WOORDENLIJST BIJ:

LUCIFER

Joost van den Vondel (1587-1679)


aen te vangen: te beginnen.
aen te wrijven: toerekenen, toedichten, aantijgen.
aengeschooten: aangetrokken.
af: van.
al: heelal.
allerbraefste: allerdapperste.
Almogentheden: God.
alreede: reeds, al.
appel: appelboom.
aren: spieren.
aspunt: uiteinde van een as.

banier: vaan, veldteken.
barnt (barnen, barnde, heb gebarnd): brandt.
barrening: branding, onstuimig krijgsgewoel.
barrent: wemelt.
bassen: blaffen.
basterdy: onwettige geboorte.
bazuin: trompet, hoorn.
Bdellion: gesteente, dat genoemd wordt in het Oude Testament.Het wordt door diverse bronnen geïnterpreteerd als kristal, robijn, parel of amber.
beemden: weilanden, veld met bloemen, wandellaan (dichterlijk).
bedroefde: troebele.
Behemoth: zeemonster, genoemd in het bijbeldeel Job.
bejegenen: ontmoeten.
bekennen: belijden.
bekoorde: verleide, betoverde.
bekoort: verleidt, betovert.
belangt: betreft.
belgen: maken zich boos.
belghzucht: lichtgeraaktheid.
bescheiden: ontboden.
beschreit: beweent, om huilt.
beschut: bescherm.
betoomen: beteugelen, tegenhouden.
betrout: toe vertrouwd, vertouwen stelt in.
bevallen: overvallen.
beveelen: toevertrouwen.
bevroeden: begrijpen, vatten.
bewilligh: willig …… in.
bezegelen: geheim houden.
bezint den mensch: is de mens bijzonder toegenegen.
bid: smeek.
blijft: zal zijn.
bommen: trommels.
brallen: schreeuwen, razen, tieren, pochen.
brave: dappere.
braveeren: prijken, pralen, pronken.
brave(ert)(ren): trotse(ert)(ren).
breidele: toomt in, remt af.
brommen: schitteren.
bronaêr: bron, oorsprong.
bykans: bijna, op het kantje af, kantjeboord.
By zich: uit zichzelf.

Cherubijn: hemelgeest, vuur-, vlambode.
cimbaelen: bekkens.

daer: waar.
in den dagh: in het licht.
dar: durft.
dolheit: krankzinnigheid, (figuurlijk) dwaasheid.
door toeval: door het toevallen, bijvallen.
doorluchtste: hoogadelijkste, aanzienlijkste, achtbaarste.
driewerf: drie maal.
drom: menigte, gelederen.
drommels: drommen, menigten.
druck: treur(nis), verdriet.
duicken: zwichten.
dun: klein.

echter (achter): daarna, naderhand.
edoch: maar, echter.
eer: vereering.
eerlang: binnenkort, spoedig, weldra.
eerlijck: eervol.

flus: straks, zoëven, zo aanstonds,
flux: dadelijk, spoedig.
fnuicken: de slagpennen van de vleugels uitrekken, figuurlijk: verijdelen, ten onder brengen.

gareel: (paarden)tuig.
gebiet: gezag.
geboôn: geboden.
te gader: te samen, met elkaar.
gebruicken: genieten
genade: ik bid u, ik smeek u.
genadepant: genadeleen (Een leen, dat ten allen tijde door de leenheer weer in zijn bezit kan worden genomen).
gerust genoegen: berustende tevredenheid.
geslecht: beslecht, vereffent.
gespan: gezelschap.
gespeelen: speelgenoot, speelmakker.
gestalt: gedaante.
gesteecken: geblazen.
getal: aantal.
gevaeght: weggeveegd.
gewest: gebied.
geweer: wapen.
gezoent: verzoend.
Ghy vat het recht: U begrijpt het goed.
gladt: (ge)makkelijk.
glimp: masker.
glimpelijx: bedriegelijk.Het anders voorstellen dan het werkelijk is.
Griffoen: Griffioen: mythologisch dier, half arend, half leeuw.
grimassen: vertrokken gelaatstrekken.
grimmelen: wriemelen, wemelen.
green: griende, huilde.
groeide: had plezier.
groeit: verheugt, verlustigt zich.
gront: bodem.

havicksvlucht: troep havikken.
heil: geluk, welvaart, zaligheid.
heil en staet: heilstaat.
heir: leger.
heirbaen: grote weg, koningsweg.
hellebaert: speer, waaraan een bijl is toegevoegd.
herwaert: hierheen.
hoeck: moeilijkheid.

immers: toch.
In ’t allerminste lidt: tot in de kleinste onderdelen.
innedringen: binnendringen.
’t Is nacht met: ’t Is gedaan met de schittering van.

kanten (zich): verzetten (zich)
karmozijn: donkerrood.
karos: statiewagen, dichterlijk: wolkenwagen.
keurebenden: legioenen, uitgelezen (elite) troepen.
kloeck: wijs, schrander, moedig.
kooraelen: koorzangers.
Kornels, kornellen: kolonels.
krackeelen: twisten, kijven, ruzie maken.
kreits: loopbaan van een planeet.
krits: glorie.

landouw: veld of land, voor zover het bewaterd en hierdoor voor akkerbouw geschikt is.
lastigh: onaangenaam, vervelend
lastren: misdaden.
leest: lichaamsvorm.
legh het over: overlegt het.
leit ’er toe: is verslagen.
Leviat(h)an: Watermonster, grote slang, krokodil (Job XL en XLI).
licht: gemakkelijk.
lievereien: uniform, dienstkleding voor bedienden.
loef: bovenwinds.(waar de wind vandaan komt.)
lucht en wolck: donderwolk.
luchte: schitterende.
ly: benedenwinds (waar de wind naartoe gaat.)

maelme: beschrijf me.
majesteit: waardigheid, machtsvertoon.
mengelklomp: chaos,
middel: middenweg.
middelaers: tussenpersonen, bemiddelaars, scheidsmannen.
’ k misdancke dan: ik bedank dan voor, ik doe afstand van.
mishandelt: verkeerd gehandeld.
mommen: zich vermommen.
muitineeren: muiten, opstand.

nedersteegh: afdaalde.
neffens: nevens, dichtbij, naast.
neven: nakomelingen.
niet te reppen: niet aan te tasten.

offren: aanbieden.
onbewust van wancken: behoord bij Hem (God).
onderdane: onderworpen.
onderschraegen: ondersteunen, helpen, bijstaan.
onderweerelt: de Aarde.
onderzaet: onderdaan.
ongelijck: verongelijking, onrecht.
ongeluit: wangeluid,
ongenoeght: misnoegen.
onnozelheit: onschuld.
ontsnoert: ontbonden.
onschult: verontschuldiging.
ontveinzen: iets verborgen houden, niet uitkomen voor iets.
ontvoncken: in gloed raken.
ontvou: leg uit, verklaar duidelijk, zet uit een.
ontwassen: te groot geworden.
ooft: fruit.
ooghmerck: bedoeling.
oorelooght: strijdt, voert oorlog.
oorloghsstandert: oorlogsvaandel.
ootmoedigh: onderworpen nederig.
op: aan.
op dien voet: in die zelfde mate.
op een’ sprong: plotseling, onverwacht.
opensluiten: ontsluiten, ontgrendelen.
opgespalckte: wijd open.
oploopentheit: drift, opvliegendheid.
op schiltwacht gestelt worden: wordt als bewaker aangestelt
optoght: krijgstocht.
outer: altaar.
over ’t hooft te wassen: boven het hoofd groeien (figuurlijk).
overwijt: te wijd.
overtuight: zich van schuld bewust.

pais: vrede.
paejen: tevreden te stellen.
parle huiven: met parels versierde hoofdeksel.
plakkaet: gebod.
pleit: rechtszaak, geding.
pluicken: plukken.
port: drijft.
prysselijck: loffelijck.
puick: het beste.

reis: keer, maal.
reuckloos: roekeloos.
rinoceros: neushoorn.
rondas: rond schild.
rot: manschappen, aanhang.
rusting: wapentuig.

scepter: koningsstaf, rijksstaf
scha(e)ren: menigten.
schalmeien: Blaasinstrumenten, met gaten en kleppen, met van boven een dun mondstuk en onder een wijder klankstuk.
schennen: ontheiligen, schenden.
schennis: schending, ontheiliging.
schier: bijna.
schilt en wapen: schildwapen, wapenschild.
schooner: mooier.
schut: weert af.
schutgevaert: het schieten.
Serafijnen: engelen, hemelingen.
sim: aap.
simple: eenvoudige, onnozele.
slaven: hard en langdurig werken, (af)beulen.
smilte: huilde.
slaven: hard aanhoudend werken, beulen.
slingerslagh: behendige slag.
slincken: linker.
slinx: links.
slissing: blussing.
sloot: besloot.
sneven: sneuvelen, onkomen.
snoode: boze, slechte, misdadige.
snoode: geringen, nietswaardigen.
spa: laat.
spelt: voorspelt.
spruiten: afstammelingen, kinderen.
spitsen: opzetten.
staeft: bevestigt, bekrachtigt.
staetverwisseling: verandering in iemands rang of stand.
stadthoudery: bestuursgebied.
standert: vaandel.
stijven: bevorderen, versterken, ondersteunen.
stof: aanleiding, reden.
stouten: dappere.
sufferye: strijkerij, onderdoen.

tafel: reeks, geslachtstafel.
tamboer: trommel.
ter vlucht: tot vliegen.
toegequinkeleert: toegezongen met een trillende strot.
toescheut: toeschietenden.
teffens: tevens, tegelijk, gelijktijdig.
tin(ne): een soort omheining op de bovenkant van een muur.
toren: toorn, woede.
trans: torenomgang, figuurlijk: het hoogste.
trant: tred.
trezooren: schatten, schatkamers.
triomfen: zegezangen, feestgezangen.
troni: gezicht, gelaat.
trotst: tergt, daagt……it.
trouwen: kiezen.
trouwanten: trawanten, begeleiders, wachters.
tuigen: getuigen, getuigenis afleggen.
tusschenspreecken: bemiddelen.

uiterste bera: zich op het laatste ogenblik bedenkt, tot inkeer komt.

vallen: zijn.
vazal: leenman.
velttekens: (oorlogs)seinen.
verbaest: ontstelt, pijnlijk treft.
verbazen: vernederen.
verbeien: wachten, toeven, verblijven.
verbeurt: misdaan, (ons) schuldig gemaakt.
verbolgen: kwaad.
verdadige: verdedig (in de rechtbank).
verdoolt: verdwaald.
verdoolen: verdwalen, in de war raken.
verf: kleur.
vergaderen: verzamelen
verheergewaede: hulde brengen, die een leenman aan zijn leenheer verschuldigd is.
verhoe: belet, voorkom.
verlegen: begaan.
vermagh: heeft de macht.
vermeeten: vermetel, dapper, stoutmoedig.
verouden: worden ouder.
verruckt: vervoert, bekoort, doet opgetogen zijn.
verscheel: verschil.
verschieten: opdoemen.
verschoon: vergeef.
verslens(t)(en): verwelk(t)(en), verble(ekt)(ken).
versteecken: verstoppen, verbergen (als voltooid deelwoord: verstopt, verborgen).
verstout: verschalk, in de val laten lopen.
verstoute zich: vatte moed, durfde.
vervaeren: bang maken.
verwa(e)ten: verdoemde, verbannen.
verwonnen: overwonnen.
verzweeren: afzweren.
vier: vuur.
vliën vlieden: vluchten.
vlieten: rivieren.
vloeck: vervloekte.
vloodt: vluchtte.
voeght: past, betaamt.
voetschabel: voetenbankje.
voor de vuist: openlijk.
voortreën: voorgaan.
voorspoock: voorafgaand blijk van een naderend ongeluk.
voorstant: steun, bevordering.
vordren: voordelig zijn.
vraetigh: vraatzuchtig.
vrijen: bevrijden, maken vrij.
vroomen: goedgezinden.
vrydom: ontheffing, vrijstelling, privilege.

waeck op: wordt wakker.
wacht: zorg.
waeght: is in beweging.
wancken: wankelen.
wapenhuis: arsenaal, bewaarplaats voor wapens en ander oorlogstuig.
wasdom: groei, toename.
wedergalm: echo.
wederwight: evenwicht.
wet: slijpt
weiden: zwieren.
wiert: werd.
wijl: poos.
wijs: manier.
wijt: ver.
wil: zal.
wit: doel(wit).
wit: zin, rede, verstand.
woort: bevel.
wortel: oorsprong, bron.
wulpsch vermogen: jong, overmoedig opperheer.

yl: haast.

zamenrotting, zamenrotten: oproeirige bijeenschol(ing)(en), groepsgewijs bijeenkom(st)(en).
zegel: wet.
zegenaêr: bron (ader) der zegeningen.
zincken: doen zinken.
zoen: verzoening, vrede sluiting.
zoo ieder is gewent: ieder naar zijn aard.
zulx: zodanig.
zwijm: flauwte.


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001