Joost van den Vondel (1587-1679)

MAAGDEN

HET VIERDE BEDRIJF

ATTILA.

íK belastte mijn kornels de koningin te brengen;
Hoezeer de liefde raadt heur leven te verlengen.
Was nu mijn borst kristal, men zag hoeít waar gesteld
Inít hart van Attila, dat klene en enge veld
Voor liefde en eer, die daar met macht te velde komen,
Uit bittre vijandschap, en punt noch snede schromen.
O hand, zoudt gij dien dolk wel durven domplen in
Dien boezem en die borst der lieve vijandin?
Zoudt gij dat witte sneeuw met purper durven mengen?
Kan min die wreedheid zien? of immermeer gehengen,
Dat zij haar ogen luik? twee zonnen, daar de zon,
Opít klaarste van den dag, niet tegens opzien kon.
Kan min gedogen, dat de kille dood ontdooie
Dit sneeuw vanít aangezicht? dat die met rijp bestrooie
Die rozen op de wang, en sluit dien roden mond,
Vol geurs? gelijk een hof, wanneer de morgenstond
Met aangenamen dauw de bloemen en de kruien
Bevochtigt, en verkwikt, en ademt uit den Zuien.
Neen, Attila, uw minne is zo nog niet verkoeld,
Dat gij heur harte wondt, en zelf geen wonde voelt.
Gij zoudt, in Ursulís borst, uw eigen hart doorsteken.
Hoe kon uw vijandin zich makkelijker wreken,
Dan door uw eige vuist beslechten dit krakeel?
Dees heuvel, die hier rijst, zal die een moordtoneel
Verstrekken, in den ring van hopliÍn en kornellen?
Zal die het bloembed zijn, daar ik mij schrap moet stellen,
En houwen Venusí roos van haren teren struik?
Opdat de lent beschrei het kostelijkste puik,
íTwelk in den rozengaard eens konings werd geboren?
Zal Venusí voet nu bloÍn van dezen ijzren doren?
Ik zelf een doren zijn in haar gekwetsten voet?
Opdat der bloemen zon, uit zulk een edel bloed,
Verrijze, tot vermaak en nut en dienst der mensen.
Mijn ogen zullen die dees lelie zien verslensen,
En sterven, op het bed van deze groene zoŰn?
Zal ik die blonde pruik haar goude koningskroon
Ontluistren, en dit hoofd, wel waard mijn kroon te voeren,
Naít sneuvlen ook aanít snoer van Nuimrods zege snoeren,
Bij díandre koningen, en koppen, dien mijn kling,
Gelijk een stale wind, door nek en strotten ging?

Neen Attila, gij moogt dit hemels zaad niet smoren;
Gij moet nochtans, en hebt autaar en goŰn gezworen,
En met gestaafden eed uw trouw aanít Rijk verplicht.
Zult gij nu eer en eed vergetende, zo licht
Verwarelozen díeer, door dapperheid verworven?
Is díeerste vromigheid in uw gemoed gestorven,
Dat gij, die nooit voor stroom noch bergen stilstaan bleeft,
Niet, blank inít harnas, voort stadsgraften overstreeft,
Noch draagt de storremleer de voorste aan sívijands wallen,
En klimt en wenkt uw volk om moedig aan te vallen?
Zult gij, inít hart geprikt van Cyprisí geilen straal,
Uw triomferend heir verstrekken een schandaal,
Dat over bergen klinkt en grondeloze plassen?
Zult gij inít aangezicht der stad ontharrenassen
Dit braaf gewapend volk, dat in zijn volle krits
Gereed staat om er in te vliegen met zijn spits?

Maar hoe? ik raas, ik raas, en ben niet wel bij zinnen.
Rechtschapen krijgsman kan geen eer aan vrouwen winnen,
Inzonderheid wanneer zij weerloos staan, en bloot.
De liefde aan díene zij, aan díandre zij de nood
Mij trekken, elk omít stijfst; gelijk de herrefstbuien
Bestoken, reis op reis, vanít Noorden en vanít Zuien,
Een hoog gewassen eik, die over bossen ziet,
En diep in Taurusí rug zijn taaie wortels schiet.
Hij kraakt vast, en bestrooit den grond met blad en lover,
En helt ter slinke hand, dan weer ter rechter over.
Zo wordt mijn vlotte geest gedreven heen en weer.
Maar hier koomt Beremond. Hij loopt vast op en neer.

BEREMOND. ATTILA.

BEREMOND:

Schep moed, doorluchtste held. Doe nu voor ieder blijken,
Dat gij alleen niet zijt een koning van veel rijken,
Maar ook van uw gemoed; dat liefde tot uw staat
En glorie vrouweliefde al veer te boven gaat.

ATTILA.

Aartsoffervinder, och! ik leg te diep verzonken.

BEREMOND:

Grijp moed, een ogenblik, en daarmede isít geklonken.

ATTILA.

O zuren ogenblik, hoe streef ik u voorbij?

BEREMOND:

Sta vast een korten stoot. Zet liefde aan díene zij.

ATTILA.

En of ik in dien strijd ten middeweg bleef steken?

BEREMOND:

Gij zorgt vergeefs. Ik zal u hart en moed inspreken.

ATTILA.

De liefde staat en dreigt, en maakt mijn hart vervaard.

BEREMOND:

Tíis ingebeelde waan, en geen bedenkens waard.

ATTILA.

De geest zal, na haar dood nog warende, zich wreken.

BEREMOND:

Zo Mars zijn wierookschuld niet eerst met Ursul reken.

ATTILA.

De minne na liefs dood brandt feller inít gemoed.

BEREMOND:

Men dooft die in haar as: men blust die in haar bloed.

ATTILA.

De tranen zullen mij gestadig staan in díogen.

BEREMOND:

Gij zult ze aanít heilloos lijk en aan heur kleedren drogen.

ATTILA.

Hoe scheidt een minnend hart zo node van een vrouw!

BEREMOND:

Die u zo schendig schold, om díaangebode trouw?

ATTILA.

De liefde is doof, en blind, en kan het al verdragen.

BEREMOND:

De liefde tot uw eer geneze u van dees plagen.

ATTILA.

Men sla iet eerlijks voor, dat staat noch ere kost.

BEREMOND:

Men waarschuwt u van Rome, en schrijft u post op post.

ATTILA.

Is nu de Staat zo veel aan ene maagd gelegen ~

BEREMOND:

Zij won inít eerst uw hart, nu grijpt ze naar dien degen.

ATTILA.

Dien draag ik op de zij, gelijk een vroom soldaat.

BEREMOND:

Zijt gij er meester af, gebruik dien niet te laat.

ATTILA.

íK en wil met Ursulís bloed het zwaard van Mars niet smetten.

BEREMOND:

Zij smet ít autaar van Mars, zijn godsdienst, en zijn wetten.

ATTILA.

íT besmette zwaard zou staag nog bloen voor mijn gezicht.

BEREMOND:

Verschoont ge ít heilig zwaard, zo priem haar met een schicht.

ATTILA.

Mijn schicht, zal die het bloed der overschone lekken?

BEREMOND:

Grijp moed. Ik zal er een uit uwen koker trekken.

ATTILA.

Ja trek er een, die mij dit bange hart afsteekt.

BEREMOND:

Aanvaard dien schicht, nog nooit in iemands bloed geweekt.

ATTILA.

íK aanvaard hem blindeling. íK gevoel mijn onvermogen.

BEREMOND:

Zij komt met uw kornels. Stoot toe, en sluit uw ogen.

URSUL. ATTILA. BEREMOND.

URSUL.

Ontzichbre Vorst, ík verschijn al weer, op uw ontbod,
En wacht van uwer hand mijn toegeleide lot.

ATTILA.

Men telt uw mannelijke en maagdelijke troepen.
íK heb zommigen voor mij gedagvaard en doen roepen.
Men kan het ganse heir van dezen heuveltop
Met zinnen overzien, en tellen kop voor kop.
Klim op. Tíis tijd. Men moet mij díuitgepikte wijzen.
Gij zult hen voor dees kruin al teffens zien verrijzen.
Daar staat uw leger nu in zijnen vollen krits,
Omsingeld van mijn heir, gewapend met het spits,
Mijn krijgsliÍn zouden eer verliefd dan toornig worden,
Op zo veel aanzichten, al vierkant in slagorden,
Zo schoon en braaf, als ooit Scythin te velde brocht.
Vier regementen voor, en vier tot achtertocht,
Inít midden drie, datís elf, die elk een kruis opsteken,
Behalvenít middelpunt; daar schijnt alleen tíontbreken
Uw trotse kruisbanier, die past er wonder bij.
Het mannevolk verstrekt de vleugels van weÍrzij.
De rechte vleugel draagt al geestelijke kleren,
De slinke wiek bestaat uit wereldlijke heren.

URSUL.

O Ellefduizendtal, den hemel toegewijd,
Heldinnen, die voor díeer vanít Rijk der englen strijdt,
Gij, hoofden van Gods heir, verlicht van síhemels stralen;
Tízij ambteloze paus, aartsvaders, kardinalen,
Aartsbisschoppen, met al dees kerkelijke pracht
En praal; tízij koninklijk, of vorstelijk geslacht,
Baroen, of edelman, al tísamen Jezusí knechten,
Gevoerd inít martelveld, om zege te bevechten:
Ik groet u duizendmaal inít loflijk worstelperk.
Vecht nu voor Christusí naam: gij draagt Zijn heilig merk.
Uw zielen zullen, na dien veldslag, breed gaan weien,
En varen God te moet met rode livereien.

ATTILA.

Nu dien mij op mijn vraag met kort en klaar bescheed.
Hoe komt dit reisbaar volk zo kostelijk gekleed?
Hier vloeit al síwerelds schat bijeen van allen kanten.
Hier flikkert Indien met al zijn diamanten.
Tíis al scharlakenrood, al purper, dat er blaakt,
Al fijn en louter goud, al zilver, dat er kraakt.

URSUL.

Gij ziet verzaamd een volk van tweederleie standen,
íTwelk op den hogen dag, en ít hoogtijd nu voorhanden,
Ter ere van het onbegrijpelijk Drie-Een,
En dat almachtig Hoofd, ten Hemel ingestreÍn,
Opít allerheerlijkst dus voor u koomt uitgestreken.
Want schoon zij ambtloos zijn, nog lenen zij het teken
Van hun verlaten ambt, opdat die zichtbre praal
Gods vijanden, doorít oog, tot in het hart toe straal,
En krachtig overtuig tíhardnekkige geweten.

ATTILA.

Gij Christenen weet ruim uw stukken uit te meten.
Wie voert de maarschalk hier zo dicht voor mij ten toon?
Wie is die grijze kop, die met een sluierkroon
Zijn mijter driemaal kroont, van stenen overladen
En van karbonkelen; vermast van zijn gewaden
En schitterenden staf, die driemaal is gekruist,
En goude sleutels draagt in zijne slinke vuist?

URSUL.

Dat is CyrŪacus, het hoofd der Christe bende.

ATTILA.

Een hoofd vol majesteit. Mij docht dat ik het kende.
Hoe zweemt hij naar dien god, die, bij den Eridaan,
Mij onder ogen trad, en schielijk af deed staan
Van díopgezetten tocht; toen met den bloten zwaarde
Een Godheid boven hem, voor bei mijn ogen, waarde
En bliksemde. Hoe is hij Leo zo gelijk!
Hij schijnt geboren, niet gekoren, tot zijn Rijk
En Opperpriesterdom. Maar meld mij dees twee andren,
Die, stemmig achter hem, gepaard staan bij malkandren,
Wier borststrook met een trits van kruisen hangt gela‚n.

URSUL.

Men kent díAartsvaders dus, en díeen heet Kassiaan,
Dien ik te Rome vond, en, met zijn wijze Grieken
Mij volgende, verstrekt een slagveer aan mijn wieken;
Een, dien geleerdheid noch godvruchtigheid ontbreekt;
Een helder licht, daar elk zijn harsens aan ontsteekt.
Hij heeft de nevelen van menig oog geschoven,
En toonde ít onderscheid vanít vatten en geloven.

ATTILA.

Daar staat een jongeling, recht achter hen, inít wit,
Vrij schotig, schoon van leest, twee ogen, zwart als git,
De baard breekt effen uit. Een ruigte schijnt de kaken
Te kleen met goude wol. De heldre stenen blaken,
Als starren, in de kroon, die hij zo treflijk spant,
En díeedle scepter past te voeglijk in zijn hand.

URSUL.

Gij hebt den bruidegom geschilderd naar het leven.
Dat is AEthťreus, die, met mij afgedreven,
Niet meer naar mij, maar naar een rijker huwlijk staat.
Hij heeft, dus jong van jeugd, gewraakt het wulps gelaat.
Zo stroopt de schrandre slang haar huid in scherpe heggen.
Hoe wenst hij, om Gods Rijk, dien rijkstaf neer te leggen.
Hij groet me nog van veer, voor díallerleste reis,
Tot wederziens bij God, inít hemelse paleis.
Schep moed, mijn troost, schep moed. Wij zullen haast vergaren.
En ít sterflijk hier beneÍn, omhoog ít onsterflijk paren.
Zij groeten elk omít zeerst, en worden mij gewaar.
Mijn kruisgenoten, zet u schrap opít hoog autaar.
Al díenglen geven u den zegen en ít geleide.

ATTILA.

Twee vrouwen vatten daar een jongsken tussen beide,
Alsofít gezusters zijn, indien ik recht bevroei,
Bedaagd van oude.

URSUL.

          Al recht, mijn moeder, en mijn moei,
Met haren klenen zoon, na mijnen bruigom volgen.
Mijn moei heet Gerasijn, die, over den verbolgen
En woesten pekelplas, mij aan den Teems bezocht,
En Etna liet, door brand tot dezen maagdentocht.

ATTILA.

Wie pronken achter haar met ongevlochte tuiten?

URSUL.

Vier deugden in den aard, alrede huwbre spruiten,
Haar dochters alle vier, die dus ter bruiloft gaan.

ATTILA.

Men ziet dit Elleftal, als met een halve maan
Van ellef maagdekens, van achter braaf gesloten.

URSUL.

Die strekken voor kornels vanít heir der kruisgenoten.
Zij treden dus vooruit, en voeren ít leger aan.

BEREMOND:

Monarch, ontruk haar toch die schandelijke vaan.

ATTILA.

Leg af ít schandaal, waarmee gij achter land loopt zwerven.

URSUL.

Rechtschapen vaandrig moet en wil bijít vaandel sterven.

ATTILA.

Ontzegt ge mij dees vaan, die ít leger schande aandoet?
Daar leit de vaan en ít kruis. Ik trap het met den voet.

BEREMOND:

íT gaat wel. Verzet haar zo die onverzetbre zinnen,

URSUL.

Gij broedermoorder, most dien maagdemoord beginnen
Met zo een schendig stuk, als ít schenden van het kruis.
Zo komen u met recht Gods plagen teffens thuis.

BEREMOND:

Wordt een monarch nu dus van zín slavin versproken?
Stop toe dien lastermond.

ATTILA.

                                        Ik heb mijn leed gewroken.
Zij leit er toe. Zij zwijmt. Zij sterft. Zij geeft den geest.

BEREMOND:

Gij kwijt u als een held. Zo viert men Mavorsí feest.

ATTILA.

Nu krijgsliÍn, valt er aan, gij ziet mijn sabel zwaaien.
Zo moet men vader Mars met maagdenoffer paaien.
Daar briest de dertle hengst op trommel en trompet.
Daar gaat hij in een zee van brein en bloed te wed.

BEREMOND:

Gij kunt de feest van Mars niet koninklijker vieren.
Een ander paait Jupijn met honderd witte stieren;
Gij Mars met vijanden vanít menselijk geslacht,
Bij duizenden. íT gaat wel. Het offer is volbracht.
De veldheer, die verslapt van minne werd geoordeeld,
Beneemt alle achterdocht door zo een levend voorbeeld.

ATTILA.

Kornels, men recht dit lijk, voorít ondergaan vanít licht,
Terstond aan enen paal gebonden, inít gezicht
Des muurs, om door dien schrik ít hardnekkig volk te dwingen,
En ieder hou zich reed, men zal de stad bespringen.

REI VAN AGRIPPINERS
ZANG.

Waar zijn de maagden? waar de vrouwen,
Die zich van schreien nu onthouen?
En niet met ons heur hart uitklagen,
Om dees bedroefde nederlagen?
Men hoorde, eer nog trompetten gingen,
En trommel sloeg, dees Maagden zingen;
Terwijl we smolten in ons tranen.
Men zeit dat zich de vege zwanen
Nog met een lofzang dus vermaken,
Wanneer ze zien de dood genaken.
Naít zingen gaan ze, zonder kermen,
Malkandren kussen en omarmen.
Hier scheiden tweederleie staten,
Die zich op enen God verlaten.
Hier ziet men vorsten en vorstinnen,
En koningen en koninginnen,
Ja paus, aartsvaders, kardinalen,
Aartsbisschoppen, en priesters pralen
Met síwerelds allergrootste schande;
Verwezen tot een offerande,
Inít aanzicht van zo veel tirannen.
Hier groeten maagden, vrouwen, mannen,
En jongelingen vast malkandren,
En ít aanschijn weet van geen verandren:
Niet ene heeft haar verf verschoten.
Verwanten, vrienden, speelgenoten,
Een iegelijk voor ander vlugge
Biedt síwerelds ijdelheid den rugge.
De Hunnen staan van spijt en zwellen,
Als zij zich in geleden stellen,
En in slagorden, om door lijden
De macht der wereld te bestrijden.

TEGENZANG.

De Hun zijn blanken degen zwaaide,
Toen Ursulís vaan niet langer waaide:
Dit was de moordleus en het teken.
De trommels slaan, trompetten steken.
Het krijgsvolk, op trompet en trommel,
Komt teffens ploffen in den drommel
Der Maagden, bloot en zonder wapen:
Gelijk in ene kudde schapen
De hongerige wolven varen,
En gene met hun tanden sparen.
Den ruiter komt van achter rijden.
Het voetvolk parst heur van weerzijden.
De Maagden staan als Gods gebonden.
Zij sneuvlen moedig, daar ze stonden.
Zij kussen nog de paardevoeten,
Die lijf en ingewand doorwroeten.
Zij kussen dees geverfde klingen,
Die door den rug en díarmen gingen;
Dees pijlen, die den boezem wondden.
De zom verscheiden mond aan monden,
En zonder krijten, zonder karmen,
Al lachende in malkanders armen;
Dat zelfs der krijgsliÍn harten krompen.
Hier rollen hoofden, ginder rompen.
Daar drijven afgesnede borsten,
Hier brein en bloed, die haar bemorsten.
Hier ziet men armen, benen slingren,
Daar handen, voeten, tenen, vingren.
De Hun, als hij dees doden plondert,
Zich om heur eerbaarheid verwondert;
Vermits die kuise en eedle zielen
Met mond en borst op díaarde vielen.

TOEZANG.

Zo gaat het Christusí uitverkoornen.
Zo groeit de lelie onder doornen;
De roos op scharpe doornehagen.
Zo trekt men zegen uit de plagen.
Geen akkers worden zo gezegend
Als Ursulís Veld, van bloed beregend.
In deze zee gaan díenglen baden.
Dit zijn de purpere gewaden,
Daar Jezusí bruiden zich mee kleden,
Wanneer ze naar heur stacie treden.
Dees rode druppels zijn robijnen,
|Die boven licht, hier donker schijnen.
Men drinkt bij God uit goude koppen,
Verzet met dees gestremde droppen.
Dit zijn de rechte livereien,
Om díallervroomsten tíonderscheien.
Zo triomfeert mcn overmonnen.
Men vindt geen kostelijker bronnen,
Dan die uit símartlers adren springen.
Dees sluiers passen hovelingen,
Die tot het hemels hof behoren.
Zo strekken sívijands punten sporen,
Om ít Christelijk gemoed te nopen,
Veel spoediger naar Honk te lopen,
De renbaan aller martelaren.
Dies staakt dit treuren, droeve scharen.
Geleidt met vierige gebeden
Het Maagdenheir, nu doorgestreden,
Daar zij het al ten hemel wenken.
Noch dood noch vijand kan u krenken.
Gij ziet de zon inít water dalen,
Om op te staan met blijder stralen.


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001