Joost van den Vondel (1587-1679)

NOODIGH BERECHT

over de nieuwe Nederduitsche misspellinge.

Sedert eenige jaren herwaert had Neder-duitschlant het geluck dat vernuftige Schryvers en Letterkunstenaers loflyck hunnen yver besteedden in onze Spraeck te verrycken, te schuimen, te zuiveren, ~ en te regelen, door schriften, of letterkunstigh onderwijs; waerover wy tegenwoordigh niet voornemen ons inzicht, onder verbeteringe van letterwyzen, te melden, dan alleen wat de misspellinge belangt, in het verdubbelen der klinckletteren, by weinigen begonnen in te voeren; gelyck (om een voorbeelt te stellen) voor Vader, Vaader; voor vrede, vreede, voor Koning, Kooning, en diergelycke walgende verdubbelingen van klinckletteren meer; quansuis om de langkheit van den klanck der syllabe of lettergrepe uit te drucken, en niet te lezen Vadér, vredé, Konìng: welcke verdubbelinge ick, gelyck ook eertyts van wylen den hooghgeleerden Heere Vossius zelf, oordeele een gansch ongerymde en overtollige misspellinge te wezen, tegens den voorgang van Hebreen, Griecken, Latynen, Italianen, Spanjaerden, Franschen, Hooghduitschen, en andere tongen: en schoon men dezen voet van verdubbelen al volghde, noch blyft evenwel de twyfelachtigheit der langkheit of kort heit des klancks der syllabe of lettergrepe, in een ongelyck grooter getal van andere woorden, daer de klanek lang valt, op d’eerste, of tweede of derde lettergreep, gelyck by deze voorbeelden blyckt, namelyck op d’eerste in áfgaen: op de tweede, in berm; op de derde, in koopvaerdìj. het welck iek noodigh vondt aen te wyzen, om den inbreuck van deze wilde woestheit te stuiten, de Nederlandsche pennen voor d’aenstootelycke klippe dezer misselycke misspellinge te waerschuwen, en zulck een inckvlack uit onze boecken te wisschen.

HORATIUS:

Leef long: vaer wel, of slaet ghy beter gelt als dit,
Zoo deel hel rustigh me; zoo niet, bestem mijn wit.


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001