Joost van den Vondel (1587-1679)

LUCIFER

HET DERDE BEDRYF.

LUCIFERISTEN. REY.

LUCIFERISTEN.

Hoe kan men in zijn waen zoo vroegh bedrogen worden!
Hoe is ít alree verkeert! Wy schatten niemants Orden
Geluckiger dan dí onze, in dit opgaende Rijck,
Ja, achtten onzen Staet den Oppersten gelijck,
En onveranderlijck, en boven ít aertsch gezegent;
Wanneer ons GabriŽl met Godts bazuin bejegent,
En uit de goude poort verbaest met dit gebodt,
Het welck al ít Engelsdom versteeckt van ít hooghste lot,
Hun uit den vollen schoot der Godtheit eerst geschoncken.
Daer leggen wy te laegh, en zien de schoone voncken
En straelen van onze eere en heerlijckheit geblust,
De gantsche Hierarchy de hemels ongerust,
Den mensch, in top van Staet en maght, zoo trot verheeven,
Dat wy, als slaven voor zijn heerschappye beven.
O onverwachte slagh en staetverwisseling!
Och treurgenooten, zet u hier in eenen ring
In ít ronde: zet u hier te zamen: helpt ons treuren
En zuchten: het is tijt ons feestgewaet te scheuren,
Te klaghen: niemant kan ten minste ons dit verbiÍn.
De blyschap smilt, en zal nu dí eerste droefheit zien.
Helaes, helaes, helaes, gebroeders, hemelreien,
Leght af uw hooftcieraet: verandert uw lievereien
En vrolijckheit in rou: slaet neÍr uw aengezicht
Zoeckt schaduwen, als wy. De droefheit schuwt het licht.
Een ieder volge ons stem en bange jammerklaghten.
Verdrinckt in jammer: zinckt in droevige gedachten.
Het klaegen helpt, en zet de droefheit oock van ít hart.
Nu schept in kermen lust: het kermen heelt de smart.
Nu roept uit ťťnen mont, en volleght ons misbaeren:
Helaes, helaes, helaes, waer is ons heil gevaeren!

REY.

Wat weeklaght hoort men hier? Onaengenaemen toon!
De hemel yst hier af. Dees lucht is niet gewoon
Te hooren een muzijck van druck op nooten galmen
Door ít juichende gewelf. Triomfen, kransen, palmen,
En harpen passen ons, en snaeren. Wat wil dit?
Wie of hier hangends hooft in een gekrompen zit,
Verlaeten, en bedruckt, en zonder noot beladen?
Wie geeft hen treurens stof? Wie kan deze oirzaeck raden?
Mijn Reigenooten, volght: ít is noodigh dat men vraeghí
Naer dí oirzaeck van hun leet, en deze donckre vlaegh
Van droefheit, die den glans van onze pracht ontluistert,
Het licht van ít eeuwigh feest benevelt en verduistert.
De hemel is een hof van weelde en vreught en vree.
Hier nestelt aen dit dack noch rou, noch hartewee.
Mijn Reigenooten, volght, en troostze in hun bezwaeren!

LUCIFERISTEN.

Helaes, helaes, helaes, waer is ons heil gevaeren!

REY.

Genooten van ons heil en blyschap, broeders, hoe?
O zoons van ít vrolijck licht, hoe dus bedroeft te moe?
Wie geeft u stof aldus te jammeren, te treuren?
Ghy had begonnen ít hooft ten hemel op te beuren,
Te bloeien in den dagh, die neÍrstraelt van Godts glans.
De hemel broght u voort, om vlugh, van trans in trans,
Van ít een in ít ander hof, te steigeren, te zweven,
In ít onbeschaduwt licht, vernoeght, verzaet te leven,
Op een geduurigh feest, te smaecken ít hemelsch manní
Van Godts onsterflijckheit, in een gerust gespan
Van feestgenooten. Hoe? Dit voeght geen burgeryen
Van Englestadt, Ű neen: dit voeght geen Heerschappyen,
Geen Maghten, Troonen, noch geen heerschend Hemelsdom!
Ghy kropt uw droefheit in, en zit versuft en stom.
Laet hooren wat u deert: ontdeckt het uw gespeelen.
Ontdeckt uw hartquetsuur, dat wy die mogen heelen.

LUCIFERISTEN.

Och broeders, vraeghtghe noch met errenst wat ons let?
Ghy hoort, zoo wel als wy, wat GabriŽl trompet:
Hoe wy, door ít nieuw bevel, van onzen staet vervielen
In eene slaverny der aerde en zoo veel zielen
Als uit een luttel bloets en zaets te spruiten staen.
Wat is by ons alree mishandelt of misdaen,
Dat Godt een waterbel, vol wint en lucht geblazen,
Verheft om dí Engelen, zijn zoonen, te verbazen?
Een basterdy verheft, gevormt uit klay en stof?
Wy waren pas gewijt tot pylers van zijn hof,
Bekleeden onzen plicht, als trouwe rijxgenooten,
En worden op eení sprong gebannen, en gestooten
Uit deze waerdigheit, verdruckt te streng en straf;
De handvest en het Recht, dat ons de Godtheit gaf,
Wort ingetrocken, en, in stede van regeeren
Met Godt en onder Godt, zal Adam triomferen
En heerschen, in zijn bloet en afkomst, onbepaelt.
De Zon de Geesten is te plotseling gedaelt.
Och, lotgenooten, Volght ons droefheit en misbaeren:
Helaes, helaes, helaes, waer is ons heil gevaeren!

REY.

Ontsteltghe u om den last van Godt en GabriŽl?
Dit schijnt een razerny. Wie durf het hoogh bevel
Berispen? Wie verwaent de Godtheit wederstreven?
Wy zijn gehouden Godt zijn Recht en eer te geven,
Te rusten in zijn wet. Wie treet hier in geschil
Met Godts almogentheit? Zijn wenck en woort en wil
Verstrecke ons eene wet en maet en vaste regel.
Wie tegenspreeckt, die breeckt des Alderhooghsten zegel.
Gehoorzaemheit behaeght den Heerscher in dit Rijck
Veel meer dan wieroockgeur en goddelijck muzijck.
Ghy zijt [och weest zoo trots en hoogh niet in uw wapen,]
Tot onderdaenigheit, tot heerschen min, geschapen.
Och, medebroeders, staeckt dit kermen en geklagh,
En buight u onder ít juck van ít eenigh hooftgezagh.

LUCIFERISTEN.

Zeght liever, onder ít juck van grimmelende mieren.

REY.

Wanneer het hem behaeghí, moet ghy u laeten stieren.

LUCIFERISTEN.

Wat hebben wy verbeurt? Geeft reden en bescheit.

REY.

Verbeurt? Ghy quetst Godts kroon door ongeduldigheit?

LUCIFERISTEN.

Wy klaegen van verdriet en enckel ongenoegen.

REY.

In stÍ van uwen wil gerust naer Godt te voegen.

LUCIFERISTEN.

Wy steunen op het Recht, ons wettigh toegestaen.

REY.

Uw Recht en hantvest blijfí de Godtheit onderdaen.

LUCIFERISTEN.

Hoe kan de meerder voor een minder zich verneÍren?

REY.

Dei zich gelaeten stelt.(1) Godt dienen is regeeren.

LUCIFERISTEN.

Gewilligh, zoo de mensch regeere daer beneÍn.

REY.

De mensch leeft met zijn lot vernoeght, al is het kleen.

LUCIFERISTEN.

Den mensch is boven dat een hooger lot beschoren.

REY.

Na menige eeuwen wort zijn opgang eerst geboren.

LUCIFERISTEN.

Een eeuw beneden is om hoogh een oogenblick.

REY.

Het ga zoo ít wil, zoo ít moet, zoo dí Oppermaght dit schickí.

LUCIFERISTEN.

Men had ons nutter dees geheimnis gezwegen.

REY.

De Godtheit openbaert haer hart, tot u genegen.

LUCIFERISTEN.

Noch milder tot den mensch: zy zet hem boven aen.

REY.

Verknoght met Godts natuur, een wonderlijck bestaen.

LUCIFERISTEN.

Och, Engelsdom, won Godt zich paeren met uw wezen!

REY.

Wat Godt behaeght en schickt, dat wort met recht geprezen.

LUCIFERISTEN.

Hoe heeft hy ís menschen peil alree zoo hoogh gemerckt!

REY.

Het is al wel, al goet, wat Godt bepaelt en werckt.

LUCIFERISTEN.

Hoe wil de mensch de kroon der Engelen verdooven!

REY.

Alle Englen zullen Godt in ít lichaem zien en loven.

LUCIFERISTEN.

Zy zullen slijck en stof aenbidden in het stof?

REY.

Bewieroocken Godts naem, met geur, en prijs, en lof.

LUCIFERISTEN.

Den mensch bewieroocken, van hooger hant gedwongen?

APOLLION. BELIAL. REY.

APOLLION.

Zy momplen alree. Ghy hoort eení strijt van tongen.

BELIAL.

Wat schaeren treuren hier, gedompelt in den rou,
De sluiers om de borst en lenden? Niemant zou
Begrijpen, dat men dus, in ít midden van de Geesten,
Op ít eeuwige bancket, en dí endelooze feesten,
Kon treuren, zaegh men niet dit jammerlijck getal
Verslensen van verdriet. Wat ramp, wat ongeval
Ontstelze? Broeders, hoe? wat ís dí oirzaeck van dit kermen?
Beledight iemant u? men zal uw Recht beschermen.
Wat deert de Broeders? Spreeckt: laet hooren wat u deert.

REY.

Zy klaegen, dat de staet der menschen triomfeert.
Door GabriŽls bazuin, en opstyght boven dí Engelen;
Dat Godt zijn wezen wil met Adams wezen strengelen,
De Geesten onderworpt het menschelijck gebiet.
Daer hoort ghy kort en klaer den gront van hun verdriet.

APOLLION.

Zoo groot een ongelijck valt lastigh te gedoogen.

BELIAL.

Het overtreft bykans ons krachten en vermogen.

REY.

Wy bidden, dat ghy toch dien twist met ons beslecht.

APOLLION.

Wat raet? Hoe paeit men hen? Zy steunen op hun Recht.

REY.

Wat Recht? Die wetten geeft vermagh de wet te breecken.

APOLLION.

Hoe kan Rechtvaerdigheit een onrecht oordeel spreecken?

REY.

Bestraf Godts oordeel eens, en schrijf hem wetten voor.

BELIAL.

De vader leerí het kint hem volgen op zijn spoor.

REY.

Zijn spoor te volgen is het zelve als hy te willen.

APOLLION.

Verandring van Godts wil veroirzaeckt dees geschillen.

REY.

Hy zet den eenen van, den andren op den troon.
De minder waerste wijckí voor eenen waerder zoon.

BELIAL.

Gelijkheit van gena de Godtheit best zou passen.
Nu durf de duisternis het hemelsch licht ontwassen.
De kinders van den nacht braveeren zelfs den dagh.

REY.

Wat adem haelt, met recht den Schepper dancken magh,
Die elck zijn wezen gaf, en mindre en meerder waerde.
Wanneer het Hem belieft, zal ít element der aerde
Veranderen in lucht, of water, of in vier;
De hemel zelf in aerde; een Engel in een dier;
Een mensch in Engleschijn, of onbegrepen wonder.
Eťn maght regeert het al, en keert het bovenste onder.
Wat dí allerminste ontfangt is loutere gena.
Hier gelt geen willekeur, Hier komt vernuft te spa(2)
In dí ongelijckheit is Godts heerlijckheit gelegen.
Zoo zien we tegens ít lichste het zwaerste zwaerder weegen.
Dus steeckt het schooner af op ít schoon; de kleur op kleur;
De diamantsteen op turkoisblau; geur op geur;
Het stercke op flauwer licht; gestarrent tegens starren.
Ons schicken is den Staet van dit Heelal verwarren(3),
Misschicken al wat Godt geschickt heeft, en beleit;
En wat het schepsel schickt, dat is wanschapenheit,
In ít allerminste lidt. Men staeckí dit murmureeren.
De Godtheit kan den Staet van ít Engelsdom ontbeeren.
Zy is met niemants dienst beholpen. Eeuwigh rijck
En heerlijck, behoeft zy wieroock, noch muzijck,
Noch geur, haer toegezwaeit, noch lof, haer toegezongen.
Ondanckbre Geesten, zwijght: betoomt uw snoode tongen.
Ghy weet Godts reden niet: genoeght u met uw lot,
En onderworpt u Godts en GabriŽls gebodt.

APOLLION.

Is dan de Staet en ít lot der Geesten onbestendigh?
Zoo staenze glibberigh, zoo zynze alreede ellendigh.

REY.

Om dat een minder zal regeeren in dit Rijck?
Wy blijven diewe zijn: geschiet ons ongelijck?

BELIAL.

Zy zijn de naeste aen Godt, huní toeverlaet, en vader,
En lagen hem aen ít hart: nu leit een minder nader.

REY.

Zich over ís anders heil bedroeven, is gebreck
Van liefde, en rieckt naer nijt, en hooghmoet. Laet dees vleck
Op Englezuiverheit en louterheidt niet kleven.
Elckandre in eendraght, liefde, en trou voorby te streven,
Behaeght den Vader, die het al in orden schiep.

BELIAL.

Zy houden dí oorden, daer de hemel hen toe riep;
Maer kunnen traegh verstaen des menschen slaef te worden.

REY.

Dat ís ongehoorzaemheit: zoo spattenze uit hun Orden.
Ghy ziet hoe ít hemelsch heir, geharrenast in ít gout,
En in ít gelidt gestelt, zijn beurt en schiltwacht houdt;
Hoe deze star gedaelt, en gene, in top daer boven,
De klaerste een minder klaere in luister kan verdooven;
Hoe dí eene een kleiner ronde, en dí andre een grooter schrijft;
De laeghste hemel snelst, de hooghste langsaem drijft;
En evenwel verneemtghe, in deze oneffenheden
Van ampten, licht en kreits en stant en trant en treden,
Geen tweedraght, nijt, noch strijt: des Albestierders stem
Geleit dit maetgezang, dat luistert scherp naer hem.

BELIAL.

ít Gestarnte blijft in staet, daer Godt het in wou scheppen.
Behaeghde ít hem, den Staet der Englen niet te reppen,
Zy weecken geen gestarnte, in eendraght, noch in pais,
Noch steurden met geklagh de rust van dit palais.

REY.

Zie toe, en wacht uw wel deze ongenoeght te stijven.

APOLLION.

Wy wenschen, dat dees lucht en wolck magh overdrijven,
Eerze uitberste, en ít gewest des hemels zette in vier,
Zy groeien in getal. Wat stiltze? Wie komt hier?

LUCIFERISTEN. BELZEBUB. REY.

LUCIFERISTEN.

Helaes, helaes, helaes, waer is ons heil gevaeren!

BELZEBUB.

ít Gaet wel: wy groeien aen: onze Engelen vergaeren,
En steecken, vol misbaer, de hoofden vast by een(4).
Wat port u, Engleburgh met kermen en gesteen
Tí ontrusten? Kan de bloem der zaligheit verslensen?
Gerust bezitten al wat eenigh Geest kan wenschen
Van Godt, den zegenaÍr, vernoeght u dat noch niet?
Zoo staetghe u zelfs in ít licht, en koestert een verdriet,
Waer van ick dí oirzaeck noch beseffen kan, noch raeden.
Houdt op van kermen: scheurt velttekens en gewaeden.
Niet langer, zonder reÍn, maer heldert uw gezicht
En voorhooft met eení strael, Ű kinders van het licht!
De schelle keelen, die met zang de Godtheit dancken,
Zien om, en belgen ít zich, om dat ghy valsche klancken
En basterttoonen mengt in ít goddelijck muzijck.
Uw bittre weeklaght steurt de maat van ít hemelrijck.
ít Gewellef huilt u na. De rougalm, in den hoogen
Gesteegen, rolt al voort, van dí eene in dí andre boogen:
En zonder misdaet wort, door zulck een ongeluit,
De wasdom van Godts naem en glori niet gesluit.

LUCIFERISTEN.

Heer Overste, op wiens wenck ontelbre keurebenden
Zich wapenen, ghy komt van pas om onze elenden
Te zalven, en den smaet en onverdienden hoon
Te schutten door uw maght. Zal GabriŽl de kroon
Der heilige Engelen op ít hooft van Adam zetten,
Door Adams erfgenaem Godts eerstelingen pletten?
Wy waren nutter niet geschapen, eer de zon
Te wagen steegh, en licht den hemel geven kon.
De Godtheit koos vergeefs de Geesten tot trouwanten
Van ít onbeweeghbre hof, indienze zich wou kanten,
En spitsen tegens ít Recht der Geesten, zonder schult
Tot wederstant geterght, uit noot en ongedult(5).
Wy juichen, in den lof der Godtheit opgetoogen
Aenbaden, wieroockten met schaelen, neighden, boogen
Onze aengezichten neÍr. De hemel(6) gaf gehoor,
Verslingert op den dans des galms, van koor in koor,
Ja, smolt van volle vreught op tongmuzijck en harpen;
Toen GabriŽls bazuin zich plotseling quam werpen
Met dezen donderslagh in ít midden van Gods eer:
Daer lagen wy verbaest, verstroit, verdruckt ter neÍr.
De blyschap gaf den geest. De zwangre keelen zweegen.
De jongstgeboren streeck de kroon, den staf, den zegen;
En dí outste zoon, onterft by dí Oppermajesteit,
Gemerckt bleef voor eení slaef; dat valt gehoorzaemheit,
Godtvruchtigheit, en liefde, en trouwe, uit Godts trezooren
Ten deele, dompelt haere in rouwe, ontvonckt den toren
En wraeckzucht, om den mensch, uit eení gerechten haet,
Te smooren in zijn bloet, eer hy der Englen Staet
Verplette, en zy geboeit, als snoode en arme slaven,
Gedwongen worden naer zijn zweep en wil te draven,
Gelijck hy daer beneÍn de dieren houdt in dwang.
Heer Overste, ghy kunt der Geesten ondergang
Verhinderen, en by hun hantvest hen bewaren:
Beschutze door uw maght: wy staen gereet, uw scharen,
Uwí standert, en uw heir te volgen: treck maer aen.
ít Is eerlijck voor zijn eere, en kroone, en Recht te staen.

BELZEBUB.

My deert uw ongelijck. O Koning aller Heeren,
Verhoe dit liever. Geef geen stof tot muitineeren,
Noch tweedraght. Geef geen stof tot wederspannigheit.
Wat raet? Hoe stil ick u, en dí Oppermajesteit?

LUCIFERISTEN.

Zy quetst het heiligh Recht, aen dí Engelen geschoncken.

BELZEBUB.

Het Recht te quetsen kan den onderzaet ontvoncken,
Een vier ontsteken, daer de lucht af branden zou.
O averechtsen loon van onbevleckte trou!
Hoe zullen wy ons best in dees vertwijfling draegen?

LUCIFERISTEN.

Men trooste zich een kans, eení stouten sprong, te waegen.

BELZEBUB.

Waer toe zich zelfs gewaeght? Men gan eení zachter gangk.

LUCIFERISTEN.

Hier gelt alleen gewelt, en kracht, en wraeck, en dwangk.

BELZEBUB.

Men kon, waer ít mogelijck, een veiligh middel kiezen.

LUCIFERISTEN.

Met uitstel zal men hier niet winnen, maer verliezen.

BELZEBUB.

Men geef zijn ongelijck met reden te verstaen.

LUCIFERISTEN.

De reden heeft hier uit: men zet ons onder aen.

BELZEBUB.

Met smeecken moght ghy best en eerst uwí wensch verwerven.

LUCIFERISTEN.

Het stuck ontdecken, is den handel gladt bederven.

BELZEBUB.

Men kan dien aenslagh naeu ontveinzen voor het licht.

LUCIFERISTEN.

Wy groeien maghtigh aen, en staen in evenwight.

BELZEBUB.

De kans begunstight hen, die met Godts Veltheer vechten.

LUCIFERISTEN.

Hier is met sufferye en schrick niet uit te rechten.

BELZEBUB.

Wat zeit Apollion hier toe, en Belial?

LUCIFERISTEN.

Zy trouwen onze zijde, en stercken het getal.

BELZEBUB.

Hoe heeft men dit verhaest? Het is nu ver gekomen.

LUCIFERISTEN.

De hemel vloeit ons toe van zelf met volle stroomen.

BELZEBUB.

Betrout u op geen heir, vol lichte weifelaers.

LUCIFERISTEN.

Wy zien alree meer kans, en voordeel, min gevaers.

BELZEBUB.

Wie reuckeloos begint, beroemí zich van geen voordeel.

LUCIFERISTEN.

Aen dí uitkomst hangt het al, voor díuitkomst dwaelt het oordeel.
Dit gansche leger eischt u to een opperhooft,
En leitsman op dien toght.

BELZEBUB.

                                          Maer wie is zoo berooft
Van zinnen, dat hy uw gerechtigheit verdadighí,
En ís hemelsch heirkracht terge? Ay, weest u zelfs genadigh.
Verschoonme van die last: ick kieze geene zy.
Men legge met verdragh deze ongelijckheit by.

REY.

Gebroeders, geeft gehoor. Houdt boven aen met smeecken
By Godt, door middelaers: men wint met tusschenspreecken
Gemackelijcker velt dan door dien steilen wegh
Van oproer. Handelt koel, met raet en overlegh.
Wy willen te gelijck uw Recht om hoogh verweeren.
Bedaert: ghy quetst de kroon van Godt, den Heer der Heeren.

LUCIFERISTEN.

En ghy ons wettigheit: verstout u hooger niet,
Heer Belzebub, aenvaert dit wettige gebiet,
En zet de heiren schrap: wy volgen u gader.

BELZEBUB.

O yveraers, bedenckt, bedenckt u liever nader.
Ick wil u voortreÍn naer den troon van ít groot palais
En ons gerechtigheit bemiddelen door pais
En onderling verdragh; gewilligh, onbedwongen.

REY.

Houdt stil: houdt stil: ghy wort van MichaŽl besprongen.

MICHAňL. BELZEBUB. LUCIFERISTEN.

MICHAňL.

Waer zijnwe? Wat gedruis verneemt men hier alree?
Dit schijnt een hof van twist en oproer, niet van vreÍ,
Gehoorzaamheit, en trou. Prins Belzebub, wat reden
Beweeght u, als een hooft van wederspanngheden,
Dien oploop, zwanger van een goddeloos verraet,
Te stryen tegens Godt, ons aller toeverlaet?

BELZEBUB.

Genade, Ű MichaŽl! gewaerdigh ons te hooren,
Eer ghy een vonnis velt, uit yverigen tooren,
Ter eere van Godts Naem. Belast ons met geen schult.

MICHAňL.

Ick zal uw onschult dan aenhooren met gedult.

BELZEBUB.

De tí zamenrotting van zoo menigh duizent troepen,
Gesteurt om ít hoogh gebodt, ten rijxtroon uitgeroepen,
Op GabriŽls bazuin, vereischte een tusschenspraeck,
Tot slissing van dien brant; waerom ick van hun zaeck
En klaghten kennis koom te nemen, om het muiten,
By alle middelen en mooghlijckheÍn(7), te stuiten.
Zy vaeren echte voort, al razende en ontzint
Aen ít hollen, buiten spoor, en dringen ít klaghbewint
Met kraght ons op den hals. Ick poogh de maght te scheien,
[Laet tuigen van mijn trou dees Godtgetrouwe Reien,]
Te raeden, hunne klaght te storten voor Godts stoel;
Maer yvre vruchteloos, in ít midden van ít gewoel
En oproer, als een zee ten hemel toe verbolgen.
De Veltheer trÍ nu voor: wy staen gereet te volgen,
Indien hy middel ziet tot slechting van ít geschil.

MICHAňL.

Wie durf zich tegens Godt en zijnen heilgen wil
Verzetten? Wie dus stout den oorloghsstandert planten,
In ít koningkrijck van pais? Indienghe door gezanten
Wilt handelen om hoogh, tot voorstant van uw lot,
Wy willen uwen zoen bemiddelen by Godt,
Of anders wacht uw hooft: dit zal u niet gelucken.

LUCIFERISTEN.

Wy dienen Godt: hy kenne ons tot zijn diensten waerdigh.
De hemel blijve maer in zijnen eersten stant.
Men stellí geen amptenaers van ít hemelsch Vaderlant
Beneden ít aertsch geslacht: dat staet de Hierarchyen,
De Troonen, Maghten, hooge en lage Heerschappyen
Der Geesten, Englen, en Aertsenglen nimmer meer
te leiden: neen, geensins; al zoude uw blixemspeer
Doorstooten borst aen borst, en dí allertrouste harten:
Wy laten ons geensins van Adams afkomst tarten.

MICHAňL.

Ick wil, dat elck vertrecke, op ít wencken met mijn hant.
Hy kant zich tegens Godt en Godtheit, wie zich kant
Meineedigh tegens ons. Vertreckt naer uwe vaenen
Dat past soldaten en gehoorzaeme onderdaenen
Des hemels. Wat gewelt, wat moetwil drijft men hier!
Wie anders oorelooght dan onder mijn banier,
Beoorlooght Godt, en is een vyandt van zijn Rijcken.

LUCIFERISTEN.

Wie op zijn Recht staet, hoeft voor geen gewelt te wijcken.
Natuurlijck is elck beschermer van zijn Recht.

MICHAňL.

ík Gebiede u, datghe flux de wapens nederleght.
Door ít zamenrotten wort uw eer en eedt geschonden

LUCIFERISTEN.

Natuur heeft dí Engelen door eenen bant verbonden
Elckandre by te staen: oock wort niet een alleen
Geraeckt in dit geschil, maer ít raeckt ons in ít gemeen.

MICHAňL.

Zoudt ghy met wapenen den hemel dan beroeren?
Die zijn u niet betrout om tegens Godt te voeren.
Misbruicktghe uw maght, zoo vreest des Allerhooghsten maght.

LUCIFERISTEN.

De Stedehouder wort alle oogenblick verwacht.
Hy is in aller yl gedaghvaert en ontboden.
Wy willen al op een, en Goden tegens Goden
Opzetten, liever dan van ons gerechtigheit
Aftreden door gewelt.

MICHAňL.

                                    Zoo groot een onbescheit
Verwacht ick nimmermeer van ís hemels Stedehouder.

LUCIFERISTEN.

Het zweemt naer onbescheit eení eersteling, een ouder
Te stellen onder ít juck des jongsten, als eení knecht.
Dat dí Engel de natuur der Engelen bevechtí,
En tegens zijns gelijck, in staet, en aert, en wezen,
De wapens voere, wort met onbescheit geprezen.

MICHAňL.

Hardneckige aert, ghy zijt geen zoonen meer van ít licht,
Maer eer een bastertslagh, dat voor geen Godtheit zwicht.
Ghy terght den blixemstrael en onverzoenbren toren:
Volhartghe, wat een ramp en val is u beschoren!
Ghy luistert naer geení raet, noch onderwijs: laet zien
Wat dí Allerhooghste stem ons boven zal gebiÍn.
Welaen, ick wil, dat zich dí oprechte en vroome Reien
En schaeren daetlijck van rebelle rotten scheien.

LUCIFERISTEN.

Laet scheiden al wat wil: wy houden ons by een.

MICHAňL.

Getrouwe Reien, volght Godts Veltheer.

LUCIFERISTEN.

                                                                  Treckt vry heen.

BELZEBUB. LUCIFER. LUCIFERISTEN.

BELZEBUB.

De Veltheer vaert naer Godt, om over u te klaegen.
Schept moedt: Vorst Lucifer, gesteegen op zijní wagen,
Wort herwaert aengevoert. Ghy moet u kort beraÍn.
Een heirkracht, zonder hooft, kan nimmermeer bestaen.
Wat my belangt, die last val my te zwaer te tillen.

LUCIFER.

De gansche hemel waeght en dreunt van uw geschillen.
De keurebenden staen gereten en gedeelt;
Het oproer slaet al voort. De hooge noot beveelt
Hierinne te voorzien, en onheil voor te komen.

LUCIFERISTEN.

Heer Stedehouder, wijck en toevlucht aller vroomen,
Wy hoopen nimmermeer, dat ghy, als MichaŽl,
Den hals van ít Engelsdom tot eene voetschabel
Van Adams afkomst zult verwerpen en verdoemen,
En zulck eení smaet en hoon vergulden en verbloemen
Met schijn van billijckheit, en stijven door uw maght
Den opgang van den mensch, een grof, een aertsch geslacht.
Wat wieroock schenckt hy toch den schaers van hem gezienen?
Waerom belast men ons eení snooden worm te dienen,
Te draegen op de hant, te luistren naer zijn stem?
Schiep Godt de hemelen en Englen slechts om hem,
Wy waren nutter noit geschapen, noch geworden.
Ontfarm u, Lucifer. Gedoogh niet, dat onze Orden
Zoo laegh vernedert werde, en zonder schult verzinckí,
De mensch, gelijck een hooft der Englen, straele, en blinckí,
In ít ongenaeckbre licht, waer voor de Serafijnen,
Al bevende van angst, als schaduwen, verdwijnen.
Indien ghy u verneÍrt zoo groot een ongelijck,
Tot voorstant van ons recht, te slechten in dit Rijck;
Wy zweeren uwen arm eendraghtigh tí onderstutten.
Aenvaert dees heirbyl: help, och help ons Recht beschutten.
Wy zweeren u met kracht, in volle majesteit,
Te zetten op den troon, aen Adam toegeleit.
Wy zweeren uwen arm eendraghtigh tí onderstutten,
Aenvaert dees heirbyl: help, och help ons Recht beschutten.

LUCIFER.

Mijn zoonen, op wier trou geen vleck van ontrou hecht,
Al wat de Godtheit wil, en van ons eischt, is recht.(8)
Ick ken geen ander Recht; en stutte, als Stedehouder
Der Godtheit, zijn besluit en raetslot met mijn schouder.
Den scepter, dien ick voer, ontfing mijn rechte hant
Van zijn Almogentheit, als een genadepant
En teken van Godts gunst en liefde tot ons allen.
Is nu zijn hart en zin op Adam juist gevallen,
En lust het hem, den mensch, in volle heerschappy,
Te zetten boven aen, en boven u en my
Te kroonen, schoonwe noit in onzen plicht bezweecken;
Wat raet hier toe? Wie wil dat raetslot tegenspreecken?
Indien hy Adam noch een zelve heerlijckheit,
En dí Engelsche natuur gelijck, hadt toegeleit,
Dat waer verdraeghelijck voor alle hemeltelgen,
Gesprooten uit Godts stam: nu moghten zy ít zich belgen,
Zoo belghzucht geene vleck om hoogh gerekent waer.
Maer hoe men ít vat, dit loopt van wederzy gevaer,
Het zy men zwichte uit schroomte, of moedigh wederstreve.
Ick wensche, dat hy u dees belleghzucht vergeve.

LUCIFERISTEN.

Heer Stedehouder, ay, aenvaert dien heirstaf toch,
En hanthaef ít heiligh Recht: wy volgen in uw zogh.
Wy volgen, streef vooruit op uw gezwinde veeren
Wy willen sneuvlen, of zeeghaftigh triomfeeren.

LUCIFER.

Dit strijt met onzen eedt, en GabriŽls gebodt.

LUCIFERISTEN.

Dat strijt met Godt, en zet het Menschdom boven Godt.

LUCIFER.

Laet Godt zijn eer, en stoel, en majesteit bewaeren.

LUCIFERISTEN.

Bewaer uwí eigen stoel: wy willen, als pylaeren,
U stutten, en den staet der Engelen met een.
Geen mensch zal onze kroon, Godts kroon, met voeten treÍn.

LUCIFER.

De Veltheer MichaŽl, gewapent onder ít zegenen
Van boven, wil ons flux met al zijn heir bejegenen.
Zyn heirkracht by uw maght, wat is ít een groot verscheel!

LUCIFERISTEN.

Is ít geene helft, ghy sleipt een staert van ít derde deel
Der Geesten mede, indienghe u geeft op onze zijde.

LUCIFER.

Dan is de kans gewaeght, ons gunst verloren by de
Verdrucker van uw Recht.

LUCIFERISTEN.

                                            De moedt, de dapperheit,
De hoon, de smaet, de spijt, de wanhoop, het beleit,
De wraeck, het ongelijck, niet anders te beslechten,
En wat hier aenhangt, zal ons stijven, onder ít vechten.

BELZEBUB.

Wy hebben ít heiligh Rijck alleen in onze maght.
Wat raetslot men besluití, de wapens geven ít kracht
En nadruck. Zoo wy slechts ons in slaghorden stellen,
Wat nu noch weifelt stracx op onze zy zal hellen.

LUCIFER.

Ick troostme dan gewelt te keeren met gewelt.

BELZEBUB.

Zoo stijgh de trappen op, Ű allerbraefste Helt.
Heer Stadhouder, stijgh dien troon op, datwe u zweeren.

LUCIFER.

Vorst Belzebub, getuigh, en ghy, doorluchtste Heeren.
Apollion, getuigh, getuigh, Vorst Belial,
Dat ick, uit noot en dwang, dien last aenvaerden zal,
Tot voorstant van Godts Rijck, om ons bederf te keeren.

BELZEBUB.

Nu brengt den standert voort, dat wy den standert zweeren,
Getrouwighiet aen Godt, en onze Morgenstar

LUCIFERISTEN.

Wy zweeren te gelijck by Godt en Lucifer.

BELZEBUB.

Nu brengt het wieroockvat; ghy Godtgetrouwe schaeren,
Bewieroockt Lucifer met wieroockkandelaeren,
En schaelen, rijck van geur. Verheerlijckt hem met licht,
En glans van fackelen. Verheft hem met gedicht,
Gezangen, en muzijck, bazuinen, en schalmeien.
Het voeght ons, hem aldus met staetsi te geleien.
Heft op eení heldren toon,
Ter eere van zijn kroon.

LUCIFERISTEN.

Op, treckt op, Ű ghy Luciferisten,
            Volght dees vaen.
Ruckt te hoop al uw krachten, en listen.
            Treckt vry aen.
Volght dezen Godt, op zijn trommel en trant.
      Beschermt uw Recht, en Vaderlant.
Helpt hem MichaŽls heirkrachten stuiten.
            Houdt nu moedt,
Helpt den hemel voor Adam nu sluiten,
            En zijn bloet.
Volght dezen Helt, op zijn bazijn en trom.
      Beschut de kroon van ít Engelsdom
Ziet, ay ziet nu de Morgenstar blincken.
            Voor die pracht
Zal des vyants banier haest verzincken
            In den nacht;
Wy met triomf kroonen Godt Lucifer.
      Bewieroockt hem: aenbidt zijn Star.

REY VAN ENGELEN.
ZANG:

Waer zijn we toe ghekomen,
  Dat ís hemels burgertwist
  De regementen splitst,
En ít zwaert is opgenomen,
  Te zinneloos en blint?
Wie is íer van ons benden,
  Hy sneuvelt, of verwint,
Geluckigh(9) die dí elenden
  Van hunne broedren zien,
En Rijx- en Reigenooten?
  Of die verwonnen vliÍn,
In ballingschap gestooten?
  O zoons van ťťnen Godt,
  Waer toe verdwaelt uw lot!

TEGENZANG:

Helaes! waer toe verdwaelen
  De geesten  Wat verleit
  Hen, uit de zekerheit
Van hunnen Staet en paelen
  Te spatten, zonder noot?
Zich op het spits te waegen?
  Ons weelde was te groot,
Te dertel om te draegen;
  De hemel niet genoegh
Om Engelen te paejen:
  De Nijdigheit most vroegh
Dit zaet van oorlogh zaejen,
  In ít vreedzaam Vaderlant.
Wie leit dien twist aen bant?

TOEZANG.

Is dit krijghsvier niet te smooren,
  Door een maght van hooger hant,
  Wat wil blijven in zijní stant?
Staetzucht zal alle Orden stooren:
  Heemel, aerde, zee, en strant
  Zullen staen in lichten brant.
Staetzucht, eens door triomfeeren
  Als gewettight, zal verwoet
Godt en alle maght braveeren.
  Staetzucht kent noch Godt, noch bloet.


Voetnoten:

(1) De zin is: Die in Gods raadsbesluiten berust, kan het.

(2) Dit vers staat aldus in verband met het vorige: Wij hebben niet te willen of te denken. Juist wijl ook de minste gave van God Ąloutere genaĒ is, hebben wij niets van Hem te eischen en kunnen zelfs met ons verstand (vernuft) niet gissen, aan wie Hij Zijne onverdiende gunsten zal schenken.

(3) De zin is: Indien alles volgens onze inzichten geregeld werd, zou het heelal in verwarring geraken.

(4) Deze twee verzen zegt Belzebub ter zijde, of tegen Apollion en Belial, die het tooneel verlaten.

(5) De zin is te lezen als: der geesten, die tot wederstand geprikkeld werden zonder de minste aanleiding en in verzet raakten, wijl (omdat) ze ít niet langer konden uithouden (ĄongedultĒ) en door nood gedwongen werden.

(6) De hemelingen of engelen.

(7) Door alle mogelijke middelen.

(8) Lucifer wil zeggen, dat zij geen recht kunnen doen gelden tegenover God, dat zij eenvoudig aan zijn tirannie zijn overgeleverd.

(9) Rhetorische vraag: Niemand is gelukkig, hij, die overwint, evenmin, als hij, die sneuvelt (= valt).


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001