Joost van den Vondel (1587-1679)

T o e z e n d i n g s b r i e f

VAN

VONDEL aan DE GROOT.

MIJNHEER,

Ik zende Uwe Exellentie hier twee treurspelen, een van St. Ursuls Maagden, gedicht ter eere van Keulen, mijne geboortestad, en de Sofokles’ Elektra, vertaald met hulpe van Izaëk Vossius. Ik offer Uwe Excellentie ’tgeen ik vermag, en niet hetgeen ik zoude willen. Sedert de dood van mijn zalige huisvrouw heeft mijn courage eenen knak gekregen, zoodat ik mijn grooten Constantijn moet vergeten, en met iet minders zoeken te helpen. Ik ben aan de treurspelen vervallen, en heb nog één opgedrukt leggen van Silius en Messalina, en een ten halven voldaan van Sauls zeven zonen, die bij die van Gabaon opgehangen werden, zijnde mijns bedunkens het volmaaktste argument van een tragedie, dat wij uit de H. boeken zouden mogen nemen en uitkiezen. Als ik mijnen lust in treurspelen hebbe geboet, mag ik zien, of ik weder aan mijnen Constantijn valle; middelerwijl gelieve Uwe Exellentie dit voor lief te nemen, totdat wij iet grooters vermogen.

Wij verwachten Uwe Ex. gemalin hier te Amsterdam, daar wij na verlangen, en hope de eere te genieten om haar te spreken. Ik gebiede mij in Uwe Ex. goede gunste, en wensche Uwe Ex. al ’tgeen de vijanden U misgunnen, en ben te altijde

Uw Ex. onderdanige Dienaar,

JOOST VAN DEN VONDEL.

t’ Amsterdam 1689, den 9 van Herfstmaand.


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001