.z. één der vaste waarheden, die zoozeer met zijn innerlijk wezen verbonden zijn, dat zo als het hoofdmotief in een symphonie steeds weer in zijn werken in één of anderen vorm herhaald wordt.

Dr. B. H. Molkenboer O.P. drukt dit als volgt uit in de inleiding van zijn Lucifemuitgave: „De opstand van Lucifer – het was een gegeven niet enkel Vondel waardig, maar ook volkomen in zijn lijn. Wat hem, wien de gezagsbehoefte tot in ’t merg van zijn ziel zat, bij zijn christelijke bespiegelingen van ’t wentelend „radt van avonturen” altijd opnieuw verbaasde en met stijgende ergernis vervulde, was wel, dat de politieke rampen in het leven der volkeren gewoonlijk uit dezelfde kiem, een persoonlijke zonde van hoovaardij te verklaren vielen. „Oude en jonge historiën hadden hem geleerd, hoe bijna iedere eeuw haar weerspannige geweldenaars had geteeld, die, baloorig over hun rang, listig en schijnvroom naar zelfverheffing en machtsuitbreiding hadden gestreefd. Even koninklijk van geest aals hoog van karakter aanvaardde Vondel het Gezag als van goddelijken oorsprong. Vorsten huldigde hij als „aardsche goden” ; „Godtsstoel-en stedehouders,” ja het „eigen beelt van Godt.” In zijn heele werk bewaart hij tegenover de „Keyzeren, Koningen en allen Geweldigen op aarden de deemoedige houding van een dienaar en onderdaan. En verder: „Door zijn geniaal synthetischen blik herkende Vondel in de markantste opstand-typen van mythe en geschiedenis dien algemeen-menschelijken hoogmoed spiegelbeelden in Salmoneus en Faëton, voorbeelden in Adam en Adonias, maar aan den drompol van ’t heele wereldgebeuren, het oerbeeld aller opstandigheid in Lucifer. Als in de eerste en voornaamste vertegenwoordiger van de soort zag hij in ’t verzet van den Opperengel tegen God niet enkel het sterkste rijkst geschakeerde type, maar ook de haard en dus de verklaring aller volgende rebelliën: van vorsten tegen God, van burgers tegen vorsten, van iederen trotschaard, die zwol van zucht naar staat en eer.

Terecht wijst Molkenboer op het feit, dat Simons in „Vondels Dramatiek” het begrip „staatzucht” te eng noemt door er enkel politieke eerzucht onder te verstaan. „Staetzucht” is te vergelijken met wat Hebbel later op breeder basis noemde „die starre Ausdehnung des Ichs”, voor hem de oorzaak van het dramatisch conflict, of wil men het meer psychologisch beschouwen „een algemeene wil tot macht”.

We komen nu tot de vraag: waaruit heeft Vondel de geschiedenis van Lucifer geput en waaraan heeft hij zijn voorstelling van den hemel ontleend? Voor de geschiedenis van Lucifer geeft hij zelf de bronnen op is zijn Aenleidinge: de Bijbel, vele Kerkvaders, onder welke vooral Cyprianus, Gregorius en Bernard van Clairvaux. Gregorius geeft ons als moraal van Lucifers opstand en val: Ex angoli casu discat home non superbire (Uit der Engelen val leere de mensch niet overmoedig te zijn), en dezelfde gedachte zien wij in Lucifer. Van latere theologen is vooral de Jezuïet Suarez van invloed op Vondel geweest, met name wat betreft zijn voorstelling van menschwording en zondenval. Op te merken is, dat Vondel bewust afwijkt van het door Thomas van Aquine geleerde, dat Lucifer eerst door hoogmoed zondigde en als consequentie daarvan door afgunst, terwijl in Vondel’s eerste bedrijf de drijfvooren van Lucifer zich juist in omgekeerde volgorde vertoonen. Het past wellicht ook beter in de psychologie van het drama, die een ontwikkeling van afgunst tot hoogmoed en daarna tot wanhoop geeft. Vondel, die de leer der Kerk nauwgezet volgde, week hier van Thomas af in het belang van zijn drama, in de wetenschap, dat juist deze kwestie een vrije kwestie voor de godgeleerden is, en de Kerk zich hier niet voor of tegen de opvatting van Thomas had uitgesproken. De hiërarchie der Engelen heeft Vondel kunnen ontleenen aan Gregorius, die 9 orden onderscheidt, woor gegroepeerd in 3 koren of reien. Vondel gebruikt Nederlandsche benamingen, die met de Latijnsche van Gregorius als volgt overeenkomen:

1. Seraphini Seraphijnen
Chorubini Cherubijnen
Throni Thronen
2. Dominationes Heerschappijen
Virtutes Krachten
Potestates Machten
3. Principatus Vorstenheden
Angoli Engelen
Archangeli Aartsengelen.

 Een even nauwkeurige rangschikking van de duivelen heeft Vondel niet. Dat ligt ook wel voor de hand, immers, in den aanvang van het drama zijn de duivelen nog engelen.

Men heeft, vooral in Engeland, een parabel wilben trekken tusschen Vondel’s Lucifer en Milton’s Paradise Lost. Aangezien het laatste na het eerste verscheen zou Milton dus onder Vondel’s invloed zijn beroemd epos geschreven hebben. Sedert de Engelschman Beddoes in 1825 afhankelijkheid van Paradise Lost van Lucifer vermoedde en Rev. Fishel die bevestigde, heeft een aantal schrijvers zich met het onderzoek beziggehouden. De voornaamste hiervan zijn G. Edmundson en Dr. Moolhuizen. De laatste hoeft vrijwel afdoende de bewijzen tegen Milton ontzenuwd, zoodat men mag veronderstellen, dat de invloed van Vondel op den dichter van Paradise Lost alleen bestaan heeft in den geest van enkele te ijverige zij het dan ook niet onbekwame tekstcritici. Edmundson heeft in zijn boek de verschillende plaatsen, waar hij overeenkomst opmerkt, naast elkaar geschreven, terwijl hij Vondel’s Alexandrijnen in rijmlooze vijfvoetige jamben heeft vertaald. Dr. Moolhuizen zet naast de origineele Paradise Lost–tekst de Van Lennep Unger editie van Vondels werken.

Bij elke „treffende overeenkomst geeft Dr. Mealhuizen zijn commontaar. Zoo bv. abs Belial en Belzebub uitzien naar den terugkeer van Apollion, die door Lucifer uitgezonden is om de onlangs geschapen aarde eens in oogenschouw te nemen.

Belial zegt tot Belzebub:

Naast deze plaats uit Vondel haalt Edmundson Paradise Last V, 266–272 aan:

Dr. Moolhuizen merkt op: „Milton beschrijft daar de nederdaling van Raphael naar het Paradijs. Edmundson wijst hier op „the actual similiaritios of language en zegt dat „the ideas involved in these two passages are almost identical.”

Als we nu in aanmerking nemen, dat op beide plaatsen de tocht van een engel wordt beschreven, die zijne reis snel volbrengt, dan is het dit en niets meer, waarin beide passages overeenstemmen. Milton heeft niet de hemelkreitsen, niet dat de engel een spoor van licht achter zich laat, niet de bewondering der hemellichamen, niet het beeld van een vliogend vier.

En abs Mibtons ongel van den koudon poe1 in een meet zuidelijk klimaat komt, in een meet biefelijk klimaat, dan zal dit tech wel niet ontloond zijn aan Vandebs engel, die van de lagere luchtlagen in de hoogere, in de meer goddelijke zich verheft, In eenen andren dag en schooner zonneschyn.

Wat nu Vondels beeld aangaat van „een vliegend vier,” Edmundson vindt dit bij Milton op een andere plaats, nl. Paradise Lost, II, 1012:

Of liever, dit is nog niet juist, wat Vondel zegt; maar daar is raad op. Als Satan zich verheft als een vuurpyrarnide, dan ziet natuurlijk degene, die hem ziet opstijgen, hem als „een vliegend vuur . De vergelijking is inderdaad nogal gezocht. Trouwens zoowel op deze als volgende past uitstekend de treffende opmerking van Dr. Moolhuizen omtrent Edmundson’s methode: „We wenschen hier tevens iets te zeggen over Edmundsons wijze van vergelijken. Om paralbelben te vinden bij één plaats van Vondel wordt de geheele Milton doorzecht. Zoo haalt de schrijver bij Lucifer 427–445;

uit Milton zeven verschillende plaatsen aan, plaatsen, waar dikwijls de onderwerpen zeer verschillen. Doorloopend verband schijnt er dus niet te zijn, terwijl in de aangehaalde plaatsen haast altijd versregels moeten warden weggelaten. Dat dit kunstmiddel moet worden toegepast om bij (gelijk wij aantoonden) zeer voor de hand liggende uitdrukkingen min of meer gelijkluidende aanhalingen te vinden, ontneemt zeker wel eenige kracht aan zijne beweringen. Over de opvoering van Lucifer meldt G. Brandt, de bekende biograaf van Vondel (en eveneens van P. C. Heeft en Michiel Andriaensz. de Ruyter) het volgende: In ’t volgende jaar van MDCLIV braght hy zyn treurspel van Lucifer te voorschijn. Dit werk was, ten aanzien van de kunst, niet het minste zyner treurspelen, maar ten opzicht van de stoffe en ’t uitwerken veel opspraaks onderworpen. Sommige Predikanten bestraften opentlijk op stoel, dat men zulke bijbelstof, en den hemel met d’Engelen, op het tooneel braght: dat men ’t heilige vermengde met menschelijke vonden, en daar een spel van maakte. In dit spel zeiden ze, waren onheilige onkuischc, afgodische, valsche en gansch stoute dingen te spitsvondig uit menschelijke harssenen gezoogen, begreepen. Hun prediken en verzoek hadt zoo veel krachts, dat men Lucifer, naa twee reizen speelens, van ’t tooneel weerde. Doch dat tegenstreven verwekte te grooter nieuwsgierigheid om te leezen ’t geen men verboodt te speelen ; de gansche druk van duizendt boeken werdt in acht dagen tijdts uitverkocht: zoo dat de Boekverkooper het treurspel weêr van nieuws op de pers braght. Onder de Predikanten, die meest hier in ijverden, was Petrus Wittewrongel, een Zeeuw van geboorte, wel de voornaamste, die daaghelijks den Schouburg met de tooneelspeelen in zyne predikatien overhaalde; die noomende schoolen der ydelheit, zondige hooghsten, overblijfsels van ’t Heidendom, aanleidingen tot zonden, godloosheit, onreinigheit, lichtvaardigheit en tijdtspillinge.

Vondel, met zulke sterke tegenstrevers te doen hebbende, liet den moed niet vallen: maar paste dit op Wittewrongel:

Hij stelde een Tooneelschildt of pleirede voor het tooneelrecht, in prose, daar hij de Predikanten niet in spaarde, maar hen beschreef, met veel bitse en bittere woorden als oordeellooze gezellen, kerkuilen en bedilallen, bijbrengende tot zijne verdediging, dat het ooghmerk der treurspeelen is den verwilderden aardt in te toomen, en zeden in te scherpen, en dat het blyspel de zwaarmoedige geesten verlicht: en indien men om der dingen misbruik altydt het recht gebruik most verwerpen, dat er ter werelt niet onomgewroet en in zyn geheel zou blijven. Aangaande de bijbelstof, die de Predikanten aller meest van het tooneel wilden houden, heeft hij elders 1) zich beroepen op de voorbeelden en toestemminge van heilige en geleerde mannen; zeggende, dat de Propheet Ezechiël 2) een treurspel van den uittoght der twaalef stammen uit Egypten hadt naagelaaten: dat d’oude Kerkenleeraar Gregorius Nazianzener 3) zelf den gekruisten Chnistus tot stof van een Gnieksch treurspel hadt gebruikt, en Hugo de Groot 4) zyn voorbeeldt in ’t Latyn gevolght, die ook zynen Joseph ten tooneele voerde: dat Buchanaan 5) treurspelen van Jephta en Joannes den Dooper hadt naagelaaten: dat zelf Theodoor Beza 6), Kalvyns amptgenoot, een treurspel van Abrahams offerhande hadt gedicht, de Raadtsheer van den Homer 7) de treurspeelen van Moses den taafelbreeker en Thamar, en Daniel Heinsius 8) den kindenmoordt van Herodes: dat ook Blondel 9), die geleerde Theologant onder de Gereformeerden, naamaals Professor den kerkelijke Historien t’Amsterdam, met alle de Predikanten van het Synode te Chastres in Languedoc, in het schouperk het spel den Latijnsche schoolieren quam zien en hooren. Op deeze redenen zou veel te zeggen vallen, indien men die gezint waare t’ontzenuwen. Maar dit ’s hier ons werk noch ooghmerk niet; terwijl wij hier alleen toeleggen om des Dichters leven, aardt, en bedryf te melden.

Niettegenstaande Brandt er zich afmaakt met de laatste opmerking, die door zijn onvolledigheid niet geheel en al rechtvaardig is, krijgt de objectieve beschouwer den indruk dat de bezwaren die Amsterdamsche predikanten zich even sterk tegen den Katholieken dichter kantten dan tegen het bit als zoodanig „dat op een vleesselijke manier de hooghe matery van de diepten Godes met veele ergerlijcke en ongheregelde verdichtselen wort voorgestelt.

Vondels verdediging is vrij kalm, geheel anders dan wij in den tijd toen hij Palamedes schreef van hem verwacht zouden hebben; zijn Toneelschilt of Pleitrede voor het tooneelrecht is wel is waar fel, maar hier gaat het er om het goed recht der dramatiek te bepleiten. Zien wij in Lucifer zelf de dichter, die de overtuiging heeft, dat „staetzucht” ten verderve voert, wij leeren hier een anderen kant van zijn persoonlijkheid kennen: als geen ander is hij de martelaar der dramatiek in de 17e eeuw. Van het standpunt van den modernen lezer is het bijna niet te gelooven dat een Vondel, zich tegen allerlei aantijgingen schrap meest zetten, alleen omdat men al van te voren principieel tegen het tooneel was! Slechts op ironischen toon bespreokt hij de persoonlijke aanvallen. Zoo herinnert hij zich in het Berecht van Salmoneus een paar jaar later ’t verhaal van Hooft: „De ridder en drost Hooft, loflijcker godachtenisse, verhaelde mij, veele jaeren geleden, hoe een fluitenist in het dolhuis op zijn Duitsche fluit begon te blazen, waerop terstont elck krankzinnigh hooft eenen byzonderen toon en grimmas zette, naer den ongelijcken temper en inbeeldinge der ontstelde herssenen; d’een begon te lachen, d’ander te schrijen, te zitten, te klauteren, te springen, te zingen, de handen te wringen, te kermen, te schermen, men hoorde en zagh den haenekray, geblaet van schapen, greepen van aepen, gebas van honden, gehuil van weerwolven, en het loejen van stieren; men hoorde aexters, papagaejon, en kraejen, uilen, zeemeeuwen en spreeuwen, en wiltzangk, een oubollige muzijck van dolle muzikanten, zonder maet, onder een gemengt, en zoo menigh dolhuis, zoo menigen weêrgalm. Toen nu mijn leerachtigh treurspel van Lucifer zoo veel spels maeckte, docht my het verhael van den Heere Drossaert hier niet qualijck op te sluiten, en dat ick mede onder diergelijck gezelschap vervallen was. Indien wij den tooneeltoon op bybelstof zetten; men schreeuwt dat Godts naem gelastert, het heilighdom des Heiligon Geests ontheilight wart. Speelen wij Heidensche fabelen, en kloecke verzieringen, men beschuldight ons van ydelheit en lichtvaerdigheit. Brengt men zinnespelen te voorschijn, om goede zeden te planten, dat waenen zommigen 10) hun alleen aenbesteet zijn: waerom de gemelde Heere Drost wel magh zeggen:

Met een zekere berusting besluit Vondel dan: „Maer de Grieksche poët Theognis zeght hier tegen, dat Jupiter zelf een iegelijck niet behaeght, het zy dat het regene, of de zon schijne. Het is dan geen wonder dat de zonneschijn der tooneolen en speelen een iegelijck niet behaeght.

Tijdens het leven van Vondel zijn acht drukken van zijn Lucifer verschenen. In de 18e eeuw werd het werk niet herdrukt. In 1904 telde Dr. H. C. Diferee twee-endertig uitgaven: nl. 7 in de 17e eeuw (acht, daar Ungor in zijn Bibliographie volgens Dr. N. Cramer de eigenlijke tweede druk in 1654 over het hoofd zag), en in de negentionde eeuw 14 in Noord-Nederland, 6 in Zuid-Nederland, 5 vertalingen, nl. drie Duitsche (1868 te Aken en Münster en 1869 te Leipzig) één Engelsche en één Fransche. Wij memoreeren aan de hand van de opgave van Dr. B. H. Molkenboor O.P. nog enkele Fransche, Engelsche, Duitsche, een Hongaarsche, Japansche en een Maleische, die zelfs word opgevoerd in 1916. De Java-Post besprak deze opvoering als volgt: „De loop van het stuk, Vondels drama, is door bekwame hand in een kleine honderd strophen van verschillende lengte in dichterlijk Javaansch weergegeven. Een leerling der kweekschool heeft dit werk geleverd en zijne verzen zijn onder een schuilnaam opgenomen in de eerste twee afleveringen van het tijdschrift „Djawi-Sraja.”

De hoofdgedachte van Vondel is weergegeven in zoetvloeiende verzen, veorzen, die evenals de onze rekening hebben te houden met het aantal lettergrepen en ofschoon zonder rijm evenwel aan regels gebonden zijn, wat betreft den klinker den laatste lettergreep van elk vers. Een andere leering had op zich genomen te zorgen voor de melodie, want die verzen zouden worden gereciteerd in zachtklinkenden zang, goesteund door een gamelan slendro. Het was een zwak pogen, een eerste poging om het christelijk drama pasklaar te maken voor het Javaansche tooneel, voor de door den Javaan zoo hoog gewaardeerden wajang wong; vooral had men het oog op den gewonen Javaanschen dans, om dien te wijzigen en op dien menigwerf wuften dans een christelijk stempel te drukken, met één woord: den gewonen Javaanschen dans te kerstenen.

Voor de opvoering dienden twee tooneelen, waanvan het eerste den hemel, het tweede den somberen burcht van Lucifer voorstelde. De costuums waren voor het grootste gedeelte in zachte tinten en voor de hoofdpersonen had men ruim gebruik gemaakt van het rijken koningsrood.


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001