Joost van den Vondel (1587-1679)

LUCIFER

HET VIERDE BEDRYF.

GABRIL. MICHAL.

GABRIL.

De gansche hemel gloeit, in eenen lichten brant
Van oproer en verraet. k Verdaegh u, als Gezant
Van Godt en zijnen stoel, nu daetlijck op te trecken,
Met eenen gloet van vier en yver deze vlecken
Te branden uit Godts naem, en t zuiver Hemelsdom.
Vorst Lucifer braveert(1): hy roert trompet en trom.

MICHAL.

Is Lucifer, helaes, in zijne trou verandert?

GABRIL.

Des hemels derde deel heeft reede zijnen standert,
Die valsche Morgenstar, gezworen, zijnen troon
Bewieroockt, als een Godt, en met een lastertoon
Van goddeloos muzijck hem eere toegezongen.
Zy komen herwaert aen in volle kracht gedrongen,
En dreigen schrickelijck de poort van t wapenhuis
Te rammen met gewelt. Een woest, en wilt gedruis
Van onwer buldert vast, van boven en van onder.
Het werlicht, stormt, en raest, De blixem en de donder,
In arbeit, schudden vast de de pijlers van ons hof.
Men hoort gen Serafijns, noch wedergalm van lof.
Een ieder zit in druck gedompelt over d ooren.
Dan zwijgen plotseling, dan huilen al de kooren
Der Engelen, van druck en medelijden, om
Den blinden afval van t gezalight Engelsdom,
En d Engelsche natuur. t Is meer dan tijt om heden
Te quijten uwen plicht, en op uw heilige eeden,
[Die ghy, als Veltheer, op het punt des blixems zwoert,
By Godt en Zijnen naem,] te passen.

MICHAL.

                                                            Wat vervoert
Godts Stadthouder dus zich tegens Godt te kanten,
Als een verwaeten hooft van dolle vloeckverwanten?

GABRIL.

De hemel weet, hoe noode ick Godts gerechte zaeck
Verdadige op dees wijs. Hoe bitter wil de wraeck
Hem treffen! Want men weet geen middelen te vinden,
Om dit verdoolt geslacht rampzaligen en blinden
Te leiden op de baen, de heirbaen van hun trou.
Ick zagh Godt blyschap zelf zich met een wolck van rou
Beschaduwen; in t endt de wraeck een vlam ontsteecken
In d oogen van het licht, eer, om dien slagh te breecken,
Het last gaf ons den toght. Ick hoorde een wijl het pleit
Hoe d opperste Genade en Godts Gerechtigheit
Elckandre in wederwight, met pit van reden, hielen.
Ick zagh de Cherubijns, hoeze op hun aenzicht vielen,
En riepen vast: Gena, gena, Heer, geen Recht.
Men had dit zwaer geschil gezoent, en schier geslecht;
Zoo scheen de Godtheit tot genade en zoen genegen:
Maer als de wieroockstanck in top komt opgesteegen,
De smoock, die Lucifer om laegh wort toegezwaeit,
Met wieroockvat, bazuin, en lofgezangen, draeit
De hemel zijn gezicht van zulcke afgoderyen,
Gevloeckt van Godt, en Geest, en alle Hierarchyen.
Gena had uitgedient. Waeck op, in t harrenas.
De Godtheit daghvaert u, eer t oproer ons verrass.
Betem met uwen arm de woeste Behemotten,
En Leviathans, die dus godtloos t zamen rotten.

MICHAL.

Uril, schiltknaep, flux, men breng den blixem hier,
Mijn harnas, helm, en schilt. Breng herwaert Godts banier.
Men blaze de bazuin. Te wapen, flux te wapen.
Ghy, Maghten, Troonen, wat getrou is, en rechtschapen,
Dat wapen zich met ons. Ghy regementen, voort,
Een ieder in t gelidt: de hemel geeft het woort.
Men blaze de bazuin: men sla de holle trommels,
Verdaghvaerde in der yl ontelbre dicke drommels
Gewapenden. Blaest op; ick schiet de wapens aen.
Het gelt Godts eer alleen. Het moet er nu op staen.

GABRIL.

Dit harnas past zoo braef, al waer t u aenschapen.
Hier komt de veltbanier, waer in Godts naem en wapen
U toestraelt, en de zon in top u heil belooft.
Hier komen de Kornels u groeten als het hooft
Van t heir de hemelen, die Godts baniere zwoeren.
Schep moedt, Vorst Michal: ghy zult Godts oorlogh voeren.

MICHAL.

Zoo zal ick, Hou mijn woort om hoogh(2): wy trecken heen.

GABRIL.

Wy volgen uwen toght met wenschen en geben.

LUCIFER. BELZEBUB. LUCIFERISTEN.

LUCIFER.

Hoe staet het met ons heir? Hoe is t er m gelegen?

BELZEBUB.

Het heir verlangt, gereet, om(3) onder uwen zegen
Te vliegen regelreght op t spits van Michal.

LUCIFERISTEN.

Zoo doet het: ieder wacht op Lucifers bevel,
Om t effens d armen en hun vleugels eens te reppen,
Dien grooten vyant lucht en winden t onderscheppen,
En, als hy leght in zwijm, te ketenen met kracht.

LUCIFER.

Hoe talrijck is het heir? Waer in bestaet ons maght?

BELZEBUB.

Die groeit alle oogenblick, en bruist uit alle transen
Ons toe, gelijck een zee van vier en heldre glansen.
k Vertrou, het derde deel des hemels houdt ons zy,
Is t niet de halve streeck: want Michals gety
Verloopt alle oogenblick, en ebt aen alle kanten.
De helleft van de wacht en eerste hoftrouwanten,
Uit ieder Orden, van een ieder Hierarchy,
Verzweeren hunnen Heer, Vorst Michal, als wy.
Men ziet er Cherubijns, Aertsenglen, Serafijnen
De vaenen voeren. Zelf het paradijs, aen t quijnen
Geslagen van verdriet, verschiet zijn groente en verf;
En waer men d oogen keert, daer schijnt een wis bederf,
En boven t hooft een buy en donckre wolck te hangen.
Dat voorspoock spelt ons heil: men heeft slechts aen te vangen.
Ghy draeght alree de kroon des hemels op uw kruin.

LUCIFER.

Die klanck behaeghme meer dan Gabrils bazuin.
Hoort toe, en geeft gehoor, beneden deze trappen(4).
Hoort toe, ghy Oversten: hoort toe, ghy Ridderschappen,
En luistert wat wy u vermelden klaer en kort.
Ghy weet, hoe verre wy alree zijn uitgestort
In wraeckzucht tegens t Hooft de opperste palaizen,
Dat het een dolheit waere, op hoop van zoen, te deizen,
En niemant dencken durf deze onuitwischbre smet
Te zuivren door gena: dies moet de noot een wet,
Een wisse toevlught van te wancken, noch te wijcken
Verstrecken; ghy, met kracht en zonder om te kijcken,
Dien standert en mijn star verdadigen, met een
Den vrygeschapen Staet der Englen in t gemeen.
Het ga zoo t wil: volhardt groothartigh, onverdrietigh;
Geen almaght heeft de maght, dat zy geheel vernietigh
Het wezen, dat ghy eens voor eeuwighlijck ontfingt.
Indienghe fel en fors met uwe heirspits dringt
In t hart van s vyants heir, en komt te triomfeeren,
Zo zal de tiranny der hemelen verkeeren
In eenen vryen Staet, en Adams zoon en bloet,
Gekroont in top van eere, en met een aertschen stoet
Omcingelt, uwen hals niet boeien aen de keten
Van slaefsche dienstbaerheit, om hem ten dienst te zweeten,
En onder t koopren juck te hijgen, zonder endt.
Indienghe my voor t hooft van uwen vrydom kent,
Gelijckghe uit eenen mont dien standert hebt gezworen,
Zoo staeft den eedt noch eenstemmigh, dat wy t hooren,
En zweert getrouwicheit aen onze morgenstar.

LUCIFERISTEN.

Wy zweeren te gelijck by Godt en Lucifer.

BELZEBUB.

Maer zie, hoe Rafal, verbaest, en vol medoogen,
Met zijn vredetack van boven komt gevloogen
Om uwen hals, op hoop van stilstant en verdragh.

RAFAL. LUCIFER.

RAFAL.

Och, Stedehouder, mont van t goddelijck gezagh,
Wat heeft u buiten t spoor van uwen plicht gedreven?
Zoudt ghy den Schepper van uw glori wederstreven?
Lichtvaerdigh weifelen, en wancklen(5) in uw trou?
Dat hoop ick nimmermeer. Helaes, ick zwijm van rou,
En blijve om uwen hals beklemt, bestorven hangen.

LUCIFER.

Oprechte Rafal!

RAFAL.

                              Myn blyschap, mijn verlangen,
Ick bidde u, hoorme.

LUCIFER.

                                    Spreeck, zoo lang het u behaegh.

RAFAL.

Genade, o Lucifer! Verschoon u zelven: draegh
Geen harnas tegens my, die treurigh smilte en quijne
Van druck, om uwent wil. Ick koom, met medecijne(6)
En balzem van gena, gesteegen uit den schoot
Der Godtheit, die, gelijckze in haeren Raet besloot,
U, boven duizenden gekroonde Heerschappyen,
Gezalft heeft op den stoel van haer stadhouderyen.
Wat dolheit is het, die uw zinnen dus verruckt?
Zy had haer zegel en gelijckenis gedruckt
Op uw geheilight hooft en voorhooft, overgooten
Met schoonheit, wijsheit, gunst, en wat er komt gevlooten
En stroomen, zonder maet, uit aller schatten bron.
Ghy blonckt in t Paradijs, voor t aenschijn van de zon
Der Godtheit, uit een wolck van dau en versche roozen.
Uw feestgewaet stont stijf van perlen, en turkoozen,
Smaragden, diamant, robijn, en louter gout.
De zwaerste scepter wert uw rechte hant betrout,
Zoo dra ghy steeght in t licht, en, op bazuin en bommen,
Door t blakende gesternte en steenen quaemt te brommen:
En zoudt ghy reuckeloos u storten uit dien troon?
Verreuckeloozen al dat heerelijck en schoon?
Zoudt ghy uw glansen, die de hemelen vercieren,
Oms licht verduisteren(7), in eenen knoop van dieren,
En mengsel van gedierte en ondier onder een,
Griffioenklaeu, draeckenhooft, en andre gruwzaemhen,
Misscheppen onbedacht? En zouden s hemels oogen,
De starren, u zoo laegh berooft zien van vermogen,
En eere, en majesteit, door t schenden van uw trou?
Dat keer de goede Godt, wiens aenschijn ick aenschou
In t zaligh licht, daer wy, geheilight alle zeven,
Hem dienen voor zijn troon, en sidderen, en beven
Voor zulck een Majesteit, die op ons voorhooft straelt,
Verquickt en leeven geeft wat leeft en adem haelt.
Heer Stedehouder, magh mijn bede uw hart beweegen;
Ghy kent mijn zuiver wit, en hart, met u verlegen.
Ruck af dien trotsen kam: schud uit dit harrenas:
Smijt neder uit dees hant de heirbijl, de rondas
Uit d andre. Hooger niet: legh neder, och, legh neder,
Legh neder, strijck van zelf den standert, en de veder
Van uwe vleugelen, voor Godt en zijnen glans,
Eer hy u den troon, den allerhooghsten trans
Van eere, nederklincke aen gruis en stof te mortel,
Ja zulx dat van den stam der Geesten tack, noch wortel,
Noch geen gedachtenis, noch leven overschiet;
t En waere een leven van elende, van verdriet,
De Doot, de Wanhoop, en een worm, een eeuwig knaegen,
En knersetanden moght den naem van leven dragen.
Vermer u: staeck dien toght: ick offere u gena
Met dien olijftack: grijp, of echter t is te spa.

LUCIFER.

Heer Rafal, ick verdien noch dreigement, noch toren.
Mijn helden hebben Gode en Lucifer gezworen,
En, onder s hemels eedt, dien standert opgerecht.
Men stroie wat men wil den hemel door: ick vecht
En oorloghe onder Godt, Tot voorstant van zijn kooren,
De hantvest, en het Recht, hun wettigh aengeboren,
Eer Adam zijne zon zagh opgaen, eer de dagh
Zijn paradijs bescheen. Geen menschelijck gezagh,
Geen juck van menschen zal den neck der Geesten plaegen;
Geen Engelsdom den troon van Adam onderschraegen,
Met zijnen vrijen hals, gelijck een dienstbaer slaef,
t En zy de hemel ons in eenen poel begraef,
Met zoo veel scepteren, en kroonen, glans en voncken,
Als ons de Godtheit uit haer boezem heeft geschoncken,
Voor eeuwigh, en altijt. Laet bersten al wat berst:
Ick hanthaef t heiligh Recht, door hoogen noot geperst,
En, na veel wederstandts, my entlijck overdrongen,
Op t klaegen en gekerm van duizenden tongen.
Ga hene, bootschap dit den Vader, onder wien
Ick dus, voor t Vaderlant, den standert voere en dien.

RAFAL.

Och Stedehouder, wat verbloemt ghy uw gepeinzen
Voor t alziende oogh? Ghy kunt uw ooghmerck niet ontveinzen.
De strael van zijn gezicht ontdeckt de duisternis,
De staetzucht, daer uw geest zoo grof van zwanger is,
En reede in arbeit gaet, om dit gedroght te baeren.
Waer bergh ick my van schrick! Hoe ryzen al mijn haeren!
Verdwaelde Morgenstar, verschoon u zelve toch.
Ghy kunt d Alwetenheit niet paeien met bedrogh.

LUCIFER.

Wat staetzucht? Heeft mijn plicht in eenigh deel ontbroken?

RAFAL.

Wat hebt ghy in uw harte al heimelijck gesproken?(8)
Ick wil in s hemels top, door alle wolcken heen,
En boven Godts gestarnte opstijgen, van benen,
Godt zelf gelijck, geen maght bestraelen met genade,
t En zyze aen mijnen stoel met leen verheergewaede:
Geen majesteit braveer met scepter, nochte kroon,
Ten zy ick haer beleene uit mijnen hoogen troon.
Bedeckt uw aengezicht: valt neder: strijckt uw pennen,
En wacht u, boven ons, een hooger maght te kennen.

LUCIFER.

Hoe nu toe?(9) Ben ick dan Godts Stedehouder niet?

RAFAL.

Dat zijt ghy, en ontfingt van t onbepaelt gebiet
Bepaelde mogentheit, en heerscht uit zijnen naeme.

LUCIFER.

Helaes, hoe lang? Tot dat Vorst Adam ons beschaeme,
En, boven de natuur der Engelen, zijn lot
Uit s hemels schoot ontfange, en aenzitt neffens Godt?

RAFAL.

Wil d opperste Monarch zijn maght met mindren deelen;
Ja d eerste kroon den mensch opzetten en beveelen,
Hem wijden tot een hooft der Geesten, boven al
Wat kroon en scepter voert, of namaels voeren zal;
Zoo leer ootmoedigh u Godts raetslot onderwerpen.

LUCIFER.

Dat is de wetsteen om dees heirbijl op te scherpen.(10)

RAFAL.

Ghy scherptze reuckeloos voor uwen eigen neck.
Bedenck eens waer wy staen. De hemel kan geen vleck
Van afgunst, haet en nijt noch hovaerdy verdraegen.
De Wraeck des hemels dreight dees schantvleck uit te vaegen.
Hier helpt geen veinzen. Och, of voor d alziende Zon,
Het aldoordringende oogh, ick deze lastren kon
Bedecken Lucifer, waer is uw glans gebleven?

LUCIFER.

Mijn glans is Adam en zijne afkomst lang gegeven.
Men noem my langer niet den eerstgewijden zoon,
Den oudsten erfgenaem.

RAFAL.

                                        Vorst Lucifer, verschoon
U zelven: onderworp u t opperste behaegen.
Gewaerdigh ons, dat wy die blijde tijding draegen
Naer boven: ieder ziet mijn werkomst te gemoet.
Ick valle ootmoedigh dus uw heerlijckheit te voet.
Om Godts wil, wacht u toch werspanning te stijven,
Die op uw wil en wenck, als op hun aspunt, drijven.
Zoudt ghy, in wederwil van t hemelsche palais,
Dees lucht, vol heiligheit, vol vrede, d eerste reis,
Met duizentduizenden in t harrenas, beroeren?
Op trommel en trompet den oorloghsstandert voeren,
En kanten tegens Godt, de stercksten worstelaer?

LUCIFER.

Ment kant zich tegen ons. Was Adams afkomst maer
Een zelven staet en stoel, als d Engelen, geschoncken,
Dat scheen verdraeghelijck: nu vliegen vast de voncken
Van dezen hemeltwist door alle daken heen.
Zwijgh Engelsdom: verhef eerbiedighlijck het leen
Van al wat ghy bezit aen Adam en zijn neven.(11)
Den mensch werstreven, is de Goedheit wederstreven.
Hoe magh het Godt van t hart, dat hy zoo laegh, zoo diep
Vernedert dien hy tot den grootsten scepter schiep?
Een edelmoeidigheit, geheilight tot regeeren,
Voor eenen minder zich zoo zwaerlijck kan verneren,(12)
Van heerlijckheit ontklen, en opstaen uit haer staet
En stoel, dat zy vervloeckt den glans en dageraet
Van haeren opgangk, en veel liever had gebleven
Een schaduw, zonder verf, een niet, en zonder leven:
Want niet zijn overtreft verkleening duizentwerf

RAFAL.

Geleende heerschappy staet los, en is geen erf.

LUCIFER.

k Misdancke dan dit leen, als t immers leen moet heeten.

RAFAL.

Bewaer uw ampt: of is zijn ooghmerck u vergeten?
De Stedehouderschap uw wijsheit wert betrout,
Op dat ghy t al in ruste en orden houden zoudt:
En hebtghe teghens Godt het panser aengeschooten,
Als een meineedigh hooft van blinde bontgenooten?

LUCIFER.

Wy schoten slechts, uit noot en nootweer, t panser aen;
Zoo luttel wouden wy de Godtheit wederstaen.
De reden spreeckt, al waer t dat schilt en wapen(13) zweege.
Wy vrijen onzen Staet: benijt men ons die zege?

RAFAL.

Geen zege is heerelijck, daer, in een zelve Rijck,
Slaghordens van een Staet bestrijden haers gelijck:
En deerlijck is het, zoo gebroeders van eene Orden
Door hun gebroeders zelfs in t endt verwonnen worden.
Om onzent wil, om Godt, en zijn gedreighde straf,
Och Stedehouder, voer uw regementen af:
Voer af, en laet u toch vermorwen door gebeden.
Ick hoor, t is schrickelijck, alree de ketens smeden,
Om, na de nerlaegh, u, geketent, door de lucht
Te voeren in triomf. Ick hoor alree gerucht,
En zie allengs het heir van Michal genaecken.
Het is hoogh tijt, hoogh tijt dien dollen toght te staecken.

LUCIFER.

Wat baet het, schoon men zich op t uiterste bera?
Hier is geen hoop van pais.

RAFAL.

                                            k Verzeker u gena,
En stelme, middelaer, om hoogh voor u te pande.

LUCIFER.

Mijn Star te dompelen in duisternisse en schande!
Mijn vyanden te zien braveeren op den stoel!

RAFAL.

Och Lucifer, waeck op. Ick zie den zwavelpoel,
Met opgespalckte keel, afgrijslijck naer u gapen.
Zult ghy, het schoonst van al wat Godt oit heeft geschapen,
Een aes verstrecken voor het vraetige ingewant
Des afgronts, nimmer zadt, en nimmer uitgebrant?
Dat hoede Godt. Och, och, bewilligh onze bede
Ontfang dien tack van pais: wy offren u Godts vrede.

LUCIFER.

Of ergens schepsel zoo rampzaligh zwerft als ick?
Aen d een zy flauewe hoop! aen d andre grooter schrick.
De zege is hachelijck, de nerlaegh zwaer te mijden.
Op t onwis tegens Godt en Godts banier te strijden?(14)
Den eersten standert op te rechten tegens Godt,
Zijn hemelsche bazuin, en openbaer gebodt?
Zich op te worpen, als een hooft van Godts rebellen,
En tegen s hemels wet een wederwet te stellen?
Te vallen in den vloeck der snootste ondanckbaerheit?
Te quetsen de genade en liefde en majesteit
Des rijcken Vaders, bron van alle zegeningen,
Die noch t ontfangen staen, en wat wy reede ontfingen?
Hoe zijnwe nu zoo wijt verzeilt uit onzen plicht!
Ick zwoer mijn Schepper af. Hoe kan ick voor dat licht
Mijn lasterstucken, mijn verwatenheit vermommen?
Hier baet geen deizen, neen, wy zijn te hoogh geklommen.
Wat raet? Wat best geraemt in dees vertwijfelthen?
De tijt geen uitstel lijdt. Een oogenblick is geen
Genoeghzaemheit van tijt; indien men tijt magh noemen
Dees kortheit, tusschen heil en endeloos verdoemen.
Maer t is te spa, en hier geen boete voor ons smet.
De hoop is uit. Wat raet? Daer hoor ick Godts trompet.

APOLLION. LUCIFER. RAFAL.

APOLLION.

Heer Stedehouder, op! Het is geen tijt te marren:
De Veltheer Michal, in aentoght met zijn starren
En regementen, daeght u uit in t vlacke velt.
De tijt gebiet, dat ghy u in slaghorden stelt.
Treck op, treckt op met ons: wy zien den strijt gewonnen.

LUCIFER.

Gewonnen? Dat s te vroegh: strijt is niet begonnen.
Men weegh dien zwaeren slagh en oorlogh niet te licht.

APOLLION.

Ick zagh alree den schrick in Michals gezicht,
En al zijn benden doots schier omzien naer de hielen.
Wy willen, twijfel niet, haer sloopen, en vernielen.
Hier komen d Oversten met onzen standaet aen.

LUCIFER.

Een ieder in t gelidt: een ieder kenn zijn vaen.
Nu rustigh de bazuin en krijghstrompet gesteecken.

APOLLION.

Wy wachten op uw woort.

LUCIFER.

                                            Zoo volght ons op dit teken.

RAFAL.

Helaes, hy stont alreede in twijfel en beraet:
Nu voert hem Wanhoop aen. Helaes, in welck een staet
Van jammernissen stort d Aertsengel al de zijnen!
Nu mahg hy nimmermeer in vreught om hoogh verschijnen,
t En zy de Godtheit dit medoogende belett.
Ghy Hemelreien, komt, en geeft u in t gebedt:
Misschien of noch dien slagh te schutten waer met smeecken.
Het bidden kan(15) een hart van diamantsteen breecken.

REY VAN ENGELEN. RAFAL.

REY VAN ENGELEN.

  O Vader, die geen wieroockvat,
  Noch gout, noch lofzang waerder schat
Dan godtgelatenheit en stilte(16)
  Van t schepzel, dat uit nedrigheit
  Behaegen schept aen uw beleit,
En in uw wil zich zelf versmilte;
  Ghy ziet, aller telgen stam,
  Hoe t hooft der Geesten zijnen kam
Durf kanten tegens uw behagen
  Hoe hy trompet en trommel roert,
  En blint, van Staetzucht aengevoert,
U terght op zijnen oorloghswagen.
  Ontferm u over t lasterstuck,
  En keer, och, keer het ongeluck
Van duizentduizent lotgenooten,
  Die al te jammerlijck misleit,
  Me zulck een wederspannigheit
Het harnas hebben aengeschoten.

RAFAL.

  Verschoon genadigh, och verschoon
  Den Stedehouder, die de kroon
Der kroonen op zijn hooft wil zetten,
  Om neffens U, en boven al
  Te triomfeeren. Och, wie zal
Hem zuiveren van zulcke smetten?

REY VAN ENGELEN.

  Gedoogh niet, dat de schoonste ziel,
  Waer op uw oogh genadigh viel,
Gedoogh niet, dat d Aertsengel sneve.
  Hy boete deze ondanckbre daet,
  En blijf gehanthaeft by zijn staet.
Dat uw gena zijn schult vergeve.


Voetnoten:

(1) Steekt dreigend het hoofd op.

(2) Wees mijn voorspraak bij God.

(3) Om behoort bij verlangt.

(4) Lucifer staat op de trappen, waar hij in het derde bedrijf gehuldigd is.

(5) Rafal verplaatst met zeer veel tact de reeds gevallen Lucifer in zijn vroegere toestand, om hem de bekering te vergemakkelijken.

(6) Rafal betekent: medicijn Gods.

(7) Te lezen als: en die ons licht verduisteren.

(8) In de acht volgende verzen vertolkt Rafal de heimelijke gedachten van Lucifer.

(9) Hoe heb ik het nu?

(10) Integendeel, zegt Lucifer, dat prikkelt ons juist tot den strijd.

(11) Maak u zelf voor al hetgeen gij bezit tot vazal van Adam en zijn nakomelingen.

(12) Iemand van adel, van hoge afkomst, die als geboren is tot regeren.

(13) De zin luidt: Als ons blazoen niet duidelijk genoeg aantoonde, dat wij trouw blijven aan God, dan moest toch het gezond verstand u zeggen, dat wij onmogelijk van zins kunnen zijn, God bestrijden. Het is de oude fictie: Getrouwigheit aan Godt en onze Morgenstar, wij zweeren tegelijck by Godt en Lucifer (3e bedrijf).

(14) Dit vers (evenals de volgende) is meer een uitroep dan een vraag.

(15) kan zelfs.

(16) Stille berusting in Gods wil.


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001