Joost van den Vondel (1587-1679)

MAAGDEN

HET VIJFDE BEDRIJF

BURGEMEESTERS. BODE.

BURGERMEESTER.

Hoeít kwam, dat Attila het hoofd zo plotseling stiet
Met dezen elfsten storm, begrijpt mijn brein nog niet;
Terwijl ik, bijít klinket, verwacht, ontrent de wallen,
Ons ridderschap, omít lijk van Ursul uitgevallen.

BODE:

Zij komen, met dien buit geladen, naar de stad.

BURGERMEESTER.

ík Geloof het nauwelijks. O Jezus, loon hen dat.
Wie durf ít verbeten lam, met bloenden muil gedragen
Inít hongerige nest, dien wreden wolf ontjagen?

BODE:

De spie verkondschapte ons, hoe ít lijk in Manfridís tent
Te zorgloos werd bewaard doorít Kattenregement;
Dat van den storm vermoeid, en dapper aanít verlopen,
Geen legerpoorte sloot, maar lag naar stad toe open.
Dit gaf de borsten moed. Wij nadren altemet,
Vernemen man noch paard op schildwacht uitgezet.
Wij zien vast hier en daar de herrefstvieren roken.
Díeen leit op stro en ronkt, met ogen toegeloken,
Verdronken in den wijn. Een ander drinkt, en druipt
Van most, en voelt niet eens dat hem de slaap bekruipt.
De zommigen den buit verdobblen en verspelen.
Een ander, hallef naakt, zijn wonden zoekt te helen.
De wagens staan er bij, zom heel, zom half gela‚n.
Hier leunt een speer, daar hangt een schild of rusting aan.
De vlammen schittren vast in helmen en standaarden.
De ruiters altemaal, gestegen van hun paarden,
Verzuimen hunnen plicht, gelijk de voetknecht doet.

Toen Liskerk dit vernam, ontstak zijn edel bloed,
Veel hitsiger dan ooit op Keulens trotse muren,
Nog tíavond van zijn bloed en druipende kwetsuren
Geverfd, daar hij den Hun manhaftig wederstond,
En, hoe vermoeid, het zwaard niet eenmaal af en bond.
ĄO telgen, voortgeteeld van roomse en duitse struiken,
Die niet om pracht, sprak hij, maar eerlijk te gebruiken,
Het harnas gespte aanít lijf, en degens gordde op zij;
Hier is gelegendheid. Een ieder volge mij,
Om onze erfvijanden, dees Katten, die als slaven
Zich onderít hunse juk zo schandelijk begaven,
Betaald te zetten ít leed, van oudsher aangedaan
Den UbiŽn; toen, na veel jammers, uitgestaan
Van woest geweld, zij heul aan Caesarís scepter vonden.
Ditís Manfridís regement. Gij ziet den hengst gebonden
Vast grazen bij zijn tent, waarin hij stormens moe,
Houdt schildwacht op tapijt, met bei zijn blikken toe.
Wie zag ooit schoner kans in alít beleg geboren?
Mijn makkers, datís u voor.Ē
Met gaf hij ít ros de sporen.
Al díandren op dat spoor hem rennen achteraan,
Het open leger in. Wat kon er tegens staan?
Wij ploften onverziens inít honderd, in den drommel,
Vůůrít steken van trompet, voorít roeren van de trommel
Des ronkenden soldaats. Eerít iemand hoorde of zag,
Gevoelden ze onze jeugd niet eerder dan den slag
En ít ijzer op den hals. Dat was het zeker teken.
En daarmee wapen, moord, en klokken opgesteken.
Zo overvalt op zee een onverwachte vlaag
Den zeeman, daar hij slaapt, en verre leit te laag,
Als, onzacht opgewekt, hij tízeil begeert te strijken,
En bulderende wind en golven niet bezwijken,
Voordat het schip gesloopt te gronde gaat, en zinkt.
Hier wordt er een verrast, terwijl hij zit en drinkt,
En braakt den wijn en ít bloed, en mengt ze met malkanderen,
Een ander wil zijn spel te spa in ernst veranderen,
En wordt, terwijl hij speelt, het spel en ít leven kwijt.
Een ander, vast in slaap, vanít waken wordt bevrijd.
Een ander grijpt zijn zwaard, of zet zich in geleden,
Maar wordt vanít punt geraakt, of van den hoef vertreden.
Een ander, die zijn kwaal verbond, met luttel harts,
Vanít schichtig zwaard geheeld, vond nooit gezwvinder arts.
Opít roepen midlerwijl, op dit erbarmlijk schreien,
Terwijl Agrippaís jeugd, zo stout, zo breed, gaat weien,
Komt Manfrid uit zijn tent gesprongen, half gekleed,
Met ene hellebaard, en schuimbekt bijster wreed,
En schreeuwt: wij zijn nog niet verbasterd van onze ouderen.
Hij brengt een slag, maar ít hoofd dat hangt op beide schoudren
Gekloven middendoor van Liskerkís gladde kling,
Die hem te snel ontmoette, en rustig tegensging,
En zonder samlen sprong uit zijnen hogen zadel,
De tent van Manfrid in, bestuwd van keulsen adel,
En haaldíer Ursulís lijk, en smeet het op zijn paard.
Toen daatlijk ít leger uit, en zo weer stedewaart
Door dik door dun gejaagd, van bloed en zweet bedropen.
Bezet de poort en wal, en zet de poort wijd open.
Zij komen met het lijk. Alít leger raakt in roer,
En was ten deel gevloon. Ik boodschap u hoeít voer.

BURGERMEESTER.

Manhafte jongeling, die zonder eens te flauwen,
Dien kostelijken roof hebt uit die stale klauwen
Des noordsen beers gerukt; uw ridderlijke daad
Blijft in geheugenis, zolang de dageraad
De duisternis verdrijft, zolang de starren dalen
En duiken, voor den glans van levendigcr stralen.
Sinte Ursul zal u niet vergeten in Gods Rijk,
Daar zij, Gods blijde Bruid, voor díenglen zit te prijk.

JULIAAN. ATTILA. GEEST VAN SINTE URSUL. GEEST VAN ST. AETHEREUS.

JULIAAN.

Hoe heeft de Noordzij zich zo schandelijk gedragen?

ATTILA.

Hoe liet de Zuidzij zich zo schandelijk verjagen?

JULIAAN.

Trompet noch trommel werd gesteken noch geroerd,
Voordat men ít stormgevaart had steewaart aangevoerd,
En wat tot storremtuig en reedschap kon verstrekken.
Alít voetvolk kwam vooraan, de ruiter achter trekken,
En noopte met zijn paard ook ít hart des soudeniers,
Om den belegen muur tíontginnen met meer viers.
De nieuwe maan ging op, dat was ít gezette teken,
Om met een veldgeschrei al tísamen op te steken.
Zo ging het stormen aan, hardnekkiger dan ooit,
Het hagelde geweer. Het veld werd dicht bestrooid
Met pijlen, die de lucht verduisterden, en vlogen,
En snorden van de pees der afgeschoten bogen.
Men brocht den storrembok met ene schildpad aan,
Geweld daar muur noch poort, noch toren voor kan staan.
Alít vrouwvolk in de weer zich weert met traan en vlammen,
Met pekreep, ziedend kalk, en stenen, om het rammen
Te hindren. Heet gevecht maakt hete harsens dol.
De mannen sneuvelen. De graften raken vol.
Men strijdt eer reukeloos als met verstand en orden,
Uit bitterheid, van wie zij aangedreven worden.
Gewicht van stenen rolt en tuimelt van den wal
Opít schildendak, dat sloopt, door eenen zwaren val;
Dat kraakt, en knarst, en huilt. Nog ziet men niemand suffen.
Men laat zich door veel moords inít rammen niet verbluffen.
De levendige treedt terstond in sídoden plaats.
Inít end bezwijkt de muur, doorít aanstaan des soldaats,
En stort met rook, en puin, en groot gedruis ter aarde;
Die davert van dien slag, alsof ze reuzen baarde,
En weer in arbeid ging. Het puin vervult de gracht,
En baant den weg in stad: die schijnt in sílegers macht
Te staan, daar over ons de vesten vreeslijk gapen.
íK zag díAgrippiners blank op straat, in volle wapen,
Getroost het huns geweld tíontvangen sterk en stijf,
Als mij, gelijk een koorts, een grilling reed doorít lijf.

ATTILA.

Wat grilling kwam u aan? hoe is u ít hart ontzonken?

JULIAAN.

Mij docht, dat in die breuk des muurs dees mannen blonken,
Die flus verslagen, nu verschenen wederom
Tot wrake van dien moord. íK zag Ursulís bruidegom,
Dien wakkren jongeling, den wijden mond der muren
Bezetten, met die zelve en vloeiende kwetsuren,
Ontvangen van mijn hand, toen ik, versteurd van moed,
Hem aangreep bij zijn kleed, en slibbren deed inít bloed
Vanít grijs en pauslijk hoofd, hetwellek, voor zijn ogen,
Doorsteken van mijn zwaard, zich mede kwam vertogen,
Tot wraak vanít ongelijk, met ene hese stem;
Gelijk die dubble wolk van mannen achter hem,
De moede burgerij kwam bijstaan en verpozen.
Men zag er zom gebaard. Men zag er baardelozen,
En jong en oud. Elk had zijn eigen handgebaar,
Een kruis, of staf, of torts, of zwaard. íT gespook stond naar
En vreselijk bij nacht. De krijgsman, aan het dutten,
Wijkt af, verloopt, en ik zoek hen vergeefs te stutten.

ATTILA.

Nu merk ik, tíis geen droom noch harsenschilderij.
Het heeft niet weiniger gespookt aan onze zij.
Ik, om geweer en moed vanít oorloogsvolk te slijpen,
Hadde opgezet eens zelf de torens aan te grijpen,
En greep, inít bits gevecht, na zo veel tegenstand,
Den standerddrager zelf den standerd uit de hand
Met díeen, met díander hand de lange storremladder,
En riep: ĄMen volg mijn spoor. Wie eerst van allen radder
Kan steigren, achter mij, en schrap inít heetste staan,
Dien mag onsterfelijke eer noch muurkroon niet ontgaan.
Hier rijst het Kapitool. Hier is de wedergade
Van Rome. Schats genoeg tot boete van uw schade,
Geleden inít beleg. Val aan, ik wijs u ít spoor,
Mijn Arend met de kroon, mijn Astur vliegt u voor.Ē
Het vier ontstak. Men zag hoe aller ogen glommen.
Ik recht de ladder zelf, en daadlijk opgeklommen;
Mijn regement mij na, en zo de zege ontgost.
Een iegelijk soldaat hiel stand, gelijk een post.
Ik zwaai den degen vast. Ik schreeuw vast, moord, en wapen,
Vrijbuit, en brand. Val aan, nu wreek u eens rechtschapen.
De burgerij verflauwde in tegenweer te biÍn.
De wal en stad was ons; wanneer ik op zijn kniÍn
Een oud eerwaardigst man zag vallen, in het midden
Der priesteren, en met gevouwe handen bidden.
Op dat gebed, helaas! verscheen me straks mijn Min,
Met haar doorschote borst. Die schone Koningin
Verscheen met dees kwetsuur, die vers, nog deerlijk bloedde.
Hoe werd mijn hart zo bang, dat straks zo grimmig woedde!
De standerd zeeg, en viel, metenen viel de moed.

JULIAAN.

Verscheen ze slechs alleen?

ATTILA.

Met een ontelbren stoet
Van duizenden bestuwd, en met die zelve zielen
Die, van den hoef getrapt, door zwaard en speren vielen.
Zij trad mij inít gezicht, en docht me ruim zo schoon,
En ruim zo groot als flus. Haar diamante kroon
Verlichtte straat en wal, doorít schitteren der stenen,
En ít kronegoud, gelikt en goddelijk beschenen
Van enig godlijk licht, dat met een ronden kring
Van tongen, rood als vier, omít heilig hulsel ging.
Mij docht ik zag dien schicht nog in haar harte steken,
Daar ít lauwe bloed langs scheen op díaarde neer te leken.
Ik stond er stijf en stom. Alít krijgsvolk zag op mij.
De liefde en schrik van díeen, de schone aan díandre zij.
Nog drong ik steewaart in met sidderenden degen.
Maar waar ik kwam, alom vloog Ursulís geest mij tegen
Met hare standerdvaan. Haar Maagden overkuis
Bejegenden mijn volk met dadeltak, of kruis,
Of maagdewasse kaars, voor wie de krijgsliÍn vielen,
En vloden hier en daar. Zij zat mij op de hielen,
Of stond voor mijn gezicht. Veel troepen vloon verbaasd;
Dies ik den aftochr. blies, want díaftocht was ons ít naast.

URSUL.

Nu treffen den tiran al síhemels dreigementen.

AETHEREUS.

Nu Juliaan vervolgd in díaangesteke tenten.

ATTILA.

Och Juliaan, wat raad? Hier komt het zelve spook.

JULIAAN.

Hou stand, tíis ijdelheid, en wind, en stof, en rook,
Of een ontsteken damp, die schichtig zal verdwijnen.

URSUL.

De zonne zal voortaan uw hutten niet beschijnen.

JULIAAN.

Hou stand, tíis ijdelheid, die eer verstuift dan stof.

URSUL.

Des legers kreits verstrek den Hun een kerrekhof.

JULIAAN.

Wie zijt ge, die bij nacht ons kwellen komt en plagen?

AETHEREUS.

Slechs wind, en rook, en damp, en stof, om uit te vagen.

JULIAAN.

Indien ge niet ontvlucht, ik stel mijn zwaard te werk.
Wat of de veldheer doet?

ATTILA.

Ik schrijf met kool een perk, Tot mijn verzekering, en zalít met vloeken wijen.

JULIAAN.

Daar komt het ijslijk spook, en durf het overschrijen.

ATTILA.

Isít wonder dat mijn haar hierdoor te berge rijs?

URSUL.

Bevriest uw hart nog niet zo stijf en kil als ijs?

ATTILA.

Och Ursul, laat me gaan. Och spaar den koning ít leven.

URSUL.

Tiran, uw vuist heeft mij dien schicht inít hart gedreven.

ATTILA.

Och Ursul, laat me gaan, vergeef me toch dien moord.

URSUL.

Wij geesten eisen wraak. De Hemel is verstoord.

AETHEREUS.

Durft gij, aartsmoordenaar, u langer hier vertrouwen?

JULIAAN.

Wijk af, ik zal u ít hoofd van buik en schoudren houwen.

AETHEREUS.

Heeft wind, en rook, en damp, en stof nu buik en hoofd?

JULIAAN.

Daar leit de geest. Ik heb hem ít bekkeneel gekloofd.

AETHEREUS.

Nog leeft de geest. Uw zwaard is veel te plomp van snede.

JULIAAN.

Och goede geest, vertrek, laat Juliaan met vrede.

ATTILA.

Och Juliaan, wat raad? nu weet ik geen verblijf.

URSUL.

Gods straffe volgt Gods Roe, gelijk de schaduw ít lijf.

ATTILA.

Het zweet breekt uit. Wie moet voor dit gezicht niet ijzen?
Prinses, ik zal mij nu genadiger bewijzen.

URSUL.

Gelijk ge zijt gewoon, die ít al verwoest en stroopt,
En Christenrijk inít bloed der martelaren doopt.
Verbeeld u niet, dat God uw moedwil wil verschonen.
Ik zal u ít halve hoofd van uwen Manfrid tonen.
Daar ziet gijít van het lijf gesneden, en nog nat.
De ridderschap valt uit, met al de ganse stad.
De tenten staan in brand. Uw volk verloopt te spade.
íT vergoten bloed roept wraak. Tíis uit met Gods genade.
De ganse stad valt uit. Alít leger staat in vier.

ATTILA.

Wat zien we, Juliaan? wat aanzicht zien we hier?
Tíis Manfridís eigen hoofd. Verwacht geen ander teken.
Och Juliaan, tíis tijd als díandren op te breken.
Och Juliaan, breek op, met díoverige macht.
Tíis veiliger gevloŰn, dan ít uiterste verwacht.

AARTSBISSCHOP. BURGEMEESTERS. REI VAN AGRIPPINERS.

AARTSBISSCHOP.

Getrouwe ridderschap, zet hier de doodbaar neer,
En ít Heilig Lijk. íT wordt spa, ook valt de weg te veer,
Vooreerst genoeg, totdat men ít lichaam voort geleide.
En op het statelijkst een uitvaart toebereide,
Gelijk de heiligheid van zo een Heilig voegt.
Maar dit toeschietend volk bleef al den nacht misnoegd,
Indien hun ogen zelfs de dode niet eerst zagen.
Men schuif de doodkist op. Daar leit ze nu verslagen,
Die vrome Kruisheldin, en stut vanít eeuwig Rijk.
Gij, vaders van de stad, gij, burgers algelijk,
Om Gods wil, ziet toch eens, gij maagdekens, en vrouwen,
Koom leek, en priester, koom de Koningin aanschouwen.
Zij schijnt niet dood, noch ook den slapenden gelijk,
Maar levend lacht ze u toe. Hier leit een Bruid te prijk,
Wiens ziel inít hemels koor, voor dícngelen, ging trouwen
Den schoonsten Bruidegom. Waar zag men ooit gehouwen
Uit marmer enig beeld, of lijk dat witter was.
Zo leeft díalbaste pop in díebbenhoute kas.|
Nog schijnt de purpre mond gebeen tot God te morren.
De roos, op elke wang, weet nog van geen verdorren.
Het haar behoudt zijn geur, ja krachtiger dan ooit.
Zo had ze zich voorít lest om Jezus opgetooid.
Zij heeft dien mond niet eens vertrokken, om de smarte
Des doods, toen haar de dood de tanden zette inít harte,
Met dien verwoeden schicht. Geweerhaakt hangt hij nog
In haar gekwetste borst, zo wit als melk en zog;
Gemarmerd van het bloed, dat uit de wonde vloeide,
En maakte een roden vliet, waarin de ziele roeide
En zeilde, en vloog voor wind, voor stroom, recht hemelwaart,
Der zielen haven, in beschut voorít hunse zwaard.
O wrede schicht, te wreed op zo een tere spruite!
Tíwas wonder dat uw punt niet weder af en stuitte,
Of stomp werd opít gezield en levendig albast
Der kalidoonse Maagd, en hecht ge nog zo vast,
Inít middelpunt vanít hart? Maar waarom ít hart geschoten,
Och edel hart! en niet een ander deel doorstoten?
Neen, billijk isít, dat zij, aanít Paradijs verloofd,
Ook werde inít hart gemerkt; gelijk ít gemarteld Hoofd,
Haar Heiland, dien de speer inít hart ging, door de zijde.
Onwetende eerde u dus, die u dees eer benijdde.
O allerzaligst lijk, ons allen voorgetreÍn,
En in het bloedig perk met Jezus doorgestreÍn.

BURGERMEESTER.

Zij triomfeert bij God, met wien zij zich vereende,
Met al haar Duizenden, die, op de starren treÍnde,
Nu omgaan met den kloot, aan síhemels gouden boog,
En, boven zon en maan, braveren daar omhoog
Gods vijanden, die niet onsterfelijke zielen,
Maar slechs het sterflijk lijf des Martelaars vernielen.
Het veld, dat door dien moord verwilderd leit en woest,
Gemest met bloed en merg, teelt nu een rijken oegst,
Daar God de vrucht af maait, en vult Zijn ruime schuren
Met garven zonder tal.

REI.

                                      Wij tellen daaglijks díuren,
Ja elken ogenblik, inít uiterste gevaar,
Dat Jezus ons verlos. íT verlangen valt ons zwaar.

AARTSBISSCHOP.

O waarde burgerij, de Hemel wil u sterken.
Gedenk, gij strijdt ter nood voor huizen en Gods kerken;
Gij strijdt voor lijf en ziel, voor Gods gerechte zaak,
Voorít algemeen geloof. Schep moed. Beveel de wraak
Den allerhoogsten troon: hij bleef nooit dwingland schuldig
De lang gedreigde straf. Volhard, beveel geduldig
Hem díuitkomst vanít gevecht. De Hemcl weet zijn tijd.
Men triomfeerde nooit dan na den bangen strijd.
Nu dorst Gods straffe hand den droeven ingezeten.
De vlegel breekt niet eer voor dat die is versleten.
Gods oordeel scheidt aldus het koren van het kaf;
Al dreunt er ít ganse Sticht, gelijk een dorsvloer, af.
Wij zitten nog beschermd en met beslote muren.

REI.

Argentoraat, en Trier, en Tongren, ons geburen,
Zijn al in días geleid, en in den grond vergaan.
Indien een sterker valt, hoe kan een zwakker staan?
De bliksem met geweld gedreven op de toppen
Van toornen en van kerk; het bloed bij rode droppen
Geregend hier en daar; de tortsen in de lucht;
De wolken vol geschreis en oreloogsgerucht;
Het hemelse gezang, het loeien uit de koren,
Gaan zwanger van alít leed, dat daaglijks wordt geboren.
Ons vesten gapen vast, en waren flus vermand.
Wij hoorden dien tiran vast brullen moord en brand.
De macht der burgerij begon al uit te spatten.
De Hun zal straks den storm met meer gewelds hervatten,
En boren door de breuk in stad, die open leit,
Ik zie, hoe ít grimmig zwaard langs markt en straten weidt,
En neervelt wat het vindt. Ik hoor ons vrouwen krijten.
íK zie dochters aangezicht en blote borsten rijten,
Met hangende perruik geschonden en gesleurd.
Ik zie dees stad in brand, en als een kleed gescheurd.
Nu zal ons beek vanít bloed der mensen overlopen.
Men sluit de poort vergeefs, de muren leggen open.

BURGERMEESTER.

Godvruchtig licht, verplicht het volk met uw gebed.
Wij knielen al met u, en hopen op ontzet.

AARTSBISSCHOP.

Aandachtige gemeent, hou op, hou op van schreien.
Ik zie, omít hoofd vanít lijk, een vlam van tongen weien,
En lekken Ursulís kroon. Ai zie, hoe schoon het speelt.
Ik zie nog meer, een wolk, die zich daar boven deelt,
En zwanger van Gods glans vast arbeidt door te breken.
Schep moed, mijn volk, schep moed. Dit is geen ijdel teken.
Wij zijn alree verhoord. Nu langer niet geschroomd.
De wolk gaat op. Wat Zon of hier te voorschijn koomt?
Wat starren of dit zijn, die voor en achter krielen?
Gewis tíis Ursulís gecst, bestuwd met Martelzielen,
Met zoveel duizenden, als flus gesneuveld zijn.
Ik ken die kruisbanier. Tíis spook, noch droom, noch schijn.
Wij wekten haren geest met ons eendrachtig smeken.
Zij wenkt ons. Luister toe. Daar vangt zij aan te spreken.

SINTE URSEL.

Gij Agrippiners, staakt dit jammerlijk gesteen.
Ik hebbe op uwen muur met al mijn heir gestreÍn,
En ging dien dwingeland in zijne tent bestoken.
Alít leger vlucht met hem en is voort opgebroken.
De bliksemstraal, die brand in alle hutten sticht,
Vergunt den Hun geen tijd, dat hij zijn hielen licht.
Gans Keulen, met den dag inít leger uitgevallen,
Sleept enen groten roof in zijn verloste wallen.
Die woedende tiran, zo wijd en zijd gevreesd,
Zal sínachts, inít bruiloftsbed, opít vrolijkst van zijn feest,
Smoordronken van den wijn en ít bloed, allengs gedronken,
Daar zijn bestorven bruid hem reutlen hoort, naít ronken,
Haast braken ít, godloos hart, en smoren in zijn bloed,
Dat tegens Christusí Kerk en Gods autaren woedt.
Laat u ít geleden leed noch jammer niet bedroeven.
God wou uw hart doorít vier des oorloogs dus beproeven.
Bestelt ons lichamen ter aarde, zoít behoort.
De Hemel zal uw dom, uw raadhuis, en uw poort,
Van hier, in tijd van ramp en tegenspoed, vertroosten.
Verwacht in uwen schoot het Drietal, dat vanít Oosten
Zich boog voor díarme kribbe en offerde zo mild;
Drie Kronen dan, gevoerd in enen roden schild:
Drie Kronen zullen braaf op onze armijnen passen.
Ik zie der muren kreits hoe langer wijder wassen,
Door allerhande ramp; díaartsbisschop, in den top
Vanít keizerrijk te keur om een gekroonden kop;
En ít Heilig Agrippijn, door tegenspoed verzochter,
Volharden, als een echte oprechte Roomse Dochter.

AARTSBISSCHOP.

Verlosser, zijt geloofd, die díeer behoudt inít veld,
En englen zonder tal, en martelgeesten stelt
Tot wachters van de stad. Wij buigen ons, wij groeten
SINTE URSUL en heur heir. Wij offren aan heur voeten
Geen wierookvat vol reuk, maar ít hart vol dankbaarheid.
Mij dunkt ik zie alree ons vesten uitgeleid,
Sinte Ursulís Veld daarin getrokken en begrepen,
De keulse maagden macht van stenen tísamen slepen,
En bouwen haar een kerk, zo ijverig als ooit.
Gezegend zij Klemaat, die Gods gebouw voltooit.
Drie zilvre tomben, rijk van indiaans gesteente,
Begraven inít autaar, beveelt men haar gebeente,
íT lijk van Cyriacus, en ít lichaam van Konaan;
Waarop men, onder spel en koorgezang, voortaan
Den Hemel eeuwig dankt met heilige offeranden,
Daar gulde kandelaars, daar gulde lampen branden.
Noch feest noch ommegang ontsta dees Maagdenkerk,
Daar elk haar rustbed hebbe en haar gewijden zerk.
Men berg alít overschot in ene goude kamer;
En haar gedachtenis zij Keulen aangenamer
Dan endeloze schat: maar días en Maagdenstof,
Zich spreiende, vereist een groter kerrekhof
Dan díallergrootste stad: Men grabbelt om dees bloemen.
De Teems zal zelf een stad naar een der Maagden noemen.
Zo leven, na den dood, die ít leven hier versma‚n.
Zo koomt de glorie thuis, die naar Gods glorie staan.


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001