Joost van den Vondel (1587-1679)

MAAGDEN

INHOUDT.

De koning van Brittanje, nu Engeland, verzocht ernstig door gezanten, voor zijnen enigen zoon Konaan, na den doop Aethhreus genaamd, ten huwelijk Ursul, enige dochter van Maurus, of Deonot, koning van Kalidoniën, nu Schotland: maar het verzoek werd telkens beleefdelijk afgeslagen; eensdeels om d’ongelijkheid van den Godsdienst; d’een Christens, en d’ander nog heidens zijnde; anderdeels, omdat de kalidoonse prinses voorgenomen hadde alleen haren hemelsen en genen aardsen Bruidegom, te behagen. D’aanzoekers van’t huwelijk zo zich het afslaan belgende, en voor onverdragelijken hoon inkroppende, dreigden endelijk Deonot, met alle macht gewapend, op te komen, en de geweigerde maagd met den zwaarde te halen: waarom de vader der prinsesse verlegen, te radeging met zijne dochter, die van Boven verlicht, door zonderlinge openbaringen, hem ried het huwelijk te sluiten, op voorwaarde, dat de vorst van Brittanje de bruiloft drie jaren lang zoude uitstellen, om zich middelertijd tot het Christen geloof te bekeren, en de bruid met enen stoet van tien, en haar zelve, en elk van de tien met nog duizend, makende te samen het getal van ellefduizend maagden of staatjofferen te verzien, om met dat gezelschap Rome te bezoeken; op hope dat middelerwijl de liefde des vrijers zoude verkoelen, of God door andere middelen zijn voornemen met haar uitvoeren. Met dit beding werd het huwelijk, en zedert de beevaart of reis, den Rijnstroom op, aangegaan.

Nadat mevrouw Ursul te Rome alles, niet zonder merkelijke vruchten, verricht hadde, keerde ze weder, vergezelschapt met Paus Cyriacus, die, niet zonder openbaringe, zijn ambt verliet, en met meer andere geestelijke en wereldlijke personagien; ontmoetende op den weg den bruidegom Aethereus, met hare moeder, en zijn jongste zuster; alle mede van het toekomende lot bewust, en eendrachtig gelijk alle anderen, gezind met de koninklijke maagd naar de martelkroon te staan en te streven. Met dit opzet dreef men den Rijn af in der Hunnen lage, haar van den tiran Attila (toen Agrippine hard belegerd hebbende) geleid, door’t ophitsen en de waarschuwingen der heidense burgemeesteren en oversten, Juliaan’s bloedvrienden, te Rome; op Ursul en haar gezelschap niet weinig verbitterd.

D’aartsbisschop Aquilin, en burgemeesters van Keulen, tijding van koningin Ursul’s gevangenis krijgende, lieten in stad niet na, met gebeden, raadslagen, en alle mogelijke middelen, der maagden behoudenis te behartigen. Zodra Attila de koningin in’t leger zag, werd hij, door hare schoonheid en bevallikheid, van razende minne ontsteken, en arbeidde door zijnen aartsoffervinder en legerwichelaar Beremond, om haar van Christus af te trekken, en door’t aanbieden van zijn kroon en huwelijk te bekoren, doch al vergeefs. Juliaan, zijn maarschalk, en Beremond, hem voorstellende, wat gevaar het leger liep met alle deze bekoorlijke joffrouwen, konden den veldheer zwaarlijk brengen tot het bewilligen van’t ombrengen der Maagden, en allerzwaarlijkst om de kalidoonse vorstin, op wie hij verslingerd was, van kant te helpen: maar ten leste van hun aangeprikkeld, en den hogen nood gedreven, leidde hij, al schoorvoetende, de koninklijke maagd op enen heuvel, van oversten en kornellen omringd, van waar Ursul alle hare maagden, en kruisgenoten, in regementen gedeeld, als in slagorden staan, en van het gewapende krijgsvolk omsingeld zag. Nadat ze den tiran enigen van d’uitstekenste personagien, dicht voor haar gebrocht, hadde getoond en kundig gemaakt, onweldigde hij haar de kruisbanier, en trapte ze met voeten: de koningin hem hierom bestraffende, en zijn moorddadigheid verwijtende, werd met enen schicht doorsteken.

Het voet- en paarde-volk ziende den veldheer den bloten degen zwaaien, hetwelk de moordleus en’t gezette teeken was, viel onder deze weerloze schapen, als wilde woeste dieren, en holp haar jammerlijk om’t leven. Des avonds, na den moord, werden de vesten, nu vol schrik door dit gezicht, d’elfste maal van’t ganse leger teffens, aan alle kanten, zo vreeselijk bestormd en besprongen, dat de stad in gevaar stond van overweldigd te worden, tenware de geesten der Martelaren en Martelaressen verschijnende, de vijanden gestuit, ten deel in’t leger gejaagd, en ten deel op de vlucht geholpen hadden. De keulse ridderschap daarop uitvallende, en bespiedende, hoe reukeloos Sinte Ursul’s lijk bewaard werd en het krijgsvolk vast verliep, overviel het overschot der versmoorde, verdronke, en slaperige Katten in’t leger, en voerde de Dode gelukkiglijk in stad; daar d’aartsbisschop, en burgermeesters het lichaam der heilige Martelaresse, openbaarlijk ten toon zetten, voor de ganse gemeente, die bijkans moedeloos en afgemat, door een algemeen gebed des aartsbisschops, troost en ontzet verzocht van Boven, van waar datelijk de geest der zalige Maagd, omringd van al haar gezelschap, met enen hemelsen glans verscheen, en bekend maakte, hoe de Hunnen van haar en haar gezelschap, eerst op de vesten gekeerd, ten deel aan’t verlopen gebrocht, en daarna in’t leger verbaasd gemaakt zijnde, voort opgebroken waren: metenen voorzeggende den dood des tirans, en tot welk een grootheid, geluk, en glorie de stad Agrippine, door allerhande rampen, namaals zoude steigeren: waarop go d’aartsbisschop God den Verlosser dankte, en, bij wijze van voorspellinge, Sinte Ursul’s lijk heerlijk ten grave geleidde, en alle behoorlijke ere en diensten toewijdde.

Het treurspel begint met den dag, en eindigt in den avond. Het toneel is t’Agrippine. De Rei bestaat uit Agrippiners.


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001