Joost van den Vondel (1587-1679)

INLEIDING TOT MARIA STUART.

In zijn inleiding tot Brandt’s Leven van Vondel geeft Dr. J. Hoeksma een treffend beeld van Brandt’s verhouding tot den dichter: „Wat hore ik, is Vondel overleden? En zal zyne poezy by Bomen op een nieuw gedrukt worden? Hier diende Uw Eerw. wel te helpen toezien, dat er niets van zyn verhooide werk vergeten, en alles in goede ordre gebragt wiert. Ik versta dit
eerst zo daatlyk uit den Heere van Zwieten, een liefhebber, in de kunst niet onbedreven, en dat het d’Amsterdamsche Helikon heel drok gehad heeft. Hadde ik het by tyts geweten, ik mogt eens beproeft hebben, of ik ook jet vermogt, om den geest en de kunst des mans, die wy hoog achten, te eeren, zonder aanstoot te geven. Is uit uwe penne ook iet gevloeit? Ik wensche het met den eersten van haar en door haar te verstaan.

Zoo luidt, zegt Dr. Hoeksma het P.S. van een brief door Joannes Vollenhove, 20 Februari 1679 geschreven aan Geeraert Brandt, met wien hij sedert vele jaren zeer bevriend was. De Haagsche predikant Vollenhove, die Volgens Brandt door Vondel zeer geprezen en zelfs herhaaldelijk zijn zoon in de kunst genoemd was, verneemt dus van het overlijden van den hoogbejaarden dichter, zijn geestelijken vader, eerst twaalf dagen nadat de begrafenis reeds heeft plaats gehad; hij krijgt het bericht zelfs dan nog niet van Brandt, predikant bij de Remonstrantsche gemeente te Amsterdam, met wien hij geregeld correspondeert; en als hem eindelijk Vondels dood ter oore komt, dan, aan het eind van een langen brief vol beuzelarijen, ontlokt de tijding hem niets dan het onnoozele zinnetje: wat hore ik, is Vondel overleden? Van warme vereering voor den persoon van Vondel getuigt dit alles niet, noch bij Brandt, noch bij Vollenhove. Maar ’t is waar, zoo vervolgt Dr. Hoeksma, Vollenhove’s „meninge was, dat Vondel, in verstant en lichaams krachten te gelijk afgaande, voor zijn doot alrede gemist wiert, en levendig als doot was”, of „klaarder uitgedrukt: Was voor zijn sterfuur ’t leven quyt.” En ook Brandt vermeldt, dat Vondels „ouderdom zyn ziekte was.” „Het pit des levens ontbrak oly, de lamp most uitgaen by mangel aan voedsel. De uitgang van den meer dan eenennegentigjarige was zeker niet onverwacht en het afwezig zijn van al wat het sterven aandoenlijk of tragisch, ja zelfs maar indrukwekkend kan maken, moge het zwijgen van Brandt en Vollenhove’s gebrek aan warmte bij het vernemen van Vondels dood verontschuldigen.

Wij staan hier inderdaad voor merkwaardig geval. Een Remontrantsch en Contra-Remonstrantsch predikant, die elkaar vriendschappelijk gezind zijn stellen zich ten slotte tot taak de werken van een Katholiek dichter te rangschikken en uit te geven.

Dr. Hoeksma verdediging van hun houding moge een kern van waarheid bevatten, het feit blijft bestaan, dat de toon van Vollenhove’s bericht, zelfs in dit licht beschouwd, zeer neutraal genoemd mag worden. Hun bewondering voor Vondel was trouwens niet zoo vanzelfsprekend, dat zij zich niet bewust waren van de eigenaardige positie, waarin hun gemeenschappelijke bewondering voor de dichtkunst hen bracht. Vollenhove bekent zelfs dat de stof hem niet weinig nu en dan mishaagd, ja zelfs gestoord en bedroefd had. Wanneer wij dan ook Brandt citeeren bij de beschouwing van Vondels werken is het minder omdat hij de ideale biograaf van Vondel zou zijn dan wel om het feit, dat hij de eenige is, die in Vondels tijd staande en hem persoonlijk gekend hebbend, als uitgangspunt dient van allen die zich met de geschiedenis van een over den dichter bezighouden. Het komt zelfs voor, dat men, een meening van Brandt aanhalende, met een, zij het dan ook een betrekkelijk bezadigd, tegenstander meent te doen hebben, dan met een volijverig scribent, wiens uitlatingen geheel onder den indruk van de persoonlijkheid, welke hij behandelt, met eenige reserve moeten worden aanvaard. Integendeel, de reserve moet in dit geval juist naar den anderen kant worden toegepast.

Dit blijkt o.a. uit Brandts uitlatingen omtrent Maria Stuart: „Op den vertaalden Virgilius volgde het treurspel van Maria Stuart, een treffelijk kunststuk: maar in ’t verhandelen der stoffe gaf hy, uit yver voor ’t Roomsche geloove, geen’ kleenen aanstoot. De lydende personaadje, Maria Stuart, zagh men hier afgebeeldt als t’eenemael onnoozel, en zonder vlek. De verfoejelyke misdaaden, van overspel, en ’t vermoorden van haar gemaal, Koning Hendrik Darlay, werdt in dit treurspel geloochent, en haar schandelyk huwlyk met den moorder Botwel verschoont : zaaken daar Thuanus 1), die alleronzydighste Historischryver, hoewel Roomschgezint, haar schuldig aan houdt. Ook werdt er Elizabeth, Koningin van Engelandt, met vuile verwen afgemaalt, als een styfster van ’t ketterdom, die Mariaas bloedt dronk, en als een Herodias, al hieldt zij zich bedroeft, haaren moedt koelde. Dit naamen zommigen euvel op, zoo dat eenigen den Schout en Scheepenen zoo lang aanliepen, en de zaak zoo zwaar voorstelden, dat men eindelijk den Dichter voor recht betrok, en verwees in de boete van honderdt en tachtig guldens. ’T welk veelen vremdt voortquam: weetende wat vryheit van schryven te deezer tydt wierd gedooght, en dat men den Poëten van oudts noch meer toeliet dan anderen. Dan ’t werdt nu anders verstaan, en de boete aan den Schout Pieter Hasselaar betaalt. Doch de Boekverkooper Abraham de Wees 2), die al wat Vondel uitgaf drukte, schoot dit geldt; niet willende dat de Dichter schaade zoude lyden by hbet werk, daar de Boekverkooper voordeel uit trok.

De meening van den door Brandt vermelden Thuanus is geheel in tegenspraak met het werk van den Protestantschen geschiedschrijver William Camden, van wien Vondel een aantal plaatsen letterlijk overeeneemt, en waarvan hij een citaat aan het treurspel toevoegde.

Dit vrijwaarde hem intusschen niet, zooais Prof. te Winkel zegt: „tegen de verontwaardiging der Calvinitische partijdigheid, voor wie bet gewoonte geworden was, zonder nauwkeurige onderscheiding, bet ontzettend gevaar, dat eenmaal van de Armada gedreigd had, op rekening te stellen van Maria Stuart, en in bet doodvonnis, geveld door een zoo trouwe bondgenoote als Elizabeth, eene rechtvaardige straf te zien. Het regende weer schimpdichten op Vondel, den „onbeschaemden paepschen leughendichter , zooals hij genoemd wordt in een Vasten-Avontsgift”.

Zoowel Brandt als Prof. te Winkel hechten o.i. te veel waarde aan de zeer zeker veelal gegronde opvatting, dat het getuigenis van een tegenstander (i.c. Thuanus en Camden) de eigen meening sterker steunt dan dat van een „partijgenoot”. Immers op zichzelf is zulk een getuigenis, vooral in dit geval nu hij ontzenuwd wordt door een gelijksoortige autoriteit, slechts dan van beslissenden invloed, indien men hem aantreft in gezelschap van andere motieven.

Behalve schimpdichten had bet verschijnen van Maria Stuart tevens het ontstaan van twee Protestantsche treurspelen ten gevolge, nl. Ongheblanckette Maria van Steven van der Last en een waardiger, doch niet bepaald logische bestrijding van Joachim Oudaen, Johanna Gray, waarin de Protestantsche, Schotsche prinses in zekeren zin de rol van Maria Stuart speelt tegenover Maria Tudor, ook genoemd The bloody Mary.

Het feit, dat de rollen hier, wat het geloof betreft, verwisseld zijn doet aan de tragiek van de figuur Maria Stuart niets af, daar bovendien beide gebeurtenissen in geen enkel verband met elkaar staan, behalve dan misschien dat zoowel Mary als Elizabeth Tudors waren. Het zal echter waarschijnlijk niet in Oudaen’s bedoeling gelegen hebben dit te memoreeren.


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001