Joost van den Vondel (1587-1679)

MAAGDEN

INLEIDING

Tot oefening in stijl en trant en voorstellingswijze van de Grieken, heeft Vondel in 1639 het treurspel Elektra van Sófokles vertaald. Deze vertaling is door al te uitgebreide wijdlopendheid meermalen niet zo heel sterk in de weergave van woord en vers. In zijn opdracht aan Tesselschade prijst de dichter in Sofokles’ toneelkunst vooral „d’onnavolgelijke kunst”, de „gelijkmatige” samenstelling, en de gelijkheid van stijl „gepast naar de personagien”, de „levendige” uitbeelding, en vooral het openbaren van „velerleie hartstochten”; eigenschappen die hij altijd stelt als eis aan zijn eigen en aan ieder goed toneelspel.

In ’t zelfde jaar 1639 verschijnt zijn treurspel Maagden. Dit spel draagt hij niet op aan ’n bevriende of ’n hooggeplaatste persoonlikheid, zoals hij gewoon was, maar ditmaal is de opdracht „aan Agrippine”, dat is de stad Keulen zelf; en die opdracht is ’n fraai gedicht, ’n statige en grootse verheerliking van zijn geboortestad.

In Maagden beeldt Vondel een tweevoudige tragise strijd. Attila de woeste koning der Hunnen is vast besloten, zoveel in zijn vermogen ligt het kristendom en de kristelike beschaving uit te roeien, en is gestoten op het kristen bolwerk van het Noorden, de stad Keulen. In geweldige kamp worstelt de stad tegen de dreigende verwoesting. Tegelijk en als hoogtepunt in deze worstelkamp van het barbaarse ongeloof tegen de Kristen Kerk aanschouwen wij de strijd van Attila en zijn Hunnen tegen Sint Ursul en haar maagden. Die dubbele tragise kamp zal zijn verheugend einde vinden in ’n dubbele zegepraal: de zegevierende marteldood der H.H. Maagden, al is schijnbaar de overwinning aan’t ruwe geweld van Attila; en door die geestelike overwinning van Sint Ursul en haar tussenkomst, de tweede zegepraal, de redding van de bedreigde stad, en de volkomen nederlaag van de barbaarsheid: de zege is aan’t kristendom en de kristelike beschaving.

Niet altijd is Vondel erin geslaagd de martelstrijd van Ursula en de benauwenis van Keulen in zuivere innerlike eenheid uit te beelden; in enkele gedeeltes staan ze naast elkaar, en is de verbinding louter uitwendig. Maar over’t geheel is de inwendige bouw van’t spel goed geslaagd: de strijd Ursul-Attila beheerst heel het treurspel. Er zijn ook enkele zwakke tonelen (Ursul-Attila soms), en enkele delen in de reien missen de sterte zielespanning en daardoor de diepe zuivere ontroering (in de 2e en 4e rei).

Al behoort het dus niet tot Vondel’s allerhoogste treurspelen, ongetwijfeld mag het gerekend worden onder zijn voorname kunstwerken, om de sterke uitbeelding van’ de tragise strijd, de openbaring der woelende hartstochten, de beeldende plastiek, de zuivere ontroering, en de prachtige verwoording in taal en vers.


Voor Vondel’s persoonlik leven is dit treurspel van diepe betekenis. Was er in Gijsbrecht de openbaring van Vondel’s diepere inkering tot God en van zijn duidelike geneigdheid naar’t katolieke kristendom, Maagden mag met recht zijn bekeringspel heten. Waarschijnlik heeft hij zijn katolieke geboortestad bezocht bij de grootse viering (’n eeuwfeest?) van Sint Ursula’s gedachtenis. De zoekende heeft daar in’t noordse Rome de Katolieke Kerk in de praktijk mogen aanschouwen. Duidelik belijdt dit treurspel zijn inwendige katolieke overtuiging, al is zijn innerlik besluit nog geen openbare bekering. Die openbare overgang heeft hij gedaan tussen 1639 en 1641, misschien reeds kort na’t verschijnen van dit treurspel.

Maagden is zijn toneelspel op’t grote keerpunt van zijn leven: de inleiding tot het nieuwe en het voornaamste tijdperk ’: van zijn leven en van zijn dichterschap.

Zo duidelik had hij zijn nieuwe inwendigheid hier beleden, dat zijn protestantse stadgenoten zijn „zucht” tot de „Roomse Kerk” betreurden. Zijn levensbeschrijver Geraard Brandt verhaalt ons:

„Hoe prijswaardig het treurspel der Maagden was ten opzichte van de kunst, men vond er evenwel zaken in die velen bedroefden: des dichters zucht tot de stellingen en gewoonten der Roomse kerke, en zijn afwijking tot hare dwalingen” (op 1639). Dit treurspel is dan oot niet opgevoerd vóór het jaar 1650.


De dichter heeft als stof voor zijn toneelspel de Ursulalegende aanvaard, zoals die al eeuwen in woord en geschrift was overgeleverd: dat Sint Ursula met elf duizend maagden en enkele anderen, paus Cyríacus en Ursul’s bruidegom Aethéreus of Konaan, vóór de wallen van Keulen door de Hunnen om hun kristengeloof zijn vermoord.

De legende heeft de geschiedenis bijna onherkenbaar gewijzigd, uitgebreid, en opgesierd. De oudste geschiedbron is de gedenksteen van Clematius, die in de 4de eeuw de bouwvallige Sint-Ursula-kerk heeft herbouwd en voltooid op het vroegere martelveld der maagden. Deze gedenksteen, omtrent 400 ingemetseld aan de wand van’t koor, herinnert in enkele woorden de marteldood van Sint Ursula en haar gezellinnen, en de herbouw van de kerk. Geen namen worden genoemd en geen getal aangegeven; de kerk (de vroegere en de herbouwde) was toegewijd aan Sint Ursul en haar gezellinnen.

De tijd van hun marteldood valt derhalve in de eerste eeuw van de grote volkenverschuiving, dat is de 4de eeuw, of wel nog vroeger onder de kristen-vervolging van keizer Maximiaan, omstreeks 300. In de later ontstane legende is de dood van Sint Ursula in verband gebracht met de woeste krijgstochten van Attila en de Hunnen omtrent 450.

Wat de elfduizend maagden betreft, de oudste liturgise boeken, tot het einde van de 9de eeuw toe, spreken uitsluitend van ’n beperkt getal zonder meer, of uitdrukkelik van elf maagden (Sint Ursul en 10 gezellinnen), wier namen dan in sommige worden genoemd.

Paus Cyríacus van de legende heeft nooit bestaan, en evenmin is iets bekend van Ursul’s bruidegom. Ook is twijfelachtig of zij van britse afkomst waren.


Op het titelblad heeft de dichter als kernspreuken een griekse en een latijnse versregel geplaatst. De griekse is ontleend aan Heráklides (Herkules’ dochters) treurspel van Eurípides vs. 1044 en betekent:

U breng ik redding maar aan hun verderf, door mijn dood.

De latijnse is ontleend aan Vergilius’ Aeneïs I, 491:

Mediisque in millibus ardet:
Midden onder duizenden straalt haar luister.


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001