Joost van den Vondel (1587-1679)

MAAGDEN

OPDRACHT AAN AGRIPPINE

O Agrippin, gemijterd met Drie Kronen,
  Die zittende als op enen regenboog,
Kunt tekenen van roomse aaloudheid tonen,
  En rekenen uw herkomst van zo hoog;
Gij, roem des Rijns, vergeef ons dat we naderen
  Uw bisschops stoel en raadhuis, groot van faam,
En wijden u ons Maagdelijke bladeren,
  Beslagen met Sinte Ursulís gouden naam;
Beschreven met den koninklijken bloede
  Van haar, en van haar Ellefduizendtal,
Gemarteld, en geslagen met Gods Roede,
  Inít aangezicht van uwen ouden wal.

Díinboorling is in zijne wieg gehouden
  En bakermat. Hoe kan ik die voorbij?
Al wordt de melk der moeder niet vergouden
  Vanít kind, dit strek ten allerminste dij
Een klein bewijs van mijn genegendheden,
  En grote zucht tot mijn geboorteplaats;
Daar ik, nu stijf een halleve eeuw geleden,
  Eerst rijzen zag den glans des dageraads.
Wij volgen dus de leidstar der aalouden.
  Wij volgen in hun schaduw, slechs van veer,
De Grieken, die hun boortesteden bouwden
  Zo lang voor ons met onnavolgbare eer.
Euripides, die wijze, ít wijze Athenen
  Deed schreien, om het moederlijk geschrei
Der Biddenden, die om haar zonen stenen,
  Opdat men hen een uitvaart toeberei.
íT hoogdravend dicht van Sofokles geleidde
  Het levend lijk van Oedipus naarít graf,
Te Kolon, daar die blinde balling scheidde
  Van Antigoon, heur vaders oog en staf.
Wij zingen hier van Sphinxen, noch Oedippen,
  Noch heimlijk graf, waarvan Koloner ijst;
Maar tuigen klaar, met stomme Maagdelippen,
  Van Ursulís as, daar Kolenís roem uit rijst.
Dees stof kan ruim ít gebrek van geest vergoeden.
  Hier stort niet ťťn Makaria ter neer,
Maar Duizenden, al zalige gemoeden,
  De dood getroost, alleen tot Christusí eer.
Hier tarten geen gewapende Scythinnen
  Achilles, daar Penthesilťa streeft;
Maar wapenloze en strijdende Heldinnen
  Dien wreden Hun, voor wien alít aardrijk beeft.
Geen Amazoon is met die hoop gebleven,
  Voor Trojeís vest, als mijne Koningin;
Die, na heur dood, gekroond inít eeuwig leven,
  Nu heerst met God, alle eeuwen uit en in.
Geen Hengstebron mag halen bij de beken
  Vanít eedle bloed der Joffren hier geveld,
Dit bloed, waarmee gij hebt uw Schild bestreken,
  Uw Schild, die nog vanít Elleftal vermeldt.
Driekoningstad, ontvang mijn Maagdenoffer,
  Al breng ik dien in geen Driekoningskoffer.

J. V. VONDEL


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001