Joost van den Vondel (1587-1679)

MAAGDEN

HET TWEEDE BEDRIJF

ATTILA. BEREMOND.

ATTILA.

Zo Venus, ít hemels moe, uit lust om aangebeden
Te werden hier beneÍn, met menselijke leden
Haar godheid nooit bedekte; of enig sterflijk volk
Verscheen; gelijk de zon, met ene dunne wolk
Betrokken, zomtijds zich vertoont voor símensen ogen,
Opdat ze haren glans en schijn verdragen mogen;
Zo doet zijít nu, en heeft vermomd het aardrijk in,
En koomt voor mij, in schijn der schone vijandin;
Een licht zo schoon, als ooit op díaarde blonk van boven,
Om al wat naar de kroon der schoonheid steekt te doven.
O aangebede zon, hoe helder ging de dag
In mijnen boezem op, zodra als ik u zag!
Hoe smolt erfvijandschap, en onverzoenbre vede;
Die ons verplicht, met onherroepelijken ede,
Te vloeken ít Christenbloed, en nimmer, openbaar
Noch heimlijk, in verbond te treÍn met hun autaar.
Dit hart, dat gistren nog verbitterd deze wallen
Bestormde, is mij met zwaard en beukelaar ontvallen,
Voorít hemels aangezicht der goddelijke maagd;
Om wie mij liever vree dan oreloog behaagt:
Gelijk god Mars, dien wij met mensenoffer eren,
Weleer, om zijn godin, zich zomtijds niet wou keren
Aan veldslag, noch beleg, maar smeet de wapens neer,
En maakte zijn vriendin voogdes van zijn geweer.
Nu ga ik langer niet met oreloogsgedachten
Meer zwanger, noch leg toe opít vullen van stads grachten,
Opít rammen van den muur, of torens dik gemetst,
Noch kwets geen vijands borst; maar voel mijn borst gekwetst,
En dodelijk gewond van díaangename bogen,
Waarmede dees Diaan de zielen door haar ogen
Zo treft, dat kunst noch kruid die wonden helen kan.
Wat suf ik voor dees stad! Men vlie, men trek er van.
Het maagdenleger houdt het mannenheir belegen.
Al wat ik zie, de krijg, en ít krijgsvolk, staat me tegen.
Mijn kwijnende gemoed, verwonnen van de min,
Geeft zich gewillig op aan deze koningin.
Zij bindí me met een snoer, gevlochten van haar vlechten,
En voerí me zo in stad. Ik geef het zonder vechten.

BEREMOND:

Hoe nu? gelijkt die stem naar Nimrodís groten neef,
Gods Roede, die den schrik in alle vorsten dreef,
En om Europe niet allene koomt krakelen,
Maar eist de wereld nog twee overige delen,
Doorít heilig oorlogsrecht van Marsí bebloede kling,
Die hij van Mavors zelf tot dit gebruik ontving.
Wat schutter schiet een pijl, tenzij uit uwe kokers?
Is díaarde uw aanbeeld, zijn uw vuisten niet de mokers,
Die ít al vermorzelen, en brijzelen, als glas?
Wat meren overstapt ge niet, gelijk een plas?
Men hoorde Illyricum verwonnen deerlijk schreien,
De Thrax, en Macedoon, en Mysie, en Achaien.
Al wat aan deze zij van díAlpes akkers bouwt,
In dal of op gebergt, zijn eige kracht mistrouwt.
Gij hebt Hesperien en GalliÍn doen roken;
Den Donau en den Rijn de horens knap gebroken,
En maaide met uw zein, met enen slag, omveer
Al wat er ít hoofd opsteekt aanít Adriatisch meer.
Zou zulk een god zich aan een wasse pop vergapen,
En reukloos zijn fortuin in haren schoot verslapen?
De goden hoeden ons voor zulk een lasterstuk.

ATTILA.

Alcides zelf droeg wel het zachte minnejuk,
Lei leeuwshuid af en knots voor lieve goelijkheden,
En stond naar joffrengunst met vleiende gebeden.
De boog wil in den krijg niet staag gespannen staan.

BEREMOND:

Hiet minnen is inít end hem jammerlijk vergaan;
Toen hij van Dianier onwetend werd vergeven,
Doorít offerhemd, met gift van Nessusí bloed bewreven.
De wellust heeft gevaar en duizend zorgen in.
Het zwaard des krijgs verroest bijít wapentuig van min.

ATTILA.

Och Beremond, mijn oog zou al te deerlijk dolen,
Indienít meer schoonheid zag, in Keulens gloende kolen,
Dan in de kolen, die in Ursulís aanschijn staan.
Indien het zwijmen van dees stad, dees halve maan,
Besprenkeld van den Rijn, meer lofs werd toegeschreven
Van mij, dan ítgeen men ziet in Ursulís aanschijn leven.
Zij mengt eerbiedigheid met een vrijpostigheid.
Het vriendelijk gelaat verzelt de majesteit.
Al doolde ze onbekend, nog zou men zien en horen,
Dat dees van konings bloed en stam most zijn geboren.
Men wens die vrouw geluk, die haar ter wereld bracht,
En ít schip, dat herwaart dreef met zo een schat bevracht.
Zíontschuldigde zich zelf, toen díogen mij bekoorden,
Of zij mijn majesteit onwetende met woorden
Gewond had, ja voorwaar wel dodelijk gewond,
Met die begaafde tong, met dien koralen mond.
Die meremin wou juist dees oevers niet vermijen,
Om mij, opít vaste land, dees schipbreuk te doen lijen.

BEREMOND:

Ik moet, o Vorst, met u bekennen, dat die geen,
Die Ursul zonder min aanschouwt, eer marmersteen
Of harde rots gelijkt, uit Kaukasus gehouwen,
Dan enig mens, dien wij rechtschapenheid vertrouwen.
Waar vindt men in alít heir zo stout een oorloogsman,
Die koel en liefdeloos dat aanschijn aanzien kan?
Hoewel ze, door den drang der krijgsliÍn, ingetogen
En schaamrood henen treedt, met neergeslagen ogen;
Den dartlen straf ontmoet, den zedigen beleefd,
En niemands vlam noch vier het minste voedsel geeft.
Maar evenwel een held, ten scepter opgewassen
En síwerelds heerschappij, zouít al te kwalijk passen
Te slibbren in het veld, en buiten síoorloogs baan,
Tot argernis des volks, dien onweg in te slaan.
Gij zijt inít Scytisch heir van kindsbeen opgetogen,
Hebt uit uw voesters borst dien strijdbren aard gezogen.
Een beuklaar was uw wieg, de kille stroom uw bad,
Geweer uw poppetuig en eerste kinderschat;
Voortaan het ridderspel, een welig paard te temmen,
Den Donau op zijn smalst, dan wijder overzwemmen,
En leren hitte en kou verduren zonder pijn.
Uw zwangre moeder zag, hoe iemand, in den schijn
Van Mars, haar vrucht het zwaard kwam binden op de zijde,
En u tot zijn autaar, van uw geboorte af, wijdde.
O onverwinbre Vorst, bedenk eens wie gij zijt,
Wat ambt gij nu bekleedt. Noch laat ons dit verwijt
Niet snijden in het hart, dat Attila aanít suffen,
Zich van een Christe non inít bedde laat verbluffen.

ATTILA.

Och offervinder, ít oor is voor die rede doof.

BEREMOND:

Bega geen legerschand, noch brandmerk ít Huns geloof.

ATTILA.

íT geloof moet in een vorst wat dulden en gehengen.

BEREMOND:

Hij mag zich in geen echt met heilloos bloed vermengen.

ATTILA.

Zij zal door hoger hoop zich voegen naar ons wet.

BEREMOND:

Hardnekkige aard volhardt in díaangebore smet.

ATTILA.

Ik wacht haar vast. Misschien laat zij haar dwaling varen.
Daar komt ze. Kwijt uw ziel, of gij heur kunt herbaren,
Terwijl ik spreken ga mijn maarschalk Juliaan.
De goden laten dit naar mijnen wens vergaan.

BEREMOND. URSUL.

BEREMOND:

Doorluchtigste Vorstin, de Vorst heeft mij geboden
U ten autaar van Mars, uit zijnen naam, te noden,
Door deernis met uw vloot en maagdelijken stoet.
Nu kunt ge, wilt ge nog, het koninklijk gemoed
Verzachtende, zo veel geboeide zielen slaken,
Door eens het outerbeeld met wierook te genaken.
Bera u kort, dewijl de krijg geen uitstel lijdt.

URSUL.

Hetzij gij wichelaar of offervinder zijt,
Wat vergt ge mij, ítgeen strijdt met ons gewone zede?
Ik heb mij al bera‚n, en ben in God te vrede.

BEREMOND:

Te vrede? Weet ge niet wiens goden gij bestrijdt?

URSUL.

Uw afgoŰn, ik bekenít.

BEREMOND:

                                      Zo gaat ge ít leven kwijt,
Tenzij gij Christusí naam verzweert voortaan te noemen,
En eert die rechte goŰn, waarop wij Hunnen roemen.

URSUL.

Wij roemen enen God, die alles heeft gebouwd.

BEREMOND:

Dien bloden doden God, gehecht aanít schendig hout?

URSUL.

Dien ook, die alle macht doorít sterven heeft verworven.

BEREMOND:

Der Scythen goŰn zijn nooit begraven noch gestorven.

URSUL.

Tenwaar misschien Jupijn, wiens grafstee Kreten eert.

BEREMOND:

Jupijn met Mars omhoog alle andre goŰn regeert.

URSUL.

Neen, Christus heerst omhoog met Zijnen lieven Vader.

BEREMOND:

Wiens enige afkomst werd verkocht door dien verrader?

URSUL.

Een Vader, die ons vrijdt door dit verkochte Goed.

BEREMOND:

Doorít storten van Zijn Kinds onnozel hartebloed.?
Hoe kan een vaders hart zijn afkomst zo vergeten?

URSUL.

Hoe kan Saturnus zelf zijn eige vruchten eten?

BEREMOND:

Wie droeg ít begraven kind herlevende in Gods schoot?

URSUL.

Wie voerde uw Herkules ten hemel, na zijn dood?

BEREMOND:

Uw rot verslindt en snijdt het mensevlees aan delen.

URSUL.

Neen gij, naít moorden, stroopt uw vijands bekkenelen
De huid al warm vanít been, verguldt die tot een kop,
Verzwelgt het lauwe bloed: verkropt uw helsen krop
Met vrouweborsten, zoet van smaak, met mannespieren;
Min redelijk dan zelfs de wilde woeste dieren,
En ít al verslindend woud, dat nooit at zijns gelijk.

BEREMOND:

Wij Scythen offren Mars slechts vijanden vanít rijk,
Die zich aan onze goŰn en koningen vertasten.

URSUL.

Uw Tauren offeren Diaan díuitheemse gasten,
En paaien de godin met lillende ingewand
Van mensen zonder schuld, een gruwzame offerand.
Ik zwijg van kindervier; van die, om scheel van goden
Vol haats, den nagebuur ter offermaaltijd noden,
Op kruisweg, en bij kerk, vol galms van pijp en zang,
En hardenít, nacht en dag, wel zeven etmaal lang.
Met nuchtren zinnen dan, naít huppelen en dansen,
Malkandren onderling, bij tafelen en kransen,
Gezeten in den baard: een ieder vuist een klauw,
Vol ogen en vol bloeds; en, na dien moord, al rauw
Den dode nagebuur half levende opgegeten.
Kwansuis de godheid smaakt die kostelijke beten.
Zo voedt het heidendom een eeuwig moordkrakeel.
Zo maakt het van de kerk een schriklijk moordtoneel.

BEREMOND:

Uw priesters paaien God nog daaglijks op díautaren
Met been, en brein, en bloed, waarin de zielen waren;
Een lekkre spijs, een drank, die boven nektar smaakt.
Wie ít Huns geslacht dan scheldt, en menseneters maakt,
Gelijk ít gerucht nu loopt, die maakt hen nog wat beters
Dan ít Christenvolk, met recht gescholden Christeneters.

URSUL.

Ons priesters luisteren naar geen verzierden vond,
Maar naar díonfeilbre stem, ít Orakel van Gods mond,
Naar Jezus, síhemels tolk, díalmachtige en alwijze,
Die, onder schijn van weite en wijndruif, tot een spijze
En drank, Zijn lijf en bloed des nachts gaf, aan den dis,
Zijn jongren. Heidens brein, dat Gods geheimenis
Noch mond gelooft, durf bits ons Christeneters noemen,
Om met die lastering zijn moordlust te verbloemen:
Maar zo door ons autaar des Hoogsten eer verkort,
Of enig mens, aan lijf of lid, beledigd wordt,
|Zo ruim ik ít veld van zelf, en geef u dit gewonnen.

BEREMOND:

Bij u verheft men hoog de zuiverheid der nonnen
En echtelozen staat, met hoop van dubbel heil;
Daar midlerwijl de faam geen ander volk zo geil,
Noch hitsig scheldt dan dit, ítwelk, op de vont getekend,
Zelf overspel geen schand, noch bloedschand schennis rekent;
íTwelk, onder schijn dat elk de Godheid offer brengt,
De lampen dompt, terstond inít honderd zich vermengt,
En acht georeloofd een blinde en donkre schennis.

URSUL.

Een maagd aan God verloofd als ik, heeft gans geen kennis
Aan zulk een vreemde taal, die gijliÍn best verstaat.
Dit weet ik, waar een Hun of Got zijn klauwen slaat,
Al rokende van moord, daar blijft niets ongeschonden.
Hun dartle moedwil staat aan kerk noch koor gebonden.
De wijde wereld waagt vanít jofferengeschreeuw.
En wat mijn heir belangt; des winters viel nooit sneeuw
Zo zuiver uit de lucht op uw Rifese bergen,
Als Ursulís maagden zijn, die sneeuw en hagel tergen.

BEREMOND:

Beleefde maagd, gij strekt u zelve een lastig juk.
Gelukkig stond uw staat, begreept gij uw geluk.

URSUL.

Ontdek me mijn geluk, waarin het zij gelegen.

BEREMOND:

Inít hart van Attila, tot Ursulís hart genegen.
Val Mars terstond te voet, uw doden ongod af.
Verbid dees bange stad van haar gedreigde straf.
Bescherm uw eigen lijf, metenen díandre troepen.
Aanvaard des werelds kroon: gij wordt er toe geroepen.
Brittanje waar te kleen voor zulk een grote ziel,
Op wie het keurig oog des grootsten konings viel.
Alít leger offert u zijn beukelaars en speren,
Gij kunt dit oorloogspel in bruiloftspel verkeren.
Hoe beurt uw Eiland dan ten hemel zijnen kop!
Hoe haalt dit huwelijk uw stam zo hoog in top!
Nu gij op sívorsten troon zo trots te prijk gaat zitten,
En paart de wapenen der Hunnen met uw Britten.
De herelijkste kroon bestraalt alree uw hoofd.

URSUL.

Uw aanzoek koomt te spa, bij een aan God verloofd.
Ik heb een Bruidegom, een enig Zoon, verkoren.
Den schoonsten, die nog ooit van vrouwen werd geboren;
Den machtigsten, die ooit een koningstroon bezat;
Den rijksten, die ooit roemde op onuitputbren schat;
Den goedertierensten, die iemand viel genadig;
Getrouw in Zijn belofte, in liefde en min gestadig;
Datís Jezus, dien ik min, en voor wiens kroon ik strij.

BEREMOND:

Hier koomt al weer een vlaag, dezelve razerij.
Ontstelde harsens, och! hoe zal ik u genezen?
Versmaadt gij Attila? Wie kan toch groter wezen?
íT gestarrent suizebolt, het aardrijk beeft voor hem.
De baren van de zee gaan glippen voor zijn stem.
Zijn scepters reiken van Maeotische moerassen
Tot aan de golven toe, die Atlasí voeten wassen.
Inít Noorden hij den kop des ijsbeers stukken slaat.
Inít Oosten deist voor hem de schuimenden Eufraat.
Inít Zuiden zweten Nijl en strand der Afrikanen.
Versmaadt ge ít godlijk hoofd van zo veel onderdanen?

URSUL.

íK versma dat gruwlijk hoofd, dien borsteligen baard,
Dien platten neus, ít gezicht dat ongediert vervaart,
Dien muil, die Jezusí bloed verzwolg met dronke togen.
De tirannij ziet hem ten norse en dwalende ogen En aanzicht uit.
íK versma dat zwijnshaar van dien Scyth,
Daar díaardboom niet alleen, maar God omhoog van lijdt.
íT onnozel zoglam zal met wrede wolven paren,
De blode tortelduif inít arendsnest verg‚ren,
Het kieken en de vos gaan treÍn in een gespan,
Eer ik Gods trouw verzaak, om zulk een aartstiran.

BEREMOND:

Zo u de veldheer niet gedreigd had, heet van toren,
Toen gij hem flus begroette en eer beweest, mijn oren
Die zouden ongebelgd niet horen zulk een smaad,
Dien grootvorst aangedaan, die naar uw huwlijk staat.
Vorstinnen weten, hoe men koningen bejegent,
En wat heur past, die min met kronen zijn gezegend:
Dies bid ik, toom uw moed, gesteurde koningin.
Aanvaard dit wierookvat, het pand van síkonings min.
Vergun mij toch dees eer, dat ik uw ziele redde,
Uw lijf meteen, en lei zo schoon een bruid te bedde.
Vat aan dit wierookvat, en nader het autaar,
Een toevlucht en een wijk, inít uiterste gevaar.

URSUL.

Vergeef het mij, o God, heb ik dees reine handen
Besmet door wierookreuk voor afgod Mars te branden.
Ben ik van wichelaars verraden en verrast:
Heb ik mij schandelijk bezoedeld en vertast.
Daar leit het godloos vat gebrijzeld en gebroken.
Genade, o God, indien ik ít offer heb geroken.
Mijn Bruigom, heb ik ook, op dit afgodisch feest,
Doorít wierookvat verzaakt den trouwring van uw Geest?
Wat Rijn, wat stroom, wat meer, wat grondeloze plassen
Vermogen lijf en ziel van deze vlek te wassen?
Messias, slaapt Ge nu ? en vaart Ge niet beneÍn?
Gij hebt weleer de slang den nek en kop vertreÍn.
Vertree dit loos serpent, dat door vervloekte wetten
Uw kuise zielen durft bezoedlen en besmetten.

BEREMOND:

O vader Mars, Jupijn, Merkuur, en Herkles, ziet,
Wat durf dit heiloos zaad, wat gruwlen doet het niet?
Verdadigt, het is tijd, uw heilige offerdissen,
Uw beelden, tempelen, uw zielgeheimenissen,
En díoffervaten, uw autaren toegewijd.
O goden, toont, dat gij geen blinde goden zijt;
Gelijk díerfvijanden, die uwen dienst verzwoeren,
Dit daaglijks in den mond en op de tonge voeren.
Gekwetste goden, toont, dat gij uw haters haat,
En die uw godheid schendt niet ongeschonden laat.

ATTILA. BEREMOND. JULIAAN.

ATTILA.

Hoe roept ge zo verbaasd? begint ze niet te wijken?

BEREMOND:

Daar vlucht dat hels gedrocht: dat henen gaat ze strijken,
Men volg heur na. Men straf dit lasterlijk bedrijf.
Moet ons godvruchtigheid dit lijden van een wijf?
Van een die achter land de landen gaat beroeren,
En op haar zijde trekt al wat zij aan kan snoeren?
Dit wierookvat getuigt van haren overmoed.
Daar leit het neergesmakt, getrappeld met den voet,
Geborsten en geblutst, in steÍ van aangebeden;
Gods wierook hier en daar in slijk en stank vertreden,
Inít aangezicht vanít beeld, van onzen vader Mars.
Gij ziet dit beeld gekeerd. De god ziet overdwars.
Hij heeft het gruwelstuk alreÍ den nek geboden.
Rechtvaardigste, waak op. Verdadig ít recht der goden.

ATTILA.

Hebt gij haar niet verzet, en gaf ze niet wat bots?

BEREMOND:

Zij luisterde naar mij, gelijk een dove rots
Naarít ruisen van de zee. Wie zag ooit iet verkeerders?
Zij luisterde, gelijk naarít preevlen des bezweerders,
De slang, die met den staart zorgvuldig de oren stopt.
Zíis, tot de keel toe, dicht van Christusí lucht gepropt,
In dwaling opgegroeid. Zij schuwt gezonde spijzen,
Als dodelijk vergif, en spreekt er van met ijzen.

ATTILA.

Een jong scholier hoeft tijd, en klimt van trap tot trap.

BEREMOND:

De kruik houdt allerlangst den reuk vanít eerste sap.
De puimsteen brijzelt eer den diamant tot mortel,
Dan gij dit steeklig zaad, dit onkruid, met den wortel
Geheel en al verdelgt. De boosheid hecht te vast,
Die in gebeente en merg van jongs opgroeit en wast.
Dit wulpse brein durf stout dien grijzen baard bedillen.
Die haar verzetten wil, zal tijd en arbeid spillen.

ATTILA.

Mijn Venus, mijn godes, benijdt ge Adoon uw min?

BEREMOND:

Misschien tot uw geluk. Wie zijn doodvijandin
Het bed vertrouwt, behoeft gewisse en vaste borge,
Dat zij, als Belusí zaad, hem prieme noch verworge,
Die, dronken van den most, in haren arrem slaapt.
íT autaarboek van dit rot verhaalt een stuk dat gaapt,
En slaat op deze zaak: men mag het overwegen.
íT assyrisch leger hiel een joodse stad belegen.
Een uitgemaakte weeuw komt listig uit inít end
Naarít leger, en bekoort den veldheer in zijn tent,
Die luttel docht, dat zich ít hebreeuwse volk wou wreken.
Zij munt in schoonheid uit. Zíis prachtig uitgestreken
Met perlen en gesteent. Een aangename geur
Van myrrthe riekt het haar en alle leden deur.
Hij moe gedanst, en heet, verwacht zijn lief inít bedde.
Die schalke, opdat ze zich en hare burgers redde,
Naít samlen, grijpt in ít end, zo schelms als onvervaard,
Daar Holofernes ronkt, met díene hand het zwaard,
Dat aan de bedstee hangt, met díander hand de lokken,
En houwt hem ít hoofd vanít lijf, en zo naar stad getrokken
Met dezen vetten roof; die símorgens als het daagt,
Ter muren af, den schrik inít ganse leger jaagt,
Enít heir verstrooit. Geloof, dit zijn van haar gezellen.
Zij vlammen op de muis en vale muizevellen:
Zo schelden zij den Hun om zijn gewone dracht.
Wie weet wat deze vloot u brouwen wil bij nacht?
In wat verstand zij staan met dees benepe wallen?
Hoeít zij, dit maagdenheir mij geenszins kan gevallen.
Trok vrouwvolk ooit met mans zo sterk op legers aan?
Dees Ursul spelt me krijg, met haar gekruiste vaan.
Waak op, eer zij uw tent gewapend overrompelen.

JULIAAN.

Tíis overwegens waard. De hopliÍn mogen mompelen,
Dat Attila niet meer in síoorloogs renbaan loopt,
Noch ít briesend paard van Mars met scharpe sporen noopt.
De late soudenier, getreÍn in símeesters stappen,
Zal, sluimrende op de wacht, van dag tot dag verslappen;
De keulse burgerij herscheppen a‚m en moed.
De koning zie wel toe, en raam een vasten voet.

ATTILA.

Mijn hart gevoelt de liefde en oorbaar tísamen strijen.
Besluit gij met u beide. Ik laat u twee betijen.
Beraamt ge, dat men geen vanít maagdenleger spaar,
Zo wil ik dat men nog de koningin bewaar.

REI VAN AGRIPPINERS.
ZANG.

O Agrippine, ít hoofd der Belgen,
En alleroudste stad na Trier,
Daar UbiŽn met roomse telgen
Gevlochten werden, toen ze hier
Gejaagd, den Rijnstroom overvoeren,
Om woest geweld te wederstaan,
En voor Vipsaan, uw vader, zwoeren
August, zijn schoonva‚r, onderdaan
Te blijven, als zij Caesar deden:
Gij Rijnstad zijt, gelijk een klip,
Veel stormen moedig doorgestreden,
Vanouds, en lang eer Mark Agrip
(Spijt Maas en Moezel, uw geburen)
Lei díeersten grondsteen van uw muren.

TEGENZANG.

Gij werdt naamhaftiger door zijne
Doorluchtigheid, en dankt hem nog.
Gij baarde uw voester, Agrippyne,
Gekoesterd met uw druivezog;
Gewiegd opít ruisen uwer beke;
Dies zij u heuren naam vereert,
En trots al díomgelege streke,
Met enen bouwtroep u vermeert.
Toen scheen, doorít steigren uwer wallen,
Al wat den Rijn, uw stroom, bevocht,
Een nieuwc schrik opít hart te vallen.
Gij werdt begroet en aangezocht.
Al die naar síTibers vriendschap stonden
Gezanten aan uw Vaders zonden.

ZANG.

Gij waart van aanvang Rome in zeden,
En straten, en gebouw gelijk.
Gij hadt uw kapitool, betreden
Van
raad en ridder, strekte een wijk
Den bangen balling met uw grachten.
Trajaan ontving hier kroon en staf,
En gij uw driemaal vijf geslachten,
Die hij u met veel vrijdoms gaf;
Om op het burgerlijk te passen,
En raad en oorloog te bekleÍn.
Dees Adel, zedert aangewassen,
Gaat moedig op zijn schilden treÍn,
Verdiend door prijs, in krijg gestreken,
Of steekspel, daar ze niemand weken.

TEGENZANG.

Maar uwe glorie ging veel verder
Dan díeer vanít keizerlijk verbond,
Toen díeerste Apostel en Aartsharder
U zijn scholier Materren zond;
En uwe burgers, tam als schapen,
Gebogen voor síaartsbisschops staf,
Hem offerden geweer en wapen,
En, zwerende Teutates af,
Ook Hesusí gruwelijke autaren,
Gekristend werden op hun hoofd
En stonden zedert als pilaren,
Van kerk of godsdienst nooit beroofd,
Gelijk veel omgelege landen,
Hersmet door bloedige offeranden.

ZANG.

Gij volgt der wijze vadren regel.
De sleuteldrager, Gods poortier,
Bewaakt uw poort, bewaart uw zegel,
Aan parkement, of op papier;
Gij zelf der Heiligen gebeenten,
En ít overschot des Martelaars,
In goud, en zilver, en gesteenten,
Verlicht van lamp en wassekaars.
Gij eert de Mauren en Thebanen,
Die ít veld bebloedden om de stad,
En streen met omgekeerde vanen
Inít perk, daar Jezus voor hen trad.
Kapellen, cellen, kloosters, kerken
U meer dan muur of torens sterken.

TEGENZANG.

Benijde stad, waartoe geboorte
En aanwas van uw ouden wal
Geroemd? nadien men, voor uw poorte,
Vast dreigt dit Ellefduizendtal,
En u met fakklen, zwaarden, koorden;
Nu síoorloogs onweer ijslijk raast,
En schriklijk buldert uit den Noorden,
En in den brand der huizen blaast.
Wat baten u de grijze haren?
Wat baat der mannen arrebeid?
Wat kerken, kloosters, of autaren?
Indien een Hun, Gods vijand, zeit,
Als ít licht uw smokend puin beschijne:
ĄOp deze plaats stond Agrippyne.Ē


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001