Joost van den Vondel (1587-1679)

LUCIFER

HET EERSTE BEDRYF.

BELZEBUB. BELIAL. APOLION.

BELZEBUB.

Myn Belial ging heene op lucht en vleugels dryven,
Om uit te zien, waer ons Apollion mahg blyven,
Vorst Lucifer zondt hem, tot dezen toght bequaem,
Naer ít aertrijck, op dat hy eens nader kennis naemí
Van Adams heil en staet, waerin dí Almogentheden
Hem stelden, Het wort tyt om weder van beneden
Te keeren hiet te stede: ick gis, hy is niet veer.
Een wacker dienaer vlieght op ít wencken van zyní heer;
En stut zyn meesters troon getrouw met hals en schouder.

BELIAL.

Heer Belzebub, ghy Raet van ís Hemels Stedehouder,
Hy steigert steil, van kreits in kreits(1), op ons gezicht.
Hy streeft den wint voorby, en laet een spoor van licht
En glanssen achter zich, waer zyn gezwinde wiecken
De wolcken breecken. Hy begint ons lucht te riecken,
In eenen andren dagh en schooner zonneschyn,
Daer ít licht zich spiegelt in het blauewe kristalyn.
De hemelklooten zien met hun gezicht, van onder,
Terwyl hy ryst, hem na, een ieder in ít byzonder,
Verwondert om dien vaer en goddelycken zwier,
Die hun geen Engel schynt, maer eer een vliegend vier.
Geen star verschiet zoo snel. Hier komt hy aengesteegen,
Met eenen gouden tack, en heeft de steile wegen
Voorspoedigh afgeleit.

BELZEBUB.

                                       Wat brengt Apollion?

APOLLION.

Heer Belzebub, ick heb, zoo vlytigh als ick kon,
Het laegh gewest bespiet, en offere u de vruchten,
Zoo diep beneden ons, in andre zon en luchten,
Gesprooten: oordeel, uit de vruchten, van het landt,
En van den hof, door Godt gezegent en geplant
Tot wellust van den mensch.

BELZEBUB.

                                                 Ick zie de goude blaeden,
Met perlen van de lucht, den zilvren dau, gelaeden.
Hoe lieflijck rieckt dit loof, dat zijne verf behoudt!
Hoe gloeit dit vrolijck ooft van karmozijn en gout!
ít Waer jammer, zoo men dit ontwijde met de handen.
ít Gezicht bekoort den mont. Wie zou niet watertanden
Naer aertsche leckerny? Hy walght van onzen dagh,
En hemelsch manní, die ít ooft der aerde plucken magh.
Men zou ons Paradijs om Adams hof verwenschen.
ít Geluck der Engelen moet wijcken voor de menschen

APOLLION.

Niet waer, heer Belzebub? Al schijnt de hemel hoogh,
Wy leggen veel te laegh. Het geen ick met mijn oogh
Gezien heb, mistme niet. ít Vermaeck van ís weerelts hoven,
Een eenigh Eden gaet ons Paradijs te boven.

BELZEBUB.

Laet hooren watghe zaeght: wy luistren tí zamen toe.

APOLLION.

ík Verzwijgh mijn heenevaert, om niet te reppen, hoe
Gezwint ick nedersteegh, en zonck door negen boogen,
Die sneller dan een pijl, rontom hun midpunt vloogen.
Het radt der zinnen kan zoo snel niet ommeslaen,
In ons gedachten, als ick, laeger dan de maen
En wolcken, afgegleÍn, bleef hangen op mijn pennen(2),
Om ít Oostersche gewest en lantschap tí onderkennen,
OP ít aenzicht van den kloot, daer dí Oceaen om spoelt,
Waer in zoo menigh slagh van zeegedroghten woelt.
Van verre zagh men hier eení hoogen bergh verschieten,
Waer uit een waterval, de wortel van vier vlieten,
Ten dale nederbruischt. Wy streecken steil en schuin
Voorover met ons hooft, en rusten op de kruin
Des berghs, van waer men vlack de zalige landouwen
Der onderweerelt en haer weelde kon aenschouwen.

BELZEBUB.

Nu schilder ons den hof en zijn gestaltenis.

APOLLION.

De hof valt ront, gelijck de kloot der werelt is.
In ít midden rijst de bergh, waer uit de hooftbron klatert,
Die zich in vieren deelt en al het landt bewatert,
Geboomte en beemden laeft, en levert beecken uit,
Zoo klaer gelijck kristal, daer geen gezicht op stuit.
De stroomen geven slib, en koesteren de gronden.
Hier worden Onixsteen en Bdellion gevonden.
Hoe klaer de hemel oock van starren blinckt en barnt,
Hier zaeide vrouw Natuur in steenen en gesternt,
Dat onze starren dooft. Hier blinckt het gout in dí aderen.
Hier wou Natuur haerí schat in ťťnen schoot vergaderen.

BELZEBUB.

Wat zweeft íer voor een lucht, waer by dat schepsel leeft?

APOLLION.

Geen Engel, onder ons, zoo zoet eení adem heeft,
Gelijck de frissche geest, die hiet den mensch bejegent,
Het aengezicht verquickt, en alles streelt en zegent:
Dan zwelt de boezem der landouwí van kruit en kleur,
En knop, en telgh, en bloem, en allerhande geur.
De dau ververschte ís nachts. Het rijzen en het daelen
Der zonne weet zijn maet, en matight zoo haer straelen
Naer eisch van elcke plant, dat allerhande groen
En vrucht gevonden wort in eenerly saisoen.

BELZEBUB.

Nu maelme, de gedaente en ít weezen van de menschen.

APOLLION.

Wie zou ons Engeldom voor ít menschdom willen wenschen,
Wanneer men schepzels ziet, die ít al te boven gaen,
En onder wiens(3) gezagh alle andre dieren staen.
Ick zagh den ommegang van hondert duizent dieren,
Die op het aertrijck treÍn, of in de wolcken zwieren,
Of zwemmen in den stroom, zoo ieder is gewent,
En leven schept in zyn byzonder element.
Wie zou een ieders aert en eigenschappen raemen
Als Adam? Want hy gafze op eene ry haer naemen.
De berghleeuw(4) quispelde hem aen met zijnen staert,
En loegh den meester toe. De tiger ley zijní aert
Voor í Konings voeten af. De lantstier(4) boogh zijní horen,
En dí olifant zijní snuit. De beer vergat zijní toren.
Griffoen en adelaer quam luistren naer dien man,
Oock draeck, en Behemoth, en zelf Leviatan.
Nocht zwygh ick, welck een lof den mensch wort toegezongen
En toegequinckeleert van ít lustpriŽel, vol tongen;
Terwijl de wint in ít loof, de beeck langs dí overs speelt,
En ruischt op een muzyck, dat nimmer ít hart verveelt.
Had zich Aplollion in zynen last gequeeten,
Hy had ons hemelryck in Adams Ryck vergeeten(5).

BELZEBUB.

Wat dunckt u van het paer, dat ghy beneden zaeght?

APOLLION.

Geen schepsel heeft om hoogh myne oogen zoo behaeght
Als deze twee om laegh. Wie kon zoo geestigh strengelen
Het lichaem en de ziel, en scheppen dubbele Engelen,(6)
Uit klaiaerde en uit been! Het lichaem, schoon van leest,
Getuight des Scheppers kunst, die blinckt in ít aenschijn meest,
Den spiegel van ít gemoedt. Wat lidt my kon verbazen,
Ick zagh het beelt der ziele in ít aengezicht geblazen.
Bezit het lyf iets schoons, dat vint men hier by een.
Een Godtheit geeft haer glans door ís menschen oogen heen.
De redelycke ziel komt uit zyn troni zwieren.
Hy heft, terwyl de stomme en redenlooze dieren
Naer hunne voeten zien, alleen en trots het hooft
Ten hemel op naer Godt, zyní Schepper, hoogh gelooft.

BELZEBUB.

Hy looft hem niet vergeefs voor zooveel rycke gaven

APOLLION.

Hy heerscht, gelyck een Godt, om wien het al moet slaven.
Dí onzichtbre ziel bestaet uit geest, en niet uit stof.
Zí is heel in ieder lidt. Het brein verstreckt haer hof.
Zy leeft in eeuwigheit, en vreest noch roest, noch schennis.
Zí is onbegrypelyck. Voorzichtigheit, en kennis,
En deught, en vryen wil bezitze in eigendom.
Voor hare majesteit staen alle Geesten stom.

BELZEBUB.

Wat baet al ís menschen roem, indien zijn schoonheit smelt,
En endelijck verwelckt, gelijck een bloem op ít velt?

APOLLION.

Zoo lang die hof beneÍn niet ophoude ooft te geven,
Zal dit gezalight paer zulck eení appel leven,
Die daer in ít midden groeit, bevochtight van den stroom,
Waer by de wortel leeft. Dees wonderbaere boom
Wort ís levens boom genoemt, Zijn aert in onbederflijck.
Hierdoor geniet de mensch het eeuwigh en onsterflijck,
En wort den Engelen, zijní broederen, gelijck,
Ja, overtreftze in ít eindt; en zal zijn maght en rijck
Verbreiden overal. Wie kan zijn vleugels korten?
Geen Engel heeft de maght zijn wezen uit te storten
In duizent duizenden, in een oneindigh tal.
Nu overreken eens, wat hier uit worden zal.

BELZEBUB.

De mensch is maghtigh dus ons over ít hooft te wassen.

APOLLION.

Zijn wasdom zal ons haest verschricken en verrassen.
Al duickt zyn heerschappy nu laeger dan de maen;
Al is die maght bepaelt; hy zal al hooger gaen,
Om zynen stoel in top der hemelen te zetten.
Zoo Godt dit niet belet, hoe konnen wy ít beletten?
Want Godt bezint den mensch, en schiep het al om hem.

BELZEBUB.

Wat hoor ick? Een bazuin? Gewis hier wil een stem
Op volgen: zie eens uit, terwijl we hier verbeien.

APOLLION.

Dí Aertsengel GabriŽl, gevolght van ís hemels Reien,
Gemaeckt in ís Hooghsten naem, om uit den hoogen troon,
Tí ontvouwen, als Herout, hetgeen hem wiert geboŰn.

BELZEBUB.

Om lust te hooren wat dí Aertsengel zal gebieden.

GABRIňL. REY VAN ENGELEN.

GABRIňL.

Hoort toe, ghy Engelen: hoort toe, ghy hemellieden.
De hooghste Goetheit, uit wiens boezem alles vloeit,
Wat goet, wat heiligh is; die nimmer wort vermoeit
Door weldoen, noch verarmt van haer genadeschatten,
Tot noch met geen berijp der schepselen te vatten;
Dees Goetheit schiep den mensch haet eigen beelt gelijck,
Oock dí Englen, op dat zy te zamen ít eeuwigh Rijck,
Het noit begrepen goet, na íet vierigh onderhouden
Der opgeleide wet, met Godt bezitten zouden.
Zy boude ít wonderlijck en zienelijck Heelal(7)
Der weerelt, Gode en oock den mensche te geval;
Op dat hy in dit hof zou heerschen en vermeeren;
Met al zijne afkomst Hem bekennen, dienen en eeren;
En stijgen, langs den trap der weerelt, in den trans
Van ít ongeschapen licht, den zaligenden glans.
Al schijnt het Geestendom alle andren tí overtreffen,
God sloot van eeuwigheit het Menschdom te verheffen,
Oock boven ít Engelsdom, en op te voeren tot
Een klaerheit en een licht, dat niet verschilt van Godt.
Ghy zult het eeuwigh Woort, bekleet met been en aren,
Gezalft tot Heer, en hooft, en rechter, al de schaeren
Der Geesten, Engelen, en menschen te gelijck,
Zien rechten, uit zijní troon en onbeschaduwt Rijck;
Daer staet de stoel alreÍ geheilight in het midden.
Dat alle dí Engelen hem passen aen te bidden,(8)
Zoo ras hy innery, wien ít menschelijck gestalt,
Oock boven ons natuur verheerlijckt, gevalt.
Dan schijnt de heldre vlam der Serafijnen duister,
By ís menschen licht en glans en goddelijcken luister.
Genade dooft Natuur en al haer glansen uit.
Dit ís noodlot: dit ís een onherroepelijck besluit.

REY.

Al wat de hemel stemt, zal ít hemelsch heir behagen.

GABRIňL.

Zoo past, u zou in Godts en ís menschen dienst te dragen:
Naerdien de Godtheit zelf de menschen zoo bemint.
Wie Adam eert, het hart van Adams Vader wint.
De mensch en Engel, beide uit eenen stam gesprooten,
Zijn medebroeders, uitgekore lotgenooten,
Des Allerhooghsten zoons en erven, zonder smet.
Een ongedeelde wil en liefde zy uw wet.
Ghy weet, hoe ít Engelsdom moet onderscheiden worden
In dryderhande ry, negenvoudige orden;
De hooghste in Serafijn, en Cherubijn, en Troon,
Die zitten in Godts Raet, en stercken zijn geboŰn.
De middenry bestaet uit Heerschappyen, Krachten,
En Maghten, die op ít woort van Gods Geheimraet wachten,
Tot ís menschen nut, en heil, en hulp in ít algemeen.
De derde en laeghste ry, gewijt uit VorstenheÍn,
En groote Aertsengelen, en Engelen, moet duicken
Voor ít woort der middelrye, en laten zich gebruicken,
Beneden het gewelf van zuiver kristalijn,
In huní byzondren last, zoo wijt ít gesterrent schijní.
Wanneer de weerelt koomí zicht verder uit te spreiden,
Wort elck van deze ry in zijn gewest bescheiden,
Of weet zijn eige stadt, en huis, en wat persoon
Zijn zorgh bevolen blijft, te eere van Godt kroon.
Getrouwen, gaet dan heene, onsterffelijcke Goden,
Gehoorzaemt Lucifer, verknocht aen Godts geboden.
Bevordert ís hemels eer, in ít menschelijck geslacht,
Een ieder in zijn wijck, een ieder op zijn wacht.
Laet zommigen voor Godt de schael vol wieroock branden,
En brengen voor Godts troon der menschen offerhanden
En wenschen en gebeÍn, en zingen ís Godtheits lof,
Dat zich de galm verspreie in ít eeuwigh juichend hof.
Een ander draeyí gestarnte en ronde hemelklooten,
Of zettí den hemel op, of hou de lucht geslooten
Met wolcken, om den bergh te zegenene om laegh,
Men eenen zonneschijn, of versche regenvlaegh
Van manne en honighdau, daer Godt wort aengebeden
Door dí eerste onnozelheit, de burgery van Eden.
Wie door de lucht, en ít vier, en aerde, water(9) rent,
Die maetige op zijn pas een ieder element,
Naer Adams wensch, of leggí den blixemstrael aen banden,
Of breidele den storm, of breeckí de zee op stranden.
Een ander sla de treÍn des menschen gade op ít velt.
De Godtheit heeft zijn hair tot op een hair getelt.
Men draegh hem op de hant, dat hy zijn voet niet stoote.
Wort iemant, als gezant, gezonden van eení Groote
Aen Adam, ís aertrijcks Vorst, dat hy zijní last verrichtí.
Zoo luidt mijn last, waer aen de Godtheit u verplicht.

REY VAN ENGELEN.

ZANG:

Wie is het, die zoo hoogh gezeten
     Zoo diep in ít grondelooze licht,
Van tijt noch eeuwigheit gemeeten,
     Noch ronden(10), zonder tegenwight,
By zich bestaet, geen steun van buiten
     Ontleent, maer op zich zelven rust,
En in zijn wezen kan besluiten
     Wat om en in hem, onbewust
Van wancken, draeit, en wort gedreven
     Om ít een en eenigh middelpunt(11);
Der zonnen zon, de geest, het leven;
     De ziel van alles wat ghy kunt
BevroÍn, of nimmermeer bevroeden;
     Het hart, de bronaÍr, dí oceaan
En oirsprong van zoo veele goeden
     Als uit hem vloeien, en bestaen
By zijn genade, en alvermoogen,
     En wijsheit, die hun ít wezen schonck
Uit niet, eer dit in top voltoogen
     Palais, der heemlen hemel, blonck(12);
Daer wy met vleuglen dí oogen decken,
     Voor aller glansen Majesteit;
Terwylwe ís hemels lofgalm wecken,
     En vallen, uit eerbiedigheit,
Uit vreeze, in zwijm op ít aenzicht neder;
     Wie is het? Noemt, beschrijft ons hem,
Met eene Sarafijne veder.
     Of schort het aen begrijp en stem?

TEGENZANG.

Dat ís GODT. Oneindigh eeuwigh Wezen
     Van alle ding, dat wezen heeft!
Vergeef het ons; Ű noit volprezen
     Van al wat leeft, of niet en leeft,
Noit uitgesproken, noch te spreecken;
     Vergeef het ons, en schelt ons quijt,
Dat geen verbeelding, tong, noch teken
     U melden kan. Ghy waert, ghy zijt,
Ghy blijft de zelve. Alle Englekennis
     En uitspraeck, zwack en onbequaem,
Is maer ontheiliging en schennis:
     Want ieder draeght zijní eigen naem,
Behalve ghij. Wie kan u noemen
     By uwen Naem? Wie wort gewijt
Tot uw Orakel? Wie durf roemen?
     Ghy zijt alleen dan die ghy zijt,
U zelf bekent en niemant nader(13).
     U zulx te kennen, als ghy waert,
Der eeuwigheden glans en ader;
     Wien is dat licht geopenbaert?
Wien is de glansen glans verscheenen?
     Dat zien is noch een hooger heil
Dan wy van uw genade ontleenen(14);
     Dat overschrijt het perck en peil
Van ons vermogen. Wy verouden
     In onzen duur; ghy nimmermeer.
Uw wezen moet ons onderhouden.
     Verheft de Godheit: zingt haer eer.

TOEZANG

Heiligh, heiligh, nog eens heiligh,
     Driemael heiligh: eer zy Godt.
Buiten Godt is ít nergens veiligh.
     Heiligh is het hoogh gebodt.
Zijn geheimenis zy bondigh.(15)
     Men aenbidde zijn bevel.
Dat men overal verkondighí,
     Wat de trouwe GabriŽl
Ons met zijn bazuin quam leeren.
Laet ons Godt in Adam eeren.
     Al wat Godt behaeght, is wel.


Voetnoten:

(1) Om dit treurspel goed te verstaan, houde men in het oog, dat Vondel het zonnestelsel van Ptolemaeus volgt: Het heelal bestaat uit een aantal concentrische kringen, kreitsen of sferen. Het onbeweeglijke middelpunt is de aarde; daaromheen wentelen de zeven sferen der planeten. De achtste sfeer is die der vaste sterren, het firmament. De negende is de kristallijnen, het primum mobile, waarvan alle beweegkracht uitgaat. Rondom deze laatste bevindt zich het onbeweeglijke Empyreum, het Ąhemelsch paradijsĒ, Ąder Heemlen HemelĒ, het verblijf der Engelen, de plaats waar de Lucifer speelt.

(2) Als ik ÖÖafgleed en bleef hangen op mijn pennen.

(3) Wiens wordt soms gebruikt voor:wier.

(4) Berghleeuw, lantstier. Bergh en lant in deze samenstellingen teekenen de wildheid der dieren, die, ver van de woonsteden der menschen, door bosschen en vlakten zwerven.

(5) Apollion wil zeggen: zoo ik, mij van mijn las ontslagen achtende daar was gebleven, dan had ik ons hemelrijk, enzÖÖ

(6) De menschen worden dubbele (samengestelde) Engelen genoemd, in tegenstelling met de eigenlijke Engelen, die enkelvoudige wezens (zuivere geesten) zijn. Engelen worden zij genoemd, omdat ze (volgens Apollion) naar lichaam en ziel de Engelen in schoonheid evenaren, ja overtreffen.

(7) Het bewonderenswaardig en heerlijk heelal.

(8) Zorg dragen, om Hem te aanbidden.

(9) Lucht, vuur, aarde en water, de vier klassieke elementen.

(10) God is niet meetbaar door den tijd (want deze heeft begin en einde), noch door de eeuwigheid (een voortbestaan wel begonnen, maar niet eindigend, zooals het bestaan is der Engelen en van onze onsterfelijke ziel. Bij God is noch begin, noch einde. Zelfs als men ĄeeuwigheitĒ opvat als de eeuwigheid Gods, dan nog is God niet meetbaar door de eeuwigheid, wijl iets niet gemeten kan worden door zich zelve), noch door ronden (d.i. kringen in de ruimte. Gods tegenwoordigheid is niet beperkt tot de werkelijk bestaande, maar kan zich ook uitbreiden over alle denkbare ruimte). Anderen verklaren: God is niet te meten door den tijd en ook niet door de ronden der eeuwigheid (door den kring der eeuwigheid).

(11) God is het middelpunt van al het geschapene.

(12) Vondel stelt de schepping der Engelen en van hun palais op den vierden dag, maar vůůr de hemellichaemen.

(13) Nader: buitendien. Gij, o God, zijt aan niemand volkomen bekend behalve aan U zelven.

(14) De Engelen, in hun proeftijd, aanschouwden God niet van aanschijn tot aanschijn.

(15) Zijn ondoorgrondelijk raadsbesluit zij bindend. Anderen verklaren: Hoewel Zijn raadsbesluit bondig (d.i. beknopt, onverklaarbaar) is, behoort men het toch te aanbidden, eerbiedig op te volgen.


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001