Joost van den Vondel (l587-l679)

MAAGDEN

HET EERSTE BEDRIJF

AARTSBISSCHOP. BURGEMEESTERS.

AARTSBISSCHOP.

O Constantin, die nu, bij God, een waarder kroon,
Een eedler scepter draagt, bezit een hoger troon,
En herelijker rijk, dan eertijds hier op díaarde,
Toen gij ít verwezen bloed verloste met den zwaarde,
Gezegend zelf van God in uw manhafte vuist;
Opdat zijn heilig zaad voortaan niet meer gekruist
Zou werden, als het vlood verzierde en valse goden,
Bijít goddelijke Recht zo hard, zo scherp, verboden:
Gij Held, die ít aards paleis omít hemels hebt geruimd;
Wat baat het toch, dat gij den gansen Rijnstroom schuimt
Van woeste vijanden, en heidense tirannen,
Eendrachtig tegens God en Christus ingespannen?
Nadien die felle Scyth en Noordvorst, opgewekt,
Germanje niet alleen, maar ít aardrijk overtrekt,
En passende op gebergt, noch duinen, nochte stranden,
Gaat overweldigen en schenden alle landen,
Die Gode en Zijnen Zoon ooit waren onderdaan.
Onnodig wasít Maxent en Maximin te slaan;
Dewijl de Noorman, ruim zo wreed en moordbaldadig,
De Christe Kerk vervolgt, de Neroís maakt genadig,
Al díoude gruwlen weer op heilloze outers zet;
De ziel, inít klaarste bad gewassen, weer besmet
Met ongeloof, verdrukt ít geloof der eerste Vaderen,
Ons dreigt met vier en strop, en opent Jezusí aderen;
Alsof te luttel bloeds gestort werd, toen de dwang
En dolle tirannij drie eeuwen ging in zwang.
De vierige Matern, een leerling van Sint Peter,
Wees deze stad vergeefs tot God, en op een beter;
Zo Got of Hun Gods dis, in rood tiras en bloed
Des martelaars gesticht, mag trapplen met den voet,
En op het smokend puin gaan huppelen en draven,
Waaronder uw gemeent leit levendig begraven.
De vindster van het Kruis, dat zo veel harten trekt,
Uw moeder, heeft vergeefs met louter goud gedekt
De kerk van Gereoen, en síGulden Martlers drempel;
Indien een roversklauw dien Godgewijden tempel
Zal plondren, en ít rood goud, en ít schitterend gesteent,
En strooien in den wind der Heiligen gebeent
En as, met zorg bewaard. Waartoe de marmerzerken?
De toetssteen? het albast? zoveel vermaarde werken?
Gevaarten, trots gebouwd met schatten en vernuft?
Díautaren zijn onnut, waarvoor zelf díafgrond suft
En ziddert. Waartoe lamp en kandelaar ontsteken?
Opdat het den soldaat niet zou aan licht ontbreken,
Naít overrompelen van poort en wal, bij nacht?
Wanneer hij, tempelen oplopende met kracht,
Kapel en koor ontbloot van dierbre heiligdommen.
Hoe snellijk velt men ít hoog, zo langzaam opgeklommen!
Waar bergt mijn schaapstooi zich, inít uiterste gevaar?
De mijter valt voortaan mijn ouderdom te zwaar.

BURGERMEESTER.

Eerwaardste Vader, hoe? mij dunkt aan al dit klagen,
Gij beeldt u zelven in ons droeve nederlagen,
En spelt alree den val der stad, ítwelk God verhoe.
Gij waart, in alít beleg, nog nooit zo bang te moe,
Noch zwichtte, schoon of al de klokken onraad klepten;
Dies raad en burgerij, inít vechten, hope schepten
En moed uit uw gelaat en voorhoofd even blij:
Ja nergens leed men last, díaartsbisschop kwam er bij,
En steef met raad en daad de mannen op de muren;
Daar waar hij slechs verscheen, daar mocht geen vijand duren,
Maar stoof, gelijk het stof, terug voor zijn gezicht.
Waar hij zijn ogen sloeg, scheen ieder blik een schicht,
Die ít grimmig harte trof, en ít leger brocht aanít wijken.
Eerwaardste Vader, hoe? zoudt gij ons nu bezwijken?
Wij hebben mannelijk tien stormen uitgestaan,
Geen elfste zalít ons doen: hij koom vrij echter aan.
Tíontbreekt aan volk noch trouw. Tíontbreekt aan hart noch handen.
Men heeft voor dezen ook Agripstad aan zien randen:
Maar hoeít Vitel bekwam, getuigt ons Houtvaartfeest,
Hetwelk men jaarlijks viert; wanneer Marsil zijn geest
Nog om zijn tombe danst; terwijl we met ons allen
God loven in triomf, en, juichende om de wallen,
Gedenken aan dien held, die ridderlijke ziel;
Hoe hij, gelijk een leeuw, die brult, ter poorte uit viel,
De voorste was, in streng beleggers voor te jagen,
En keerde gelaurierd, gezeten op den wagen,
Van paarden, wit als sneeuw, getrokken tízijner eer,
Die ons tot erfgoed liet zijn hart, en oud geweer.

AARTSBISSCHOP.

De burgemeester kan mijn geest niet zeer vermaken
Met een gelijkenis van ongelijke zaken.
Het leger van Vitel valt veel te licht en dun,
Gewogen tegen heir en heirkracht van den Hun;
íT geweld, daar geen geweld schijnt tegens opgewassen.
Het vruchtbaarste gewest van mensen (best zouít passen
Dat ik hen dieren noemde, in menselijken schijn)
Door ítwelk de Tanais loopt, waarmee díEuropers zijn
Van hunnen nagebuur, den Aziaan, gescheien,
Zendt krijgsvolk uit, als mut, en sterkt zich met livreien
Des konings Valamir, en ít heir van Harderik,
Vermaard ten oreloog, en veler landen schrik.
Hieronder mengen zich de Duringers, en Zwaven,
En Markmans, met al die zich onder Scythen gaven,
En vleiden de Fortuin van Attila, wiens macht
Tot zijn gehoorzaamheid de forse Gotten bracht,
De rijken reeg aaneen, en zegenrijk ten lesten,
Zich meester makend, streek de sluierkroon vanít Westen.
Stoot die zijn stalen kop voor deze glaze stad?
Neen Aquileia, ítwelk de zee te bate had,
Ja onverwinbaar scheen, en drie jaar uit kon harden,
Verscheurde hij, als rag en spinneweb, in flarden,
Met zijn bloeddronke kling, ít gelogen zwaard des gods:
Ik rep geen zwakker steen, op veer na niet zo trots.
O landstad, droog van graft! ik zie uw grondvest spatten.
íT gedurig stormen moet de beste burgers matten.

BURGERMEESTER.

Wij zijn dien dwingeland nog voor een wijl getroost.
Wie weet hoeít midlertijd wil dagen uit het Oost?
De zon zou Martiaan den Keizer eer verdrieten,
Dan tegensít godloos hoofd het harnas aan te schieten.

AARTSBISSCHOP.

O Rijn, een kranke troost, inít bitterst van uw smart.
De Bosphorus zit zelf benepen en benard
Van overal, en heeft te vijand de vier winden.
Hij bidt en smeekt om hulp al zijn gelijkgezinden.
De Perziaan vanít Oost, de Visigot vanít West,
Inít Zuiden de Vandaal, inít Noord dees Hunse pest
Hem dreigen, elk omít felst. Wie zouít verduren kunnen?

BURGERMEESTER.

Hij sluit bestand met drie, en demp dan eerst dees Hunnen.

AARTSBISSCHOP.

Wat hoor ik voor gerucht daar buiten, op de straat?

BURGERMEESTER.

Hier koomt een drommel volks. Hier komt een bo.

AARTSBISSCHOP.

                                                                        Men laat
Hem daadlijk binnen staan. Wat wil ons wedervaren?
Mijn geest voorzeit niet goeds. Ik vrees voor kwade maren.

BODE. AARTSBISSCHOP, BURGEMEESTERS.

BODE:

Geloofd zij God, dat ik dien klauw des doods ontsprong.
Nog liever aud en grijs gestorven, dan zo jong.

AARTSBISSCHOP.

Wat tijding? watís er gaans?

BURGERMEESTER.

                                              Wat tijding brengt ge? bode.

BODE:

Ik zweet van alít gedrang. Kw‚ tijding maakt me blode.

AARTSBISSCHOP.

Zeg op. Wie lijdt er last? Waar lijdt mijn bisdom nood?

BODE:

Vrouw Ursul is inít net met haar gehele vloot.

AARTSBISSCHOP.

Die zwarigheid heeft mij, als lood, opít hart gelegen.
Nooit tijgers, op hun jacht, onnoozler kudde kregen.

BURGERMEESTER.

Och Ursul, komt ge zo den ouden Maurus thuis?
Hae laadt gíop uwen hals dit zwaar en lastig kruis?

AARTSBISSCHOP.

Verhaal ons ít ganse stuk.

BURGERMEESTER.

                                          Hef aan, om tijd te winnen.

BODE:

Ik zal vrouw Ursulís tocht van deze kaai beginnen,
En leien haar te Rome, inít pauselijk paleis,
Van Rome weder hier; nadien ik al de reis
Het Joffrenleger volgde, uit lust tot zien en horen.

BURGERMEESTER.

Begin, wij luistren toe.

AARTSBISSCHOP.

                                    Al isít met droevige oren.

BODE:

Van Keulen kwam de vloot, voor wind en onvermoeid,
Te Bazel aan, waardoor dit blonde water vloeit,
En snijdt de stad in twee doch ongelijke delen.
De bisschop Panthalus ontving dees reisgespelen
En koninklijke maagd met een beleefd gemoed.
Men liet de schepen hier, en gaf zich voort te voet
Naar Rome, síwerelds hoofd, totdat men ons kon wijzen
Die sloten hoog gebouwd, daar zeven heuvels rijzen,
Omtrent den Tibervliet. Maar nauwelijks vernam
Ons komst Cyriacus, haar landsman, of hij kwam,
In goddelijk gestalt, met alle kardinalen,
En kerkelijke pracht, dees koningin onthalen.
Hij opende het hof, en offerde al zijn schat,
En lei ít verwelkomd heir inít beste van Gods Stad.
Om kortheid rep ik niet, hoe veel verlichte maagden,
Besprenkeld van zijn hand, het eeuwig Licht behaagden:
Wat joffers, aan Gods Stoel verbonden door haar bloed,
Dien band verdubbelden door een verzet gemoed.
Nadat ze Vatikaan, de apostolijke graven,
De kerken rijk gebouwd, en opgepronkt met gaven,
Der Heilgen overschot bezichtigd en bezocht,
De beevaart, God beloofd, ten vollen had volbrocht,
Met vasten, en gebeÍn, met waken, en met tranen;
Begon ze ít kuis geslacht met errenst op te manen,
Te staan op haar vertrek. Wij groeien in getal
Van beiderleie kunne. Eťn Maagd ontvonkt het al,
Ontvangt het al, en keert den nek geen laag geboren,
Noch draagt op hoogheid moed. Zij heeft het bei verkoren.
Cyriacus, opít licht dat hem de hemel gaf,
Steeg van Sint Peters stoel en hoge trappen af,
En werd haar kruisgenoot. Men denke ofít nijd verwekte
Bijít heidendom, daar zij een heldre leidstar strekte,
Voor menig dwalend hart. Nu bid ik, luister toch,
Wat ons gebrouwen wordt vanít heidense bedrog.

AARTSBISSCHOP.

Wij luistren toe met zorg, dat hier geen ramp uit kome.

BODE:

De burgemeesters zelfs en oversten te Rome
(Maximiaan heet díeen en díander Afrikaan),
Om ít enig koningskind behendig te verra‚n,
Te blussen ít zuiver licht, beginnen tíondervragen,
Wat weg zij veiligst acht, en leggen loze lagen,
Met valsen schijn; gelijk weleer Jeruzalem
Zijn kroon verneedren wou voorít Kind van Bethlehem
En ondertussen zwoer den Heiland te vernielen,
Al waar het ook doorít bloed van veel onnoozle zielen.

Men reisde inít end. Op weg ontmoet de bruid van pas
Den bruidegom, die van haar lot verzekerd was,
En om de martelkroon zijn goude kroon wou geven.
Zijn vader, ook besprengd met water, had dit leven
Verlaten, wel vernoegd. Zijn moeder, ook verlicht,
Met al haar dochteren, behartigde haar plicht.
Hij brocht Daria mee, zijn schoonmoÍr, nu geruster
Bij Ursul, ít enig pand, en ook zijn jongste zuster.
Zo keerden wij gezond te Bazel voor de stad:
Daar díaartsheldin opít hoofd van enen heuvel trad,
Omvlochten met een krans van ellefduizend maagden,
En mannelijken stoet; dienít wonderlijk behaagden
Heur aanschijn aan te zien. Zij wenkte. Elk zweeg terstond.
Toen sprak een God of geest door heur begaafden mond:
ĄGetrouwe, die mijn vaan gevolgd zijt van Brittanje;
Toen onlangs tíAgrippijn, het hoofd van laag Germanje,
De zoete en zachte slaap mijn harsenen beving,
Verscheen mij in den droom een rustig Jongeling.
íK verschoot inít eerst, en dee mijn ogen slapende open.
Zijn vleugels, bont van pluim, van manní en nektar dropen.
íT gekrulde en gouden haar bij lokken nederhing.
En ít hagelwit gewaad, met goud gezoomd, ontving
Doorít slingeren een zwier van boven tot beneden,
Niet minder aangenaam dan zijn volmaakte leden.
Hij sprak: o Maagd, die lust inít hemels leven schept,
Het onverganklijk goed voorít aards verkoren hebt,
En streeft naar eeuwige eer, gij zult dees reis voltrekken,
Maar op uw wederkomst dit veld hierhij bedekken,|
Met uw gewijde schaar, en steigren zo naar God,
Die u beschoren heeft een onwaardeerbaar lot.Ē

Zo sprak hij, en verdween. Wie nu door oorlogsmaren
Zich vindt bezwaard met mij den Rijnstroom af te varen,
Die kies een veilig pad, na dat het heur behaag.
Mijn wens is met dees vaan, die ik onwaardig draag,
Dees Kruisvaan in de hand te scheiden uit dit leven.
Toen riep alít heir: niet een van ons zal u begeven.
Wij wensen om die dood, wij treÍn in Jezusí eed.
Zo maakte een ieder zich, als tot een hoogtijd, reed.

AARTSBISSCHOP.

O mannelijk geloof in maagdelijke scharen!

BURGERMEESTER.

Tíwas immers wijd verspreid dat wij belegerd waren,
En Attila den stroom met brug en palen sloot.

BODE:

Alwie naar boven voer, die waarschuwde Ursulís vloot,
En spelde ít onweer al, hetwelk men op zag komen,
Maar bluste ít vier niet uit. Het opzet was genomen.
Men voer met voordacht recht den vijand in de mond,
Die op dees Joffers vlamde, en krijgsvolk opwaart zond,
Op den verwittigbrief van Afrikaan geschreven
En van Maximiaan, ophitsers van hun neven.
Men randde ons aan. Men dreef al stil langs díoverzij
Des Rijns, langs Duits de stad, vůůr zonneschijn voorbij,
Eerít iemand werd gewaar. Toen stak men endlijk over,
Naarít hoofd vanít leger toe, en ik ontsloop dien rover,
Met dezen hunsen rok verkleed, en onbekend.
De dwingeland verwacht mevrouw nu in zijn tent.

BURGERMEESTER.

Wat raad om den tiran dien vetten roof tíontrukken?

AARTSBISSCHOP.

Men vang van Jezus aan, misschien ofít wou gelukken.
Dat alle de gemeent, gescheiden uit haar werk,
Het raadhuis uit zijn ambt, ít gemoed met vasten sterk,
En vierige gebeen. Dat kerken, en kapellen,
En kloosters sívolks gebeen godvruchtiglijk verzellen;
En offrende opít autaar, God klagen heuren nood,
Tot redding, of tot troost der aangevochte vloot.

ATTILA. JULIAAN.

ATTILA.

Gij hebt die lichte vracht van Joffren dan gegrepen?

JULIAAN.

Al nimfen, elk omít schoonste, en Venus met haar schepen.
God Mars verleende u nooit een vriendelijker buit.
Zo ít krijgsvolk mocht begaan, elk zocht zijn gading uit.

ATTILA.

Waar raakten ze in uw net zo reukloos met haar allen?

JULIAAN.

Omtrent daar in den Rijn de Moezel koomt gevallen.

ATTILA.

Zijnít mans, en vrouwen bei?

JULIAAN.

                                              Tízijn joffers blank en schoon,

De mans meest wapenloos.

ATTILA.

                                            U werd nog spits geboŰn?

JULIAAN.

Daar werd noch zwaard noch pijl getrokken noch geschoten.

ATTILA.

Men hoorde een veldgeschrei?

JULIAAN.

                                                Een zang van speelgenoten,
Gelijk of ene bruid van koninklijken stam
Haar lieven bruidegom met vreugd in díarmen kwam.
Hieronder mengde zich de wedergalm der klippen,
Langs díoevers van den stroom. Opít roeren van de lippen
Dreef ít water langzaam af, en luisterde naarít lied,
Waarmee de maagderei Gods Roede welkoom hiet,
Daar Christenrijk om schreit. Zij schenen niet gevangen,
Maar, nu in vrijer staat, omít sterven te verlangen.

ATTILA.

Tíis vanít hardnekkig slag, dat naar zijn oudren aardt,
En liever met de borst en boezem loopt inít zwaard
Enít spits voor haar geveld, dan ongekwetst daar neffens.
Hoe droeg zich ít hoofd der vlote, als gij die vloot al teffens
Beknelde in uwe fuik, en leidí van land aan boord?

JULIAAN.

Vergeef me dit vergrijp. íK bekenít, ik werd bekoord,
Zodra ik Ursul zag van verre zich vertogen.
Men vraag niet, hoeít mij ging, toen ik haar onder ogen
En nader kwam. Zij stond (wat wasít een trotse stand!)
Opít voorste schip, en hiel de kruisvaan in de hand;
Gekroond met diamant, en met robijne rozen;
Maar schoner blonken dees, die op heur kaken blozen,
En blaken allerschoonst, wanneer een eerbre schaamt
Het edelste vanít bloed op elke wang verzaamt.
Op haren boezem straalde en speelde met zijn vieren
Een goude kruis, verzet met blauwe puiksaffieren.
Een welig luchje speelde, en vloog vast af en aan,
En vulde nu het zeil, en krulde dan de vaan,
Gehecht aanít standerdkruis, daar zij haar troost in stelde.
Dit was alít wapentuig, de speren die ze velde.
Maar ít oog, een scherper speer, doorpriemde mij mijn hart.
Het purpren kleed, gevoerd met witte armijnen, werd
Van dertle windekens bij wijlen opgeheven.
De lelie en de roos, van goud inít kleed geweven,
Ontstaken telkens dan haar luister aan de zon,
Die onder ging van spijt, en niet verdragen kon
Den weerglans van dit licht, ítwelk opging uit den Zuien,
En brak door nevels heen, en oorloogs regenbuien.
Waarít eer als schande, ik had den oorlog uit den zin
Gezet, om zo een puik, en schone vijandin.

ATTILA.

Gij spreekt er af met smaak, en schijnt bijkans tíontvonken.
Zij waar met vloot met al veel nutter straks verzonken,
Dan herwaart aangevoerd; veel nutter straks versmoord.
Waarom hebt gij dit schip niet in den grond geboord?

JULIAAN.

Dat was mij niet geboŰn. Mijn last brocht dat niet mede.

ATTILA.

Men breng haar hier voor mij.

JULIAAN.

                                                Zij komt, en maakt zich rede.
Ik trad vooruit, en hoop dat u mijn dienst behaagt.
Daar komen mijn kornels, en offren u de Maagd.

JULIAAN. URSUL. ATTILA.

JULIAAN.

Nu staat ge voor mijn Heer, die last gaf u te vangen.

URSUL.

Nooit bleef een vrij gemoed in iemands strikken hangen.

ATTILA.

Die vrijheid mocht u licht ten beste niet vergaan.

URSUL.

Indien ik kwalijk spreek, men wijs mijn feilen aan.

ATTILA.

Men kan hier díeerste reis met feilen ít lijf verbeuren.

URSUL.

Wie zich onschuldig kent zal om geen sterven treuren.

ATTILA.

Gij stoft te jong. Zie toe, en sterf niet al te dra.

URSUL.

Zo ít slibbren van mijn tong uw rechtbijl kwam te na,
Of kwetste, ik benít bereid met dezen hals te boeten.
Isít anders, stel me weer in staat op vrije voeten.

ATTILA.

Wie zijt ge t van wat land? hoe jong? wat jaagt u hier?
Met dezen langen sleep, door water en door vier,
En midden doorít gevaar vanít omgewroet Germanje?

URSUL.

Monarch, gij ziet hier ít oir vanít Kalidoons Brittanje,
Het land van mijn geboorte, indien ik zonder roem
Van mij, of iemands eer te mindren, mij dus noem
Die liever Ursul heet. Mijn oude, veertien jaren,
Gevalle Gode alleen. Ik kwam niet hier gevaren,
Noch liet mijn vaderland en vader over zee,
Noch voerde een groten sleep van eedle maagden mee,
Uit reukelozen lust, gelijkít u vreemd mag geven.
Een hoger oorzaak heeft mij tot dees reis gedreven.

ATTILA.

Wat oorzaak drijft u nog zo verre en zo uitheems?

URSUL.

Een prins, een enig zoon des konings van den Teems,
Nog heidens en vervreemd vanít zalig merrekteeken,
Al razende van min en ít minnevier ontsteken,
Hiel bij mijn vader lang door zijn gezanten aan,
En bood me telkens trouw. Men bad hem af te staan,
Nadien ik voor had, God te dienen al mijn dagen,
En geenszins díijdelheid der ogen te behagen;
Maar ít weigren was vergeefs. Hij dreigde sterk en stijf
Ons endlijk met zijn heir te vallen op het lijf,
Doorít prikkílen van dien hoon. Mijn vader viel verlegen,
En ging ít gewichtig stuk met zinnen overwegen.
Ik ried het huwelijk op voorwaarde aan te gaan,
Nam uitstel drie jaar lang. De prins zou zich bera‚n
Met Jezusí priesteren; zou ít heidendom verwerpen;
Al ítgeen mijn Godsdienst eist zich laten innescherpen.
De bruigom zou de bruid met een getal van tien,
Van oude en zede als zij, verzorgen en verzien;
Dan elk vanít elleftal met duizend tot haar reien,
Om ít oir van Deonot naar Rome te geleien.
Zo werd ik met beding verbonden en verknocht.
Zo won ik tijd, of tijd zijn zin verzetten mocht,
En smoorde intijds dien krijg, eer ít oorloog werd geboren.
Dit dreef me naar den Rijn. Dit gaf mijn tocht de sporen.
Ik heb aldus verkoeld des jonglings eerste vlam.
Hij trok me te gemoet, en keert waarlangs ik kwam.
Veel maagden, op de reis besprenkeld op haar hoofden,
Gehoorzaamheid aan God, en Zijn autaar beloofden;
Gelijk dees brave prins, nu eens gezind als wij,
Om Christusí wil verzwoer zijn blinde afgoderij.

ATTILA.

Zo roemt ge nog van volk en vorsten te bekeren?

URSUL.

Ik roem alleen in God, dat Hem de mensen eren.

ATTILA.

Gij voert van land tot land een dodelijke smet.

URSUL.

Een Christelijke lucht, gezond voorít kwijnend bed.

ATTILA.

Wij weten, hoe gij u te Rome hebt gedragen.

URSUL.

Wij weten, wie u schrijft, en aanhitst tot dees lagen.

ATTILA.

Gij stijft díoproerigheid met dien ontelbren hoop.

URSUL.

Ik stuit het oproer zelf inít hardste van zijn loop,
En voÍ geen leringen dan die naar vrede smaken.

ATTILA.

Gij poogt het slechte volk uw lastren diets te maken.

URSUL.

Zoít lastren is, al ítgeen men avrechts lastren noemt.

ATTILA.

Met schijn van Godsdienst wordt uw ijdíle drift verbloemd.
Men mag uw aanhang noch geloven, noch vertrouwen.
Men zorgt, men vreest.

URSUL.

                                    Voor wie? voor wapenloze vrouwen?
Voor maagden zonder macht? voor mans, beroofd van zwaard?

ATTILA.

Wat vrouwen konnen doen, bleek eertijds aan dien aard
Der Amazonen wel, die met geweld van scharen,
Europe en Azien zo verre meester waren,
Bekrijgden elk met meer dan mannelijken stijl,
De borsten zetten af, en beten met de bijl
Den stroom Thermodoon, en onzen Tanais open,
Inít hartje van den vorst; bedorvenít al met stropen,
Verstikten ít manbre zaad, eerít nauw geboren was;
Dat ik van Lemnos zwijg; daar zulk een grote plas
Van bloed vergoten werd, door dochter, en door moeder,
Verschonende noch man, noch kind, noch va‚r, noch broeder.
Kwam Cyrus, Herkules, en Jason voor den dag,
Zij tuigden levendig wat vrouwvolk al vermag.

URSUL.

Díoprechtste Godsdienst leert geen mensen te verkorten,
|Aan middelen noch eer, veel min hun bloed te storten;
Die leert ons díoverheid, al waarít een dwingeland,
Te dienen, in alítgeen zich tegens God niet kant.

ATTILA.

Heeft niet uw kruisbanier beoorloogd onze goden,
En Rome zelf verdrukt?

URSUL.

                                      Een vorst, dien ítwerd geboden,
Als ít glinsterende kruis hem in de lucht verscheen
.

ATTILA.

Gehoorzame aard, wanneerít u aan gelegendheÍn
Nog mangelt; maar zo ras het tijd is, om te spreken,
Dan krijgt ge last van God, om díoren op te steken;
Dan houdt ge woord noch trouw, en zet uw zetel vast.
De wereld overla‚n, en van uw juk vermast,
Heeft onder u gesteend, en deerlijk moeten zuchten.
Hoe dik zag díIsterstroom ons grijze wichlaars vluchten,
En díoffervinders zelfs, bestorven als de dood,
Met heiligdom en goŰn geladen in den schoot,
Gevangen en vermoord, naít plondren en beroven:
Dat leerde ons nimmermeer uw aanhang te geloven.
Trawanten, leidt haar weg. Grijpt toe, en doet haar spoÍn.
íK zal letten wat mij staat met dit geslacht te doen.

Onsterflijk aangezicht, ik moet mij toornig veinzen,
Maar Venus uit haar troon ziet Attilaís gepeinzen.

REI VAN AGRIPPINERS.
ZANG.

Aartspriester, eertijds opgevaren
Inít hemels koor, daar macht van engelen
Haar kelen, onder fluit en snaren,
Met kittelende galmen mengelen;
Daar gij den Vader stelt te vrede,
Met díallerheiligste offerande,
En aldoordringenden gebede,
En zet Uw bloed voor elk te pande;
Verlosser, ga omhoog te rade.
Verlos dees Maagden uit genade.

TEGENZANG.

Gij weet hoe U die hitte roostte,
Toen díengel, van Gods troon gezonden,
U aan de Cederbeek vertroostte,
En balsem goot in zo veel wonden,
Waarvan Gij ree de voorsmart voelde,
Toen doodzweet vast in bloed verkeerde,
Het bloed, dat síafgronds gloed verkoelde,
Nadat Gij U aanít Kruis verneerde.
Verlosser, ga omhoog te rade.
Verlos dees Maagden uit genade.

TOEZANG.

íT getal der Martelaren
Na zo veel marteljaren
Is mooglijk nog niet vol.
Vergaan dees Maagden tísamen,
Zo staan met rood heur namen
In Jezusí martelrol.


Ingezonden door J. R. van Wijk op: 19 July 2001