Joost van den Vondel (1587-1679)

LUCIFER

HET TWEEDE BEDRYF.

LUCIFER. BELZEBUB.

LUCIFER.

Ghy, snelle Geesten, houdt nu stant met onzen wagen:
Al hoogh genoegh in top Godts Morgenstar gedragen;
Al hoogh genoegh gevoert: ít is tijt, dat Lucifer
Nu duicke, voor de komst van deze dubble star,
Die van beneden rijst, en zoeckt den weg naer boven,
Om met eení aertschen glans den hemel te verdooven.
Borduurt geen kroonen meet in Lucifers gewaet;
Vergult zijn voorhooft niet met eenen dageraet
Van morgenstarre en strael, waer voor dí Aertsenglen nijgen;
Een andre klaerheit komt in ít licht der Godtheit stijgen,
En schijnt ons glansen doot; gelijck de zon by daegh
De starren dooft, voor ít oogh der schepselen, om laegh.
ít Is nacht met Engelen en alle hemelzonnen:
De menschen hebben ít hart des Oppersten gewonnen,
In ít nieuwe Paradijs: de mensch is ís hemels vrient:
Ons slaverny gaet in. Gaet heene, viert en dient
En eert dit nieuw geslacht, als onderdane knapen:
De menschen zijn om Godt, en wy om hen geschapen.
ít Is tijt, dat ís Engels neck hun voeten onderschraeghí,
Dat ieder op hun passe, en op de handen draeghí,
Of op de vleugels voere, in dí allerhooghste troonen:
Onze erfenis komt hun, als uitverkore zoonen.
Ons eerstgeboorte leit nu achter, in dit Rijck.
De zoon des zesten daghs, den Vader zoo gelijck
Geschapen, strijckt de kroon. Met recht is hem gegeven
De groote staf, waer voor alle eerstgeboornen beven
En sidderen. Hier gelt geen tegenspraeck: ghy hoort
Wat GabriŽl bazuint voor ís hemels goude poort.

BELZEBUB.

O Stedehouder van Godts opperheerschappyen,
Wy hooren ít al te wel, en, midden in ít verblyen
Der Reien, eenen klanck, die ít eeuwigh feest bedroeft.
De last van GabriŽl leit klaer: dat woort behoeft
Geen Cherubijnetong, om ons den zin tí ontvouwen.
Men hoefde Apollion naer dí onderste landouwen
Niet af te vaerdigen, om nader ga te slaen
Wat Adam al bezit, zoo laegh beneÍn de maen:
Het blijckt, hoe heerlijck hem de Godheit begenadight,
Oock door een lijfwacht van veel duizenden verdadight,
En hanthaeft in zijní staet en aenzien, min noch meer
Of hy gehuldight waer tot aller Geesten Heer.
De poort des hemels staet voor Adams afkomst open.
Een aerdtworm, uit eení klomp van aerde en klay gekroopen,
Braveert uw mogentheit. Ghy zult het Menschdom zien
Zoo verre boven u, en, vallende op uw knien,
Met nederslachtigheit en neÍrgeslagene oogen,
Aenbidden zijne maght, en hoogheit, en vermogen.
Het zal, verheerelijckt van dí allerhooghste maght,
Zich zetten aen de zy der Godtheit, in zijn kracht,
En heerschen, langer en noch wijder dan de ronden
Der entlooze eeuwigheit, aen tijt noch plaets gebonden,
Om Godt, haer middelpunt en omloop, te gelijck
Zich draeien, zonder rust. Wat hoeft men klaerder blijck,
Dat Godt de menschen wil verheffen, ons verneÍren?
Wy zijn ter dienstbaerheit, de menschen tot regeeren
Geboren. Legh voortaen den scepter uit der hant:
Een laeger is íer, die de kroon daer boven spant,
Of spannen zal eer lang. Legh af uw morgenstraelen
En hulser voor dees zon, of pas haer in te haelen
Met zangen, en triomph, en goddelijck cieraet.
Wy zien den hemel haest veranderen van staet.
De starren zien vast uit, en wijcken met verlangen,
Om met eerbiedigheit dit nieuw licht tí ontfangen.

LUCIFER.

Dit zal ick leeren, is het anders in mijn maght.

BELZEBUB.

Daer hoor ick Lucifer, en zie hem, die den nacht
Van ís hemels aengezicht verdrijven kan en jaegen.
Waer hy verschijnt, begint het heerlijck op te daegen.
Zijn wassend licht, het eerste en allernaeste aen Godt,
Vermindert nimmermeer. Zijn woort is ít hoogh gebodt;
Zijn wil en wenck een wet, van niemant tí overeden.
De Godtheidt wordt in hem gedient, en aengebeden,
Bewieroockt, en geviert: en zoy een laeger stem
Nu dondren uit Godts troon? gebieden boven hem?
Zou Godt eení jonger zoon, geteelt uit Adams lenden,
Verheffen boven hem? Dat waer het erfrecht schenden
Van ít alleroutste kint, en zijn stadthoudery
Ontluisteren. Naest Godt is niemant groot als ghy.
De Godtheit zette u eens in glorie aen haer voeten:
Geen mensch verstoute zich zich onze orden om te wroeten,
En dit bezworen recht tí ontwyden, zonder reÍn,
Of al de hemel raeckt in ít harnas tegens een.

LUCIFER.

Ghy vat het recht: het past rechtschape heerschappyen
Geensins, haer wettigheit zoo los te laten;
Want dí oppermaght is dí eerste aen haere wet verplicht;
Verandren voeght haer minst. Ben ick een zoon van ít licht,
Een heerscher over ít licht, ick zal mijn recht bewaeren:
Ick zwicht voor geen gewelt, noch aertsgeweldenaeren.
Laet zwichten al wat wil: ick wijck niet eenen voet.
Hier is mijn Vaderlant. Noch ramp, noch tegenspoet,
Noch vloecken zullen ons vervaeren, noch betoomen:
Wij zullen sneven, of dien hoeck te boven komen.
Is ít noodlot, dat ick vallí, van eere en staet berooft,
Laet vallen, als ick vallí, met deze kroone op ít hooft,
Dien scepter in de vuist, dien eersleip van vertrouden,
En zoo veel duizenden als onze zyde houden.
Dat valle streckt tot eer, en onverwelckbren lof:
En liever dí eerste Vorst in eenigh laeger hof,
Dan in ít gezalight licht de tweede, of noch een minder
Zoo troost ick my de kans, en vrees nu leet noch hinder.
Maer hier kont ís hemels tolck en wackere Herout,
Met Godts geheimnisboeck, zijn zorge toebetrout.
Het waer niet ongeraÍn hem nader tí ondervragen.
Ick wil hem tegentreÍn, en aftreÍn van den wagen.

GABRIňL. LUCIFER.

GABRIňL.

Heer Stedehouder, hoe? Waer heene leit de reis?

LUCIFER.

Naer u, Herout en tolck van ít hemelsch palais.

GABRIňL.

My dunckt, ick zoude uw wit aen ít voorhooft kunnen gissen.

LUCIFER.

Ghy, die den duistren gront van Godts geheimnissen
Door ít licht van uw vernuft ontdeckt en openbaert,
Verlichte met uw komst.

GABRIňL.

                                        Wat is ít, dat u bezwaert?

LUCIFER.

Het raetslot en besluit der Godtheit, die de waerde
Des hemels laeger schat dan ít element der aerde,
Den hemel onderdruckt, het aertrijck uit eení poel
Door alle starren voert, het menschdom op den stoel
Der Englen zet, berooft hun ít recht der eerste gaven,
Gebietze om ís menschen nut te zweeten en te slaven.
Het Geestendom, gewijt tot amptenaers van ít hof
Des hemels, zal voortaen eení aertworm, uit het stof
Gekroopen en gegroeit, ten dienst staen, op hem passen,
En, in getal en staet, ons over ít hooft zien wassen?
Waer toe vernedert ons dí oneindige Gena
Zoo vroegh? Wat Engel paste op zijnen dienst te spa?
En hoe waerít mooghlijck, dat de Godtheidt zich zou menghelen
Met menschen? de natuur der uitgekorene Engelen
Voorbyslaen, en zijní aert en wezen storten in
Een lichaem? dí eeuwigheit verknoopen aen het begin?
Het hooghste aen ít allerlaeghst? den Schepper aen ít geschapen?
Wie kan uit dit besluit den zin te zamen rapen?
Zal ít eeuwighschijnend licht nu schuil gaen in den nacht
Der weerelt? Zullen wy, Stadthouders van Godts maght,
Voor dit geleent gezagh, een wulpsch vermogen, knielen?
Ontelbre lichaemlooze en godtgelijcke zielen
Zien buigen voor een grof en zakkende element,
Daet Godt zijn majesteit en wezen inneprent?
Wy Geesten zijn te grof om dit geheim te vatten.
Ghy, die het slot bewaert van Godts geheimnisschatten,
Ontvou ons, magh het zijn, dit donckere geschil,
Uit uw gezegelt boeck: ontvou ons ís hemels wil.

GABRIňL.

Zoo veel ít geoorloft zy te melden uit Godts bladen.
Veel weten kan altijt niet vordren, zomtijts schaden.
De Hooghste ontdeckt ons slechts wat hy geraden vint.
Het al te stercke licht schijnt Serafijnen blint.
De zuivre Wijsheit wou ten deelí haerí wil bezegelen,
Ten deele ontsluiten. Zich te schicken en te regelen
Naer heur gestelde wet, dat voeght den onderzaet,
Dien aen zijn meesters last en wil gebonden staet.
De reden en het wit, waerom wy namaeks wachten,
Na íet overleven van een tafel erfgeslachten,
Den Heer, die , Godt en mensch geworden in der tijt,
Den scepter voeren zal, en breet en overwijt
De starren, aerde, en zee, en al wat leeft regeeren,
Verberght de hemel u: de tijt wil dí oirzaeck leeren.
Gehoorzaemt Godts bazuin: ghy hebt zijní wil gehoort.

LUCIFER.

Zoo zal een vreemdeling, een worm, het hooghste woort
Hier boven voeren, en een ingeboren zwichten
Voor vreemde heerschappy? de mensch eení zetel stichten,
Zoo verre boven Godt?

GABRIňL.

                                     Genoegh u met uw lot
En staet en waerdigheit, u toegeleit van Godt.
Hy hief u in den top van alle Hierarchijen:
Doch niet om iemants glans en opgang te benijen.
De wederspanningheit verplet haer hooft en kroon,
Indienze wederstreef des Oppersten geboŰn.
Uw aenzien schept zijn licht alleen uit Godts vermogen.

LUCIFER.

Ick heb tot noch mijn kroon voor Godt alleen gebogen.

GABRIňL.

Zoo buighze oock voor ít besluit der Godtheit, die het al,
Wat wezen heeft uit niet, of namaels wezen zal,
Bestiert tot zeker eindt, hoewel wy ít niet beseffen.

LUCIFER.

Den mensch in ít heiligh licht der Godtheit te verheffen,
Den mensch, zoo hoogh met Godt vergodlijckt in zijn troon,
Te zien het wieroockvat toezwaeien, op den toon
Van duizentduizenden eenstemmige kooraelen,
Verdooft de majesteit en diamante straelen
Van onze morgenstar, die straelt nu langer niet;
En ís hemels blijschap slaet aen ít quijnen van verdriet.

GABRIňL.

De zaligheit bestaet in een gerust genoegen,
In ít stemmen met Godts wil, en zicht naer Hem te voegen.

LUCIFER.

De majesteit van Godt en Godtheit wort verkleent,
Indienze haer natuur met ís menschen bloet vereent,
Vereenight, en verbint. Wy Geesten grenzen nader
Aen Godt en zijn natuur, als zoons van eenen Vader
Geteelt, en hem gelijck, indien ít geoorloft is
Te stellen tegens een deze ongelijckenis
Van een oneindigheit en ít eindigh, de bepaelde
By dí onbepaelde maght. Indien de zon verdwaelde
Uit haere streecke, en zich bekleede met eení smoock,
Om al den aerdtkloot toe te lichten, uit een roock
En zwarten damp, hoe zou de vreught der weerelt sterven!
Wat zou het aertsch geslacht al glans en leven derven!
De zon al majesteits ontbeeren in haerí loop!
Ick zaegh den hemel blint, de starren overhoop,
Wanorden orden en geschicktheit overrompelen,
Indien de bron van ít licht haer klaerheit quam te dompelen
In ít graf van een moerasch. Verschoonme, Ű GabriŽl,
Indien ick uw bazuin, de wet van ít hoogh bevel,
Een luttel wederstreve, of schijn te wederstreven.
Wy yvren voor Godts eere: om Godt zijn Recht te geven,
Verstout ick my, en dwael dus verre buiten ít spoor
Van mijn gehoorzaemheit.

GABRIňL.

                                            Ghy yvert krachtigh voor
De glori van Godts naem; doch zonder tí overwegen,
Dat Godt het punt, waer in zijn hoogheit is gelegen,
Veel beter kent dan wy; dies staeck uw onderzoeck.
De menschgeworden Godt zal dit geheimnisboeck,
Met zeven zegelen geslooten, zelf ontsluiten.
Nu smaecktge niet het pit, maer ziet de schors van buiten.
Dan zal men dí oirzaeck zien, de reden, den waerom
Van zijn verholentheÍn, en diep in ít heilighdom
Der heilighdommen gaen. Nu voeght het ons te duicken,
En dezen dageraet tí aenbidden, te gebruicken
Met danckbaerheit, tot dat de kennis in haer kracht
De twijfeling verdrijf, gelijck de zon den nacht.
Nu leeren wy allengs Godts wijsheit tegenstappen,
Eerbiedigh en beschroomt. Zy openbaert by trappen
Het licht de wetenschappe en kennissen, en begeert,
Dat ieder, op zijn wacht, zich onder haer verneÍrt.
Heer Stedehouder, rust en hanthaef dí eerste ons wetten.
Ick ga, dat daer Godt my zent.

LUCIFER.

                                                Men zal íer scherp op letten

BELZEBUB. LUCIFER.

BELZEBUB.

De Stedehouder hoort, waer dit plakkaet(1) op draeit,
Dat GabriŽls bazuin zoo trots heeft uitgekraeit.
Hy gaf Godts ooghmerck u, oock scherp genoegh, te ruicken.
Men zal uw mogentheit aldus de vleugels fnuicken.

LUCIFER.

Zoo licht niet: neen gewis, men kan íer in voorzien.
Geen minder(2) droome hier zijn meerder(3) te gebiÍn.

BELZEBUB.

Hy dreight weÍrspannigheit haer hooft en kroon te pletten.

LUCIFER.

Nu zweer ick by mijn kroon, het al op een te zetten,
Te heffen mijnen stoel in aller heemlen trans,
Door alle kreitsen heene en starrelichten glans.
Der heemlen hemel zal my een palais verstrecken,
De regenboogh een troon; ít gestarrente bedecken
Mijn zaelen; dí aertkloot blijft mijn steun en voetschabel.
Ick wil op een karos van wolcken, hoogh en snel
Gevoert door lucht en licht, met blixemstrael en donder,
Verbruizelen tot stof, wat boven of van onder
Zich tegens ons verzet, al waer ít den Veltheer(4) zelf;
Ja eerwe zwichten, zal dit hemelschblaeu gewelf,
Zoo trots, zoo vast gebout, met zijn doorluchte boogen
Te barsten springen, en verstuiven voor onze oogen,
ít Gebraeckt aertrijck zien als een wanschapen romp,
Dit wonderlijck Heelal in zijnen mengelklomp,
En wilde woestheit weÍr verwarren en verkeeren.
Laet zien, wie Lucifer durf trotsen en braveeren.
Men daege Apollion.

BELZEBUB.

                                  Hier treet hy voor den dagh.

APOLLION. LUCIFER. BELZEBUB.

APOLLION.

O Stedehouder van Godts onbepaelt gezagh,
Orakel in den Raet der onderdaene Goden,
Ick offer u mijní dienst, en wacht op uw geboden.
Wat eischt de majesteit van haren onderdaen?

LUCIFER.

Het lust ons, uwen zin en inzien te verstaen,
Op een gewichtigh stuck, dat zalme niet mislucken.
Het wit is, MichaŽl de slaghveÍr uit te rucken,
Op dat ons toelegh niet op zijn vermoogen stuití.
Hy voert met zijnen arm zoo veele Orakels uit,
Als oit de Godheit heeft met haere hant gedreven
In eeuwigh diamant: daer wort de mensch geheven
In top der hemelen, door alle kreitsen heen,
En ziet het Engelsdom zoo diep, zoo laegh, beneÍn
Zijn voettapijt, in stof vast grimmelen, als wormen.
Het lustme met gewelt dien zetel te bestormen,
En op te zetten by dat opzet, in ťťní slagh,
Als teffens wat mij staet, en star, en kroon vermagh.

APOLLION.

Een loffelijck bestaen: dat uwe kroon vermeere
En aen wasse op dien voet. Ick reken my tot eere
Te raden, onder u, tot zulck een brave daet.
Het zy die recht en wel, of averechts, beslaet,
De wil is prysselijck, al wou het niet gedyen.
Maer om niet reuckeloos noch radeloos te stryen,
Hoe treet men allerbest tot zulck een stout bestaen?
Hoe veilighst tegens ít punt van ít raetslot aengegaen?

LUCIFER.

Men kante hier met list ons eigen raetslot tegen.

APOLLION.

Dat zeggen heeft wat in: geleende maght te weegen
In eene zelve schael met dí Almaght! haer gewight
Weeght over. Wacht uw kroon: wy vallen veel te licht.

BELZEBUB.

Zoo licht niet, of de kans zal eerst in twijfel hangen.

APOLLION.

Van wien. of hoe, of waer dien aenslagh aengevangen?
Het overpeinzen quetst alree Godts majesteit.

LUCIFER.

Men hou haer ongequetst, en stappe met beleit
Die steile steilten op, en moit gebaende rotsen.
Beleit en moedt verwint, en durf gevaeren trotsen.

APOLLION.

Geene Almaght, noch haer kroon: men koomze niet te na,
Ten zy men leeren wil met naberou te spa.
De minder moet gedwee voor zijnen meerder wijcken.

LUCIFER.

Laet dí Almaght rusten: zet gelijckheit en gelijcken
Te zamen. Laet eens zien, wiens wapen zwaerder weeghí.
Ick zie ons vyanden gevlught, den hemel leegh
Met eenen slingerslagh; ons heiren overladen
Van heerlijcken roof: dan wyder zich beraden.

APOLLION.

Ghy weet, wat MichaŽl, Godts Veltheer, al vermagh:
Godts regementen staen verplicht aen zijn gezagh.
Hy draeght den sleutel van het wapenhuis, hier boven.
De wacht is hem betrout. Hy houdt op alle hoven
Getrou een waeckende oogh, zoo dat íer niet een star
Van al het hemelsch heir, in ít minst, zich reppen dar,
Noch op dien hemltoght uit zijn gelit verroeren.
Men vanght haest aen; maer zulck een oorlogh uit te voeren,
Dat draeft ons maght voorby, en sleipt eení langen staert
Van zwaricheden na. Wat tuigh, wat stormgevaert
Kan tegens hem bestaen, en dí opperbenden sloopen?
Al zette ís hemels slot zijn diamantpoort open,
Het vreesde list, noch laegh, noch overrompeling.

BELZEBUB.

Indien men ons besluit bekrachtighí met de kling,
Ick zie de morgenstar op onzen hoogen standert
Braveeren, ís hemels staet een heerschappy verandert.

APOLLION.

De Veltheer MichaŽl voert, ruim zoo trots en fier,
Godts wonderlijcken Naem in ít velt van zijn banier,
De zon in top.

LUCIFER.

                        Wat baet een naem met licht geschreven?
Een heldenstuck, als dit, wort geensins doorgedreven
Met tittelen, en pracht, maer dapperheit, en moedt,
En treken , van vernuft(5) en loosheit uitgebroet.
Ghy zijt een meester, tuck om Geesten in te luien(6),
Te rijgen aen uw snoer, te leiden, op te ruien.
Ghy kunt bederven zelfs de vroomsten(7) van de wacht;
En leeren weifelen wat noit op weiflen dacht.
Begin, wy zien Godts heir gereeten aen twee deelen;
De hoofden en de leÍn aen ít muiten en krackeelen,
De meeste maght alree geblintdoeckt en verdooft,
En oversten en elck vast roepen om een hooft.
Indienghe een vierde deel op onze zy kunt troonen,
Men zal uw kloeck beleit met eere en ampten kroonen.
Ga hene, en overlegh dit stuck met Belial:
Het moet íer duister zijn, daer hy verdoolen zal.
Zijn troni, gladt vernist van veinzen en bedriegen,
In ít mommen niemant kent, die haer voorby kan vliegen.
Ick stijgh te wagen: legh het over met u twee.
De Hofraet is vergaert, en wacht ons komst alree.
Men zal, zoo dra ghy komt, uw beide binnen roepen.
Heer Overste bewaeck de hofpoort met uw troepen.

BELIAL. APOLLION.

BELIAL.

Godts Stedehouder dient zich van ons beide om hoogh.

APOLLION.

Wy vliegen te gelijck, als pijlen van zijn boogh.

BELIAL.

En doelen op een wit, doch hachelijk te raecken.

APOLLION.

Sta vast, de hemel wil van dezen aenslagh kraecken.

BELIAL.

Laet kraecken al wat wil: het moet íer nu op staen.

APOLLION.

Hoe grijpen wy dit stuck met kans en voordeel aen?

BELIAL.

De wapens dienen ons: men moet van ít heir beginnen.

APOLLION.

De hoofden eerst, met een de stoutsten zien te winnen.

BELIAL.

Door iet wat glimpelijx, en met eení schijn verbloemt.

APOLLION.

Zoo geef het dan eení naem: laet hooren hoe ghy ít noemt.

BELIAL.

Men hanthaef ít Engelsdom, zijn hantvest, eer, en staeten,
En kieze een hooft, waer op zich ieder magh verlaeten.

APOLLION.

Dat hebtge recht gevat: ick wensch geen schooner stof,
Noch zaet tot muitery, om burgery en hof
Te schennen tegens een, en schaeren tegens schaeren:
Want ieder is gezint zijní staet en eer te waeren,
En wettigheit, waer toe dí Almogentheit hem riep,
Eer zy de menschen vormde, en zoo veel spader schiep.
Het hemelsch palais is ons tot erf gegeven.
Den geesten, die dus hoogh op hunne vleugels zweven,
En, vry van lichaemen, niet zacken naer om laegh,
Past beter dit gewest dan ít aertsch geslacht, te traegh
Om tegens zijn natuur te kiezen deze boogen.
Hier valt de dagh te sterck, te krachtigh, en hunne oogen
Verdraegen geensins ít licht, ons vroeger aengewent.
De mensch bewaere dan zijn eigen element,
Als andre dieren: hy genoeghí zich met de paelen
Van zijnen rijcken hof. Het rijzen en het dalen
Van zon en maen verdeelí de maenden en het jaer.
Hy neemí den ronden loop der heldre starren waer.
Hy nuttige zijn ooft, en al den geur der kruiden,
En keerí zich oost, en west, ten noorden, en ten zuiden.
Dat zy zijn tijtverdrijf: en wat behoeft hy meer?
Wy kennen nimmer hier eení aertschen opperheer.
Zoo sluit ick. Kuntghe, help dien zin beknopter uiten.

BELIAL.

Den mensch in eeuwigheit ten hemel uit te sluiten.

APOLLION.

Dat klinckt alle Engelen te wonder wel in ít oor.
Dat vlieght, gelijck een vier, van ít een in ít ander koor,
Door negen Ordens heene, en alle Hierarchijen.

BELIAL.

Zoo zal men allerbest versufte traegheit mijen.
Ons heil en uitkomst hangt aen snelheit en aen spoet.

APOLLION.

Niet min aen kloeck beleit, en dapperheit, en moedt.

BELIAL.

Die zal, door toeval van ontelbre vaenen, groejen.

APOLLION.

Zy morren vast; men moet hier heimlijck onder roejen,
Zich mengen in dien hoop, en voeden hun beklagh.

BELIAL.

Dan diende Belzebub, een Vorst van groot gezagh,
Zijn wapen(9) aen hun klaght en wettigheit te hangen.

APOLLION.

Niet plotsling, maer allengs, en als door zijdegangen.

BELIAL.

De Stedehouder met zijn tegenwoordigheit
Die zelf de stercke hant aen zulck een trots beleit.

APOLLION.

Wy zullen in den Raet zijní zin en voorstel hooren:
Hy veinze voor een poos, en geve in ít endt de spooren
Aen ít opgeruide heir, verlegen om een hooft.

BELIAL.

Aen ít hooft hangt al de zaeck. Hoe veel ghy hen belooft,
Zy zullen zonder hooft dien optoght niet beginnen.

APOLLION.

Wat ree gewonnen is, behoeft men niet te winnen.
Wie meest gequest wort in zijn heerlijckheit en staet,
Dien gelt het eerst; die stappí vooraen, en sla de maet
In zoo veel duizenden.

BELIAL.

                                     De billijckheidt en reden
Vereeren hem dees kroon: doch eerwe dieper treden,
Zoo laet ons al ít gevaer eerst weegen, niets bestaen,
Of al de Hofraet steeckí hier zelf zijn zegel aen.

REY VAN ENGELEN.

ZANG:

Hoe zien de hoffelijcke gevels
    Zoo root? Hoe straelt het heiligh licht
    Zoo root op ons gezicht,
Door wolcken en bedroefde nevels?
    Wat damp, wat mist betreckt
    Dat zuiver, noit bevleckt,
    En louter saffier?
    Die vlam, dien glans, dat vier
Van ít heldere Alvermogen?
    Hoe schijnt ons nu de diepe gloet
    Der Godtheit toe, zoo zwart als bloet?
Die flus zoo klaer alle oogen
    Verheughde? Wie begrijpt, wie kent
Deze oirzaeck, onder dí Engelsdommen,
    Die, boven Adams element,
Noch flus op galm van keelen zwommen,
    Op lucht van Geesten, in de glans,
    Die galery, en tin, en trans,
Gewelf van koor en hof vergulde,
En met een ziel van vreught vervulde
    Al wat hier boven leeft en zweeft?
    Wie is íer, die ons reden geeft?

TEGENZANG:

Toen wy, op GabriŽls bazuinen,
    Ontvoncken, en een nieuwe wijs
    Aenhieven, Godt ten prijs;
De roozegaerden(10) en de tuinen
    Van ít hemelsch paradijs,
    Door zulck eení dau en spijs
    Van lof en zang verblijt,
    Ontloocken, scheen de Nijt
Van onder in te sluipen.
    Een groot getal der Geesten stom,
    En bleeck, en dootsch, ging, drom by drom,
Misnoegend heenedruipen.
    De winckbraeu hing verslenst op ít oogh.
Het gladde voorhooft zette een rimpel.
    De hemelduiven, hier om hoogh,
    Onnozel eerst, oprecht, en simpel,
    Aen ít zuchten sloegen, zoo het scheen;
    Als of de hemel te kleen
Voor haer, toen Adam wiert verkoren,
En zulck een kroon den mensch beschoren.
    Dees smet ontstelt het oogh van ít Licht.
    Zí ontsteeckt die vlam in Godts gezicht.

Wy willen ons uit liefde in ít midden van hun mengen,
En deze oploopentheit weÍr tot bedaeren brengen.


Voetnoten:

(1)Belzebub wil Lucifer opzetten tegen GabriŽl, die (volgens hem) zoo trotsch en triomfantelijk het bevel van God heeft afgekondigd.

(2) GabriŽl.

(3) Lucifer.

(4) MichaŽl.

(5) Door vernuft.

(6) Bedreven in het verleiden van geesten.

(7) Gij kunt zelfs de rechtschapenste, de trouwsten afvallig maken.

(8) Indien men dit doorzet, dan zal de hemel, enz.

(10) Zegel met zijn wapen.


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001