Joost van den Vondel (1587-1679)

MAAGDEN

HET DERDE BEDRIJF

BURGEMEESTERS. AARTSBISSCHOP. REI VAN AGRIPPINERS.

BURGERMEESTER.

Klim zacht, vermoeide vorst, geef mij uw rechte hand.
Nu zet u hier. Dees trans heeft overít platte land
Zijn uitzicht. Ik verneem alree des konings tenten.
Ik zie het maagdenheir, verdeeld aan regementen,
Als in slagorden staan.

AARTSBISSCHOP.

                                      O Jezus, troost Uw volk.

Waar staan ze?

BURGERMEESTER.

                          Naar den Rijn.

AARTSBISSCHOP.

                                                  BeneÍn die heldre wolk?

BURGERMEESTER.

Al recht.

AARTSBISSCHOP.

              Getrouwe God, hoe kunt Ge dit verdragen?

BURGERMEESTER.

De vijand heeft een zeisen-wagen burg geslagen
Naar stad toe, als een wal, die stoot haar voor de borst.
Het voetvolk van weerzij, gelijk een ijzre korst,
Bedekt de lendenen. De ruiter, op de hielen
Van achter, kleedt den rug van dees gedoemde zielen.

AARTSBISSCHOP.

Zo ziet men voor de bank een stomme kudde staan,
Terwijl de slager zich gereed maakt om te slaan,
En mes en reedschap slijpt.

BURGERMEESTER.

                                            Wat middel om beschermen?
Wat raad? Men hoort de stad, en alle dochters kermen,
Van torens, muur, en poort. Het grimmelt er van liÍn.
De daken zitten zwart, om ít schouwspel aan te zien,
Zoverre díoogstraal reikt door enen nevel tranen.
Hoe stillen wij ít gekrijt van zo veel onderdanen?
Men wringt de handen vast met jammerlijk misbaar.
Men krabt den boezem op. De handen gaan inít haar.
Men kan het volk van wal noch steile torens weren.
Dit kermen mocht ten leste in oproer wel verkeren.
Díoplopende gemeent vervloekt de hoofden vast.
Tenzij men middel raam, ik zie de stad in last.

AARTSBISSCHOP.

Toen dit verwaten hoofd gereed stond met zijn scharen
Om datelijk, daar Pauw en Mincius vergaren,
Te zetten over stroom, recht toe naar Vatikaan,
En ít heilig Kapitool, zat elk omít zeerst bela‚n.
Geheel Italien, verlaten, en verlegen,
Zag deerlijk uit om troost: maar alle harten zegen,
Behalvenít leeuwenhart van Leo, die den Stok
En Vlegel van Gods Stoel groothartig tegens-trok,
Met zijn gekruisten staf; gehuld met mijterstralen;
Gevolgd van bisschoppen en pracht van kardinalen,
En schutte op zijnen staf dien vreselijken slag,
Ja brocht den schrik inít hart, dat God noch mens ontzag.
íK voel Leoís ijver brand in mijn gemoed verwekken.
Men laat me slechs begaan. Ik wil hem tegens-trekken,
Zo datelijk. Tíis tijd. Men laat me slechs begaan.
Ik wil met mijn gezicht dien Basilisk verslaan.

BURGERMEESTER.

De kudde geeft zo licht den harder niet ten besten.

AARTSBISSCHOP.

Kwam Aniaan niet weer behouden in zijn vesten?
Schold hij dien heremijt dat dreigement niet kwijt?
Heeft Lupus zo zijn stad, zijn schaapskooi, niet bevrijd?

REI.

Verlaat de harder ons, de kudde zal verstrooien.

BURGERMEESTER.

Die bloedmuil zwoer met tak en wortel uit te rooien
En met zijn winterbijl te slechten, vlak als slijk,
Dit doornenbos, hetwelk den Roomsen tot een wijk,
En oorloogszetel strekt. Hij scheldt een bos van doornen
Dees stad, omdat ze draagt een kroon van spitse toornen,
Op haar gezalfde kruin. Zij dreigen ze al gelijk,
Om haar getrouwigheid aan Rome en ít Roomse Rijk,
Welks macht de Noorman zwoer te kneuzen, en verdelgen.

AARTSBISSCHOP.

Ik kanít in eeuwigheid verduwen noch verzwelgen,
Zo koel, zo schandelijk, en zonder weer te biÍn,
Met goeden ogen, dus dit treurspel aan te zien.
Eenieder volg zijn zin: ik wil mij zelven kwijten.

BURGERMEESTER.

Men zal me nimmermeer flauwhartigheid verwijten.
Zo wil ik liever zelf (tíis tijd om ít werk te spoÍn)
Met al ons ridderschap een sterken uitval doen,
En midden in den drang met al dees maagden sterven;
Zo blijkt het nog, dat wij noch hart noch ijver derven.

REI.

Zo waar de burgerij een lichaam zonder hoofd.
Wij zijn nog niet geheel van ons verstand beroofd.
De burgers zullen u dat nimmermeer vergunnen.

AARTSBISSCHOP.

Wij moeten gaan, en doen al tísamen wat we kunnen.
Dit schichtig stuk vereist een kort en snel beraad.
Stijgt af met mij, ik hoor al weer gerucht op straat.

JULIAAN. ATILLA. BEREMOND.

JULIAAN.

Ik heb, om vader Mars met heilloos bloed te zoenen,
De maagdenvloot gedeeld in ellef legioenen,
Omringd met ruiterij en voetvolk, inít gezicht
Der stad, die vol geschreis genade zingt, en zwicht.
Men wacht op uw bevel om straks dien roof te slachten.

ATTILA.

Men dient, om Ursulís wil, een dag of twee te wachten.

JULIAAN.

De nood verbiedt het u. Het krijgsvolk staat en vlamt
Op dit bekoorlijk slag. Het krijgsvolk raast, vergramd
Dat síkonings ogen vast naar Ursulís ogen draaien,
En zij van síoorloogs oegst geen minnevruchten maaien,
Indien ge ít recht vertrekt, dit heir van wachten moe,
Van geilheid aangepord, tast lichtlijk daadlijk toe.
Gij zult de dapperheid de zenuwen afsnijen,
En langer niet met Mars, maar onder Venus strijen,
Met enen laffen hoop. Der joffren vleierij
Zal ít leger om doen slaan, en trekken op haar zij.

ATTILA.

Och Juliaan, de min verbiedt dit bloed te storten.

BEREMOND:

Gij zult der goden, ook uw eigen eer verkorten.
Waar suft nu Attila, die met gelaarsden voet
Eens stampende, van schrik den aardboom davren doet?
Zijt gijít niet in wiens deugd wij Scythen zijn gehouden?
Die sígroten Caesars stoel zijn moedwil hebt vergouden?
En doen bekennen, dat alít Noorden roemen mag,
Hoe Rome niet meer zij onwinbaar, als het plag?
Ik wou den koning wel (ít belief hem op te merken)
Met een niet veer gezocht en levend voorbeeld sterken.
Uw voorzaat zelf, die zege opít godloos bloed bevocht,
Werd uit den joffrenroof, de bloem daaruit gezocht,
Een schone maagd vereerd. Die krijgsheld, zoet op ít minnen,
Docht langer om geen kroon, maar slechs om ít hart te winnen
Vanít allergoelijkst beeld, dat in zijn harte lag.
Een vorst, dieít al gebood, een boel naar díogen zag,
Werd slaaf van zijn slavin. Zij bond het zwaard in schede
Met vlechten van heur haar, en oreloogde in vrede;
Waarom het heir getergd, inít ende aanít morren viel:
Dat hij verwijfd, niet meer de rechte heirbaan hiel;
Het rijk veel afbreuk leed, ja schendig most vervallen,
Tenwaar míer in verzag. Zij stonden met hun allen
Gereed, om tot de keur van een rechtschapen hoofd
Te gaan, tenwaar de vorst der wijzen raad geloofd,
En ít oproer dadelijk gestuit had, en bejegend
Met Venusí wederga, met schoonheid rijk gezegend;
Betonende, dat zij, met recht beminnenswaard,
Nog niet verbasterd had zijn eersten heldenaard;
En leggende ene hand opít hoofd, de schone onthoofde
Met díander, en dit vier inít bloed der boelschap doofde.
Dat voorbeeld strek een baak, en gij den onderdaan
Een spoor. Men vang van u dien maagdenoffer aan.
Dan Ursulís dode lijf aan enen paal geslagen,
Om doorít gezicht de stad verbaasdheid aan te jagen;
En als de zonne zinkt voor díopgereze maan,
De ganse macht vanít heir gedreven steewaart aan,
Om met een avondstorm dees zidderende wallen,
Vol schriks door zo veel moords, al teffens tíovervallen.

ATTILA.

Ik zweer het bij mijn hoofd, ík en zal niet minder zijn,
Dan enig voorzaat was, al waarí het slechs in schijn.
Als ik dien degen zwaai, zo pas mijn spoor te volgen.
De min woedt allerfelst, wanneer ze wordt verbolgen.

REI VAN AGRIPPINERS.

ZANG.

De vijnpers van Gods grimmigheid
Zal witte en purpre druiven parsen,
En met een roden dauw vervarsen
Dit veld, dat om vervarsing schreit.
Gods snoeimes strekken zwaard en spiesen,
Zijn wijnberg ít Ellefduizendtal,
De druiven, die Hij parsen zal,
En aan den wijnstok Jezus wiesen.
De paardevoet dreigt in dees druif
Te trapplen met bloeddronke hoeven
(Helaas hoe drukken ons dees schroeven!)
Dat hen het sap om díoren stuif.
Die most wil ons te bitter smaken,
Maar alle Hunnen dronken maken.

TEGENZANG.

Tíis Wijnmaand, tíis de rechte tijd.
Laat dien Wijngaardenier betijen,
Die maat kan stellen ieders lijen.
Hij zet den merkpaal van den strijd.
Hij geeft bij beurte zon en regen,
Dan zonneschijn, dan regenvlaag.
De zonne schijnt niet alle daag,
Noch juist wanneerít ons valt gelegen.
Het water leit niet eeuwig vlak.
Het onweer weet zijn tijd en stonden.
Tístaat al aan tijd en maat gebonden,
Wat voorvalt onderít hemels dak.
Gods roeden, die het lichaam plagen,
Zijn bezems om de ziel te vagen.

TOEZANG.

Gij zalige englen altemaal,
Ten dienst der vromen uitgelezen,
Daalt neder, ieder met een schaal.
Koomt, schept het sap der zuivre bezen,
En mengelt dit, dat bidden wij,
Met bittre tranen, die wij schreien.
Daalt neer, onsterfelijke reien.
Verkeert dees gal in lekkernij.
Verkwikt ons, midden in doodspijnen,
En parst uit alsem puik van wijnen.


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001