Joost van den Vondel (1587-1679)

LUCIFER

HET VIJFDE BEDRYF.

RAFAL. URIL.

RAFAL.

De gansche hemel, van den gront tot de kruin
Der aertspalaizen, juicht op Michals bazuin
En zwaeiende banier. De veltslagh is gewonnen.
Ons schilden schitteren, en scheppen nieuwe zonnen.
Uit elcke schiltzon straelt een triomfanten dagh.
Daer komt Uril zelf, de Schiltknaep, uit den slagh,
En zwaeit het vlammend zwaert, dat, scherp van wederzijden,
Gewet van s hemels wraecke en gramschap, onder t strijden,
Door schilt en harrenas, en helm van diamant,
Gevaeght heeft, slinx en rechts, al wat de horens kant
En opsteeckt tegens Godts doordringende alvermogen.
Gestrenge Schiltknaep, die het scherprecht uit den hoogen
Bekleet, en t ongelijck, dat tegens t eewigh Recht
Zich opworpt, met een slagh rechtvaerdighlijck beslecht,
Gezegent is t geweer, gezegent zijn uw armen,
Die d eer van Englestadt hanthaven en beschermen.
Wat leghtge al prijzen in(1) by d Oppermajesteit!
Verhael ons toch den strijt: ontvou ons al t beleit,
En s hemels eersten toght: wy luistren met verlangen.

URIL.

Uw lust ontvonckt mijn geest om rustigh aen te vangen,
Dien vreesselijcken storm t ontvouwen op een ry.
Geluckigh vecht het heir, dat Godt heeft op zijn zy.
   De Veltheer Michal, [verwittight uit den hoogen,
Door s hemels afgezant, die neder quam gevlogen,
Noch sneller dan een star, die door de lucht verschiet,(2)
Hoe Lucifer zoo trots zich tegens t hoogh gebiedt,(3)
Had opentlijck gekant, gereet heen aen te voeren,
Die hem bewieroockten, zijne starre en standert zwoeren;]
Schoot voort, op t aenstaen van den trouwen Gabril,
Het schubbigh panster aen, en gaf terstont bevel
Aen al zijn Oversten, en hoofden en Kornellen,
De heiren, in Godts naem, in hun gelen te stellen,
Om met gemeene maght en kracht, op t luchtigh ruim,
Van t zuivre hemelsblaeu al dit meineedigh schuim
Te vaegen, al dit spoock in duisternis te dompelen,
Eer zy t ongezienste ons moghten overrompelen.
Op dezen last vergart Godts heirkracht in der yl
Slaghordenwijs, zoo snel gelijck een vlugge pijl,
Gedreven van de pees. Men zagh ontelbre drommen,
In een driekantigh heir, aen alle kanten brommen,
Gelijck een driehoeck steeckt en straelt op ons gezight.
Men zagh een enckelheit in een driepuntight licht,
Zoo spiegelgladt, gelijck een diamant, geslepen:
Een heirspits, eer van Godt dan eenigh Geest begreepen.
   De Veltheer, met den gloet des blixems in de hant,
Hiel recht voor Godt baniere, in t hart van t leger, stant.
Wie moedt wil houden, en triomf en zege baeren,
Die moet voor al het hart verzeekren en bewaeren.

RAFAL.

Waer bleef t verwaten heir, dat ons bestormen wou?

URIL.

Het quam vol moedts ter baene, en had zijn eersten trou,
Gehoorzaemheit en eer en eedt en al vergeeten,
Te heiloos en verwaent op Godt en ons gebeeten
Het groeide snel, en wies, gelijck een halve maen(5)
Het wet zijn punten, zet twee horens op ons aen;
Gelijck t gestarrent van den Stier de hemeldieren
En andre monsters, die rontom hem heenezwieren,
Met goude hoornen dreight. De rechte horen wort
Vorst Belzebub, op dat hy ons de vleugels kort,
En zijne wacht betrout; Vorst Belial de slincken
Men ziet hen beide om strijt in hunne rusting blincken.
De Stedehouder, nu Veltmaerschalck tegens Godt,
Verzekerde den buick des legers, om het slot,
Der regementen knoop, in t midden te bewaeren.
De trotse standert, daer de dagh scheen op te klaeren,
Uit zijne morgenstar, wert van Apollion
Gehanthaeft, achter hem, zoo moedigh als hy(6) kon,
In zijnen vollen krits, om hoogh ten troon gezeten.

RAFAL.

Helaes, wat durf d Aertsengel zich vermeten!
Och, of ick hem by tijts tot afstant had gebroght!(7)
Beschrijfme niettemin het aenzicht van dien toght,
En in wat schijn de Vorst de benden quam geleien.

URIL.

Omringt van zijn staffiers en groene lievereien,(8)
Hy, wreveligh aengevoert van onverzoenbren wrock,
In t gouden panser, dat, op zijnen wapenrock
Van gloeiend purper blonck en uitscheen, steegh te wagen,
Met goude wielen, van robijnen dicht beslagen.
De Leeuw, en felle Draeck, ter vlucht gereet, en vlugh,
Met starren overal bezaeit op hunnen rugh,
In t parrele gareel, gespannen voor de wielen,
Verlangden naer den strijt, en vlamden op vernielen.
De heirbijl in de vuist, de scheemrende rondas,
Waer in de morgenstar met kunst gedreven was,
Hing aen den slincken arm, gereet de kans te wagen.

RAFAL.

O Lucifer, ghy zult dien hooghmoedt u beklagen.
Ghy fenix, onder al wat Godt daer boven looft,
Hoe steeckt ghy, onder t heir, zoo fier met hals en hooft,
En helm, en schoudren uit! Hoe heerlijck past u t wapen,
Als waer t natuurlijck uw wezen aengeschapen!
O hooft der Engelen, niet hooger: keer werom.

URIL.

Zoo stonden zy gekant, en slaghree, drom by drom,
Een ieder op zijn lucht en hoefslagh,(9) en by rijen
Gesnoert aen hun gezagh, om t schoonst van wederzyen;
Wanneer de dolle trom en klinckende trompet
Zich mengen; het geluit geweer en handen wet,
En steigert in den trans van t heiligh licht der lichten;
Een klanck, waerop terstont een zwangre wolck van schichten
Geborsten, slagh op slagh, een glonden hagel baert,
Een storm en onwer, dat de hemelen vervaert,
De hofpijlaeren schudt; de kreitsen, en de starren,
Verbijstert in hun ronde en ommeloop, verwarren,
Of zwijmen op de wacht, en weten niet waer heen
Te drijven, oost of west, of boven of benen.
Al werlicht, wat men ziet, al wat men hoort is donder.
Wat blijft er in zijn stant? Het bovenste raeckt onder.
De heiren, na et gedreun van t eerste schutgevaert,
Geraecken hantgemeen met knods, en hellebaert,
En sabel, speer, en dolck. Het gaet er op een kerven
En steecken. Al wat kan, wat toeleit op bederven,
Op schenden, rept zih nu, bederft, en treft, en schent.
De broederschap heeft uit, en niemant ziet noch kent
Zijn medeburger meer. Men ziet er parle parlen huiven,
Gekrolde vlechten hair, en pluim, en pennen stuiven,
En schitteren, in t vier der blixemen gezengt.
Men ziet turkoisblau, gout, en dieament gemengt,
En perlesnoer, en wat de hairlock kon vercieren;
De vleugels, half geknot; gebrocken pijlen zwieren
En zweven door de lucht. Een gruwzaem veltgeschrey
Verheft zich uit den stoet der groene lievery;(10)
Daer lyt het krygsheir last, geperst uit noot te deizen.
De dolle Lucifer hervat den stryt drie reizen,
En stut de de flaeute van zyn regement zoo trots,
Gelijck het zeegedruis al schuimende op een rots
Gestuit wort, reis op reis, en meer niet uit kan rechten.

RAFAL.

Gewis, het heeft wat in, de Wanhoop af te vechten.

URIL.

De dappre Michal laet blazen: Eer zy Godt.
De regementen, op doe leus en zyn gebodt,
Gemoedight, te gelyck aen t steigeren, en stygen
Naer boven, om de loef van s vyants heir te krygen;
Dat styght met een om hoogh, maer met een traeger vaert,
En raeckt in t ende in ly: als of men hemelwaert
Een valck zagh, van om laegh, op zyne wackre pennen
Zich geven in de lucht, eer hem de reigers kennen,
Die sidderen van schrick, in t bosch, by eenen beemt,
Zoo dra het hooge nest dien vyant daer verneemt.
De reiger schreeut, en styght, en, bang voor s vyants pooten,
Verwachten hem op den beck, om door de borst te stooten,
Vanonder, als hy ploft van boven op den buit.

RAFAL.

O Lucifer, wat raet! Het ziet er schricklyck uit.
Ghy zweeft hier op een vlackte, en zonder poorten en wallen.
Een gruwelycke Orkaen wil plotsling u bevallen,
En zincken in een poel en afgront, zonder gront.

URIL.

Wat gaf t een schoon verschiet, om laegh een hallef ront,
Of halve maen, om hoogh een driekant spits t aenschouwen,
De regementen, die zich sluiten en ontvouwen,
Op t wencken van hun hooft, een ieder in zyn vaen,
Te zien zoo pal, gelyck metaele muuren staen,
Als op een wederwicht van lucht en eige zwaerte,
Met al hun slingertuigh, geschut, en stormgevaerte.
Zy hangen even als men zich een wolck verbeelt,
Een wolck, waer in de zon met heure straelen speelt,
En schildert en schakeert door luchte regenboogen.
De hemelsche adelaer, zoo steil in top gevlogen,
Bespiet Godts vyandin, de havicksvlucht, benen.
Hy klapt van moedigheit zijn pennen tegens een,
Misguntze t weiden niet, en vruchteloos braveeren,
Terwijl hy vlamt om haer te zitten in de veeren,
Te plonderen eerlang van haere gladde pluim;
Zoo ras de kromme beck en klaeu, op t luchtigh ruim,
Het aes bevalle, of drijf voorwint af, uit zijn oogen.
Dus komenze afgestort, en stroomen uit de hoogen,
Gelijck een binnenzee, of noortschen waterval,
Die van de rotsen bruischt en ruischt, met een geschal
Dat dier en ondier schrickt, in diepgezoncke daelen;
Daer steenen, van de steilte, en dicke waterstraelen,
En masten, zonder tal, verpletten, en vertren
Wat tegens woest gewelt van stroom en hout en steen
Niet opgewassen is. De heirspits treft de navel
Der halve maene fel met roode en blaeuwe zwavel,
En vlammen, slagh op slagh, en donkerkloot op kloot.
Dat baert een luchtgeschrey. Het hart van t heir in noot
Begint van langer hant den wrevelen t ontzacken.
De boogh de halve maene, aen t kraecken en aen t knacken,
Zoo stijf gespannen staet [want d einden krommen vast]
Dat hy in t midden moet bezwijcken voor den last,
En springen, wort hem flux geen ademtoght gegeven.
De troste Lucifer, den hier dan daer gedreven,
Schiet toe op dit geschrey, en geeft zich rustigh bloot,
Om zijn groothartigheit, in t nijpen van den noot,
Te toonen voor de vuist, op zijnen oogloghswagen.
Dat geeft den flaeuwen moedt. Hy schut de wreetste slagen
En scheuten op t gebit van zijn verwoet gespan.
De Leeuw en blaeuwe Draeck,(11) aen t woeden, vliegen van
Zijn hant, op elcken wenck, met vreeselijcke driften.
D een brult, en bijt, en scheurt, en d ander schiet vergiften,
Met zyn gespitste tong, ontsteeckt een pest, en raest,
En vult de lucht met smoock, dien hy ten neuze uitblaest.

RAFAL.

Hier wil de barrening van boven hem beknellen.

URIL.

Hy zwaeit de heirbyl vast, om Godts banier te vellen,
Die nerstyght, en water uit Godts naem een schoone licht
En schooner straelen schiet in t glon van zyn gezicht.
Men dencke eens na, of hy dit voorspoock ons benyde.
De heirbijl in zyn vuist, aen d eene en d andre zyde,
Den toescheut stuit, en sloopt, of schutze(12) op zyn rondas,
Tot dat hem Michal, in t schittrend harrenas,
Verschynt, gelyck een Godt, uit eenen kring van zonnen.
Zit af, Lucifer, en geef het Godt gewonnen.
Geef over uw geweer en standert: stryck(13) voor Godt.
Voer af dit heiloos heir, dees goddelooze rot,
Of anders wacht uw hooft(14). Zoo roept hy uit den hoogen.
D Aertsvyant van Godts naem, hardneckig, onbewogen,
En trotser op dat woort, hervat in aller yl
Den slagh, tot driewerf toe, om met zyn oorloghsbyl
Den diamanten schilt, met een Godts naem, te kloven:
Maer wie den hemel terght, gevoelt de wraeck van boven.
De heirbyl klinckt en springt op t heiligh diamant
Aen stucken. Michal verheft zyn rechte hant,
En klinckt den blixemstrael, gesterckt door t alvermogen,
Dien wrevelmoedigen, door helm en hooft, in d oogen
Al t ongenadigh,(15) dat hy achterover stort,
En uit den wagen schiet, die omgeslingert, kort
Met Leeuw en Draeck en al, den meester volght in t zincken.
De standert van de star vergaet hier op het blincken;
Zoo ras Apollion myn vlammend zwaert gevoelt,
Den standert geeft ten roof, dar t barrent en krioelt
Van duizentduizenden, om t hooft der helsche schaeren
In t vallen voor den val en nersmack te bewaeren.
Hier yvert Belzebub: daer trotst ons Belial.
Daus wort de maght ontsnoert, en met den zwaeren val
Des Stedehouders breeckt de boogh der halve maene
In stucken. Echter kont Apollion ter baene
Met zoo veel monstren als de kloot des hemels draeght.
De Reus Orion(16) schreeut, dat al de lucht versaeght,
En pooght met zyne knods ons heirspits t hoofd te kneuzen,
Die op Orions past, nocht knodzen, noch op reuzen.
De Noortsche Beeren(16) op hun achterklaeuwen staen,
Om met een dommekracht in t hondert toe te slaen.
De Hydra(16) braeckt vergift, en gaept met vyftigh keelen.
Ick zie een galery, vol oorloghstafereelen,
Geboren uit dien slagh, zoo wyt men af kan zien.

RAFAL.

Gelooft zy Godt: valt ner: aenbidt hem op uw knien.
Och Lucifer, helaes, waer blyft uw valsch betrouwen?
Helaes, in welck een schyn zal ick u lest aenschouwen?
Waer is uw klaerheit nu, die allen glans braveert?

URIL.

Gelyck de klaere dagh in naeren nacht verkeert,
Wanneer de zon verzinckt, vergeet met gout te brallen;
Zoo vort zyn schoonheit oock, in t zincken, onder t vallen,
In een wanschapenheit verandert, al te vuil;
Dat helder aengezicht in eenen wreeden muil;
De tanden in gebit, gewet op stael te knaeuwen;
De voeten en de hant in vierderhande klaeuwen;
Dat glinstrend parlemoer in eene zwarte huit.
De rugh, vol borstlen, spreit twee draeckevleugels uit.
In t kort. d Aertsengel, wien noch flus alle Englen vieren
Verwisselt zyn gedaente, en mengelt zeve dieren(17)
Afgryslyck onder een, naer uiterlycken schyn:
Een leeu, vol hoovaerdy, een vraetigh, gulzigh zwyn,
Een traegen ezel, een rinoceros, van toren
Ontsteecken eene sim, van achter en van voren
Al even schaemteloos, en geil en heet van aert,
Een draeck, vol nyts, een wolf en vrecken gierigaert.
Nu is die schoonheit maer een ondier, te verwenschen,
Te vloecken, zelf van Godt, van Geesten, en van menschen.
Dat ondier yst, indien t blicken op zich slaet,
En deckt met damp en mist zijn gruwelijck gelaet.

RAFAL.

Dat leert Staetzucht Godt naer zijne kroon te steecken.
Waer bleef Apollion?

URIL.

                                     Hy zagh zijn ty verstreecken,
Op t ondergaen der sterre, en vloodt: een ieder vloodt.
De hemelsche kortou van boven, schoot op schoot,
Met werlicht, blixemen en donderen aen t rollen,
De monsters, in het licht geklautert, holp aen t hollen,
En groeide in zulck een jaght. Dat was t een dwarreling
Van buien ondereen! Hoe ruischt et hier! Wat ging,
Wat ging er een gety! Ons maght, van Godt gezegent,
Ruckt voort, en treft, en sloopt voor s hants van zy bejegent.
Wat green hier overal, waer t op een vlughten ging,
Een wilde woestheit, een gestaltverwisseling,
In leden en in leest! Men hoortze brullen, bassen.
D een janckt, en d ander huilt. Wat zietmen al grimassen
En Engletronin nu zweemen naer de hel,
En helsche gruwzaemhen. Daer hoor ick Michal,
Om triomfant in t licht met Engleroof(18) te praelen.
De Reien groeten hem met lofzang, en cimbaelen,
Schalmeien, en tamboer. Zy treden hier vooruit,
En stroien lauwerloof, op t hemelsche geluit.

REY VAN ENGELEN. MICHAL.

REY VAN ENGELEN.

      Gezegent zy de Helt,
      Die t goddeloos gewelt,
En zijn maght, en zijn kracht, en zijn standert
      Ter neder heeft gevelt.
      Die Godt stack naer zijn kroon,
      Is, uit den hoogen troon,(19)
Met zijn maght in den nacht nergezoncken.
      Hoe blinckt Godts Naem zoo schoon!
      Al brant het oproer fel,
      De dappre Michal
Weet den brant met zijn hant uit te blusschen,
      Te straffen dien rebel.
      Hy handhaeft Godts banier.
      Bekranst hem met laurier.
Dit palais groeit in pais en in vrede.
      Geen tweedraght hoort men hier.
      Nu zingt de Godtheit lof,
      In t onverwinbaer hof.
Prijs en eer zy den Heere aller Heeren.
      Hy geeft ons zingens stof

MICHAL.

Gelooft zy Godt: de Staet hier boven is verandert.
D Aertsvyant leit er toe. Hy laet ons zijnen standert,
En Morgenstar, en helm, en vaenen, en rondas,
Dien afgejaeghden roof, aen s hemels heldre as,
Met juichen, en triomf, en eere, en lofgezangen,
Bazuinen, en trompet, ten klaeren spiegel hangen
Van wederspannigheit en Staetzucht, die den kam
Verheffen tegens Godt, den onverzetbren stam,
En oirsprong, en de bron en Vader aller dingen,
Die wezen en natuur en eigenschap ontfingen.
Men zal niet meer den glans der Oppermajesteit
Bezwalckt zien door den damp van snoode ondanckbaerheit.
Zy zwerven in de lucht, en tuimelen, en woelen,
Heel diep beneden ons gezicht en deze stoelen,
Benevelt, en verblint, en ysselijck misvormt.
Zoo moet het gaen, die Godt en zijnen stoel bestormt.

REY VAN ENGELEN.

Zoo moet het gaen, die Godt en zijnen stoel bestryden,
Den mensch, naer t hemelsch beeldt geschapen, t licht benijden.

GABRIL. MICHAL. REY.

GABRIL.

Helaes, helaes, helaes, hoe is de kans gekeert!
Wat viert men hier? t Is vergeefs getriomfeert:
Vergeefs met wapenroof en standerden te brallen.

MICHAL.

Wat hoor ick, Gabril?

GABRIL.

                                      Och, Adam is gevallen;
De vader en de stam van t menschelijck geslacht
Te jammerlijck, te droef alree ten val gebraght.
Hy leit er toe.

MICHAL.

                        Dat is een donderslagh in d ooren.
Al yze ick, my verlangt die nederlaegh te hooren.
Heeft dan t verwaten hoofd het aerdtruck oock bestren?

GABRIL.

Hy ruckte, na den slagh, t verstroide heir by een,
Doch eerst zyne Oversten, die voor elckandre gruwen;
En zette zich, om t licht van t alziende oogh te schuwen,
In eene holle wolck, een duistre moortspelonck
Van nevlen, daer geen vier dan uit hun blicken blonck;
En, midden in den ring des helschen Raets gezeten,
Hief uit zyn zetel aen, te helsch op Godt gebeeten;
Ghy maghten, die zoo trots voor ons gerechte zaeck
Dien afbreuck hebt gelen; nu is het tyt om wraeck
Te nemen van ons leet, en listigh en verbolgen,
Met onverzoenbren wrock den hemel te vervolgen,
In zijn verkoren beelt, en t menschelijck geslacht
Te smoren in zyn wiegh en opgang, eer het maght
In zyne zenuw kryge, aenwinne in zyne erven.
Myn wit is Adam en zyn afkomst te bederven.
Ick weet, door t overtren der eerstgestelde wet,
Hem aen te wrijven zulck een onuitwischbre smet,
Dat hy, naer lijf en ziel, met zijn nakomelingen
Vergiftight, nimmer zal ten zete innedringen,
Waeruit men ons verstiet: edoch gebeurt het al,
Dat iemant bovenstijge, een kleen, en dun getal,(20)
En noch door duizent don, en arrebeit, en lijden,
Zal steigren tot den Staet en kroon, dieze ons benijden.
Elenden zullen zich terstont, op Adams spoor,
Verspreiden zonder endt, de wijde weerelt door.(21)
Natuur zal, van dien slagh getaistert, schier verteeren,
En wenschen in een Niet of mengelklomp te keeren.
Ick zie den mensch, die naer het beelt der Godtheit zweemt,
Van Godts gelycknis verbaster en vervreemt,
In wil, geheugenis en zyn verstant ontluistert,
Het ingeschapen licht benevelt en verduistert,
En wat den dagh beschreit, in s moeders bangen schoot,
Gevallen in den muil der onvermybre Doot.
Ick wil de tiranny verheffen, altijdt stouter
En u, mijn zoons, gewijt tot Godthen,(22) op het outer,
In kercken, zonder tal, tot aen de lucht gebout,
Vereeren offervee, en wieroockgeur, en gout,
Oock zoo veel menschen, als geen tong vermagh te noemen,
En al wat Adam teelt in eeuwigheit verdoemen,
Door gruwelstuck op stuck, Godts naem ten trots begaen.
Zoo dier wil hem mijn kroon, en zijn triomffeest staen.

MICHAL.

Verwaten vloeck, zoo trots de Godtheit noch braveeren!
Wy willen u eerlang dat lasterstuck verleeren.

GABRIL.

Aldus spreeckt Lucifer, en zent Vorst Belial,
Op dat hy datelyck den menschen breng ten val.
Dees schiet de boosheit zelf, de listighste aller dieren,
De slang aen, om met glimp van woorden te vercieren
Het lockaes, t welck aldus d onnoosle schepzels ving,
Daer zy geslingert om den tack der kennis hing.
Heeft Godt, op halsstraf, u zoo dier, zoo streng, benomen
Den vrydom van dit ooft, den smaeck van t puick der boomen?
Neen Eva, simple duif, geensins: ghy zyt verdwaelt.
Aenschou eens, bid ick u, dien appel. Ay, hoe straelt,
Hoe gloeit dit ooft van gout en karmozijn te gader
Hoe noodt u dit bancket! Ay dochter, tr wat nader:
Hier nestelt geen venyn in dit onsterflyck loof.
Hoe lockt dees vrucht! ay pluck, ay pluck vry: ick beloof
U weetenschap en licht. Wat deistghe, bang voor schennis?
Tast toe, en wordt Godt zelf, in wysheit, en in kennis,
En weetenschap gelyck, en eere, en majesteit,
Hoe zeer hy t beny. Zoo vat men t onderscheit
Het wezen en den aert en d eigenschap der zaecken.
Terstont begint het hart der schoone bruit te blaacken,
T ontvoncken, en zy vlamt op d aengepreze vrucht.
De vrucht bekoort het oogh, het oogh den mont, die zucht.
De lust beweeght de hant al bevende te plucken.
Zoo plucktze, en proeft, en eet (dat wil haer afkomst drucken!)
Met Adam, en zoo dra hunne ooghen opengaen,
En zy hun naecktheit zien, bedenckenze, met blan,
Met vijgenloof, hun schaemte en schande en erfgebreken,
En gaen zich in geboomte en schaduwen versteecken,
Versteecken, maer vergeefs, voor t aldoordringende oogh.
De lucht betreckt allengs. Zy zien den regenboogh
Gespannen, als een bode en voorspoock van Godts plaegen.
De hemel treurt in rou. Geen handewringen, klaegen,
Noch schreien helpt den mensch en zijne wergade. Ach,
Het werlicht, reis op reis: het dondert, slagh op slagh.
Al wat men hoort en ziet, is schrick, en angst, en zuchten.
Zy vlughten voor hun schim, maer kunnen niet ontvlughten
Den worm, die t hart doorknaeght, het overtuight gemoedt.
De knickebeenen beide, en struicklen, voet voor voet.
Het aengezicht ziet doots, en d oogen, diep verdroncken
In traenen, zien geen licht. Hoe is de moedt gezoncken!
Hoe stack hy flus het hooft zoo moedig in de lucht!
Het ritslen van een bladt of beeck, een kleen gerucht
Verbijstert hen; terwijl een zwangre wolck komt daelen,
Die scheurt, en baert allengs een licht, een glans, en straelen,
Daer d Opperste uit verschijnt, in dien bedruckten staet,
En dondert met zijn stem, die hen ter aerde slaet.

REY.

Och, och, och, och, de mensch waer nutter nouit geschapen.
Dat leert zich aen een vrucht, een mont vol saps, vergaepen

GABRIL.

O Adam, dondert Godt, waer zijt ghy toe geraeckt?
Vergeefme, Heer. Ick vlught uw aenzicht, bloot en naeckt.
Wie leerde u, vraeght hem Godt, uw schaemte en naecktheit kennen?
Durft ghy uw lippen aen verbode vruchten schennen?
Mijn gade, mijne bruit bekoorde my, helaes.
Zy zeght: de slimme slang bedrooghme met dit aes.
Dus schuift elck van den hals den oirsprong der gebreken.

REY.

Gena! Wat vonnis wort op de vergrijp gestreecken?

GABRIL.

De Godtheit dreight de vrou, die Adam heeft verleit;
Met wen, baerensnoot, en onderworpenheit;
Den man met arbeit, zweet, en zorge, en lastigh slaven;
Den acker, die den mensch ten leste zal begraven,
Met onkruit en veel ramp; de slang, om t loos misbruick
Van haer doortrapte tong, zal kruipen op den buick,
Langs d aerde heene, en slechts by stof en aerde leven.
Maer om den armen mensch een vasten troost te geven,
In zulck een jammernis, belooft de Godtheit trou
Te wecken, uit het zaet en bloet van d eerste vrou,
Den Stercken, die de Slang, den Draeck, het hooft zal pletten,
Door erfhaet, van geen tijt noch eeuwen te verzetten.
En schoon dat felle Dier hem naer de hielen bijt,
Noch triomfeert de Helt met eere, na dien strijt.
Ick koom uit s Hooghsten naem dat onheil u ontvouwen.
Stel daetlijck orden, eerze ons moeite op moeite brouwen.

MICHAL.

Uril, Schiltknaep, die het heiligh Recht bewaert,
En reuckeloosheit straft; grijp aen uw vlammend zwaert:
Vliegh heene naer om laegh, en drijfze beide uit Eden,
Die d eerste wet zoo blint, zoo reuckloos overtreden.
Bewaeck den ingang van t ontheilight paradijs,
En keer de ballingen met kracht af van de spijs,
Den boom, die t leven reckt. Gedoogh niet, datze pluicken
D onsterfelijcke vrucht, en t hemelsch ooft misbruicken.
Ghy wort op schiltwacht voor den hof en boom gestelt.
Dat Adam buiten zwerve, en, vroegh en spade, velt
En klaigront ommeploegh, waer uit hem Godt bootseerde.
Ozias,(23) aen wiens vuist de Godtheit zelf vereerde
Den zwaren hamer van gekloncken diamant,
En ketens van robijn, en krammen, spits van tant,
Ga heene, vang en span het heir der helsche dieren,
Den Leeu en fellen Draeck, die tegens ons banieren
Dus woeden: vaegh de lucht van dees vervloeckte jaght,
En boeize aen neck en klaeu, en ketenze met kracht.
Dees sleutel van den put des afgronts en zijn holen,
Wort, Azarias,(23) u en uwe zorgh bevolen.
Ga heene, sluit in t hol al wat ons maght bestrijt.
Maceda,(23) neem dees torts, die vlam is u gewijt:
Ontsteeck den zwavelpoel, in t middelpunt der aerde,
En pijnigh Lucifer, die zoo veel gruwlen baerde,
In t eeuwigbrandend vier, gemengt met killen vorst;
Daer Droefheit, Gruwzaemheit, Versteentheit, Honger, Dorst,
De Wanhoop, zonder troost, de prickel van t geweeten,
En Onverzoenbaerheit, een straf van t boos vermeeten,
Versteecken van den glans der Godtheit, in dien roock,
Getuigen s hemels ban, gevelt op t heiloos Spoock;
Terwijl t beloofde Zaet,(24) verzoenende Godts toren,
Herstelle uit liefde al wat in Adam wert verloren.

REY.

Verlosser, die de Slang het hooft verpletten zult,
t Vervallen Menschdom eens van Adams errefschult
Verlossen t zijner tijt, en wer voor Evaes spruiten
Een schooner paradijs hier boven opensluiten;
Wy tellen d eeuwen, en het haer, en dagh en uur,
Dat uw gena verschijn; de quijnende Natuur
Herstell, verheerlijcke in lichaemen en zielen;
Stoffeerende den troon,(25) daer d Engelen uit vielen


      - UIT -


Voetnoten:

(1) Wat verwerft gij een schat van verdiensten.

(2) Een komeet.

(3) Oppergezag van God.

(4) Men bedenke, dat de driehoek het symbool der Heilige Drieenheid is.

(5) De halve maan is het veldteken van de Turken.

(6) Lucifer.

(7) Had ik hem maar overgehaald, om van zijn plan af te zien!

(8) Staf in groenen wapendos. De vlag der Turken is groen.

(9) Wachtpost in het luchtruim.

(10) Luciferisten.

(11) zwellende van vergif.

(12) Het logisch onderwerp van schut is Lucifer.

(13) Stryck den standert (strijk de vlag: geef u over)

(14) Ander verliest u uw hoofd.

(15) Al te betekent bij Vondel dikwijls: zeer.

(16) Orion, Noortsch Beeren (Grote en Kleine Beer) en Hydra zijn benamingen van sterrenbeelden.

(17) Zeven dieren, die de zeven hoofdzonden voorstellen.

(18) Oorlogsbuit, op de afvallige engelen behaald.

(19) De hemel.

(20) Slechts een kleen en dun getal zal steigren, is hoofdzin.

(21) Overal waar Adam en zijn afstammelingen gaan.

(22) De afgoden worden als duivels voorgesteld.

(23) Ozias: kracht Gods. Azarias: hulp Gods. Maceda: vuurgloed. Deze drie komen in de Bijbel niet voor als engelen; de namen zijn door Vondel gekozen, om hun betekenis.

(24) Christus.

(25) De Hemel.


HET VIERDE BEDRYF INHOUD

Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001