Joost van den Vondel (1587-1679)

NOAH.

OF ONDERGANG DER EERSTE WERELD.

DERDE BEDRIJF.

ACHIMAN. AERTSHERDER. HOFMEESTER.

ACHIMAN
Aertsherder, hoe? hoe dus? wat jaeght u herwaert aen?
Ge steurt ons bruiloftsfeest, wien zoektge zoo belaÍn?
AERTSHERDER.
Ik zocht den grootvorst zelf, en stak in ít bosch den horen.
Schaf tijdigh raet. helaes, het staetí er slecht geschoren.
ACHIMAN.
Ons slotwacht antwoorde u. wat onraet brengt ge me?
AERTSHERDER.
ít Is omgekomen met uw herderen en ít vee.
HOFMEESTER.
Men hoorde in langen tijt noch wolf noch weÍrwolf huilen.
AERTSHERDER.
Geen herders vreezen wolf, noch leeu, noch tigersmuilen.
ACHIMAN.
Wat ontheil vreestge dan? schep adem. rust een poos.
AERTSHERDER.
Ik rende, uit al mijn maght, my zelven ademloos.
ACHIMAN.
Kon deze tijding dan niet langer uitstel lijden?
AERTSHERDER.
Men zagh de herders, in twee hoopen, heftigh strijden,
De herders van ít geberghte om hoogh en van beneÍn.
ACHIMAN.

Wat oirzaek hitste twee gebuuren fel aen een?
Zy plaghten, onderling gerust, in vrÍ te leven.

AERTSHERDER.

De lantstroom uit der zee komt bruizende opwaert streven
Naer zijnen oirsprong toe, en díoevers leggen vlot,
BeneÍn den zoom des berghs, wy dreven eerst den spot
Met dees waerzeggerye, eer ít water ít lant quam praemen.
Maer door den waters noot vergaÍrdenwe te zaemen,
En leefden raet om ít vee te bergen met gemak
Ten bergh op eer de stroom de horens hooger stak.
Men badt de berghwacht of men kudden moght verweiden.
De kudden beiden, of zy naer den hemel schreiden
Om drooghte en weide: maer de berghwacht sloegh het af,
En dreef het blatend schaep te water met den staf
Wy reddenze uit den noodt, en houden aen met smeeken
Onheusche berghman blaest den horen, alle streeken
Verzaemen op ít getoet, tot gramschap aengeterght,
En zweeren ons met kracht te jaegen van ít geberght.
Zy vallen op het vee, en drijvenze van boven.
Het baet niet, dat we hun vergoedinge beloven
Voor schade en ongerief, by ís oppervorsten woort.
De herders groeien aen, en vaeren echter voort,
Van weÍrzij toegerust met steenen, staven, stokken
De herderinnen, op gevecht en bloedigh wrokken,
Toeschietende, onversaeght in ít midden van dien drang,
Met een gesloten harte, en traenen op de wang,
Verzachten ít wreet gebriesch, naer heure maght, met kermen
En jammeren, de bruit besterft in ís bruigoms armen.
De vrou omhelst den man, en roep vast: hooger niet!
Hier wort een maght vereischt, die tusschen beide schiet,
Of al het water kan dit oorloghsvier niet lessen.
Het moorden gaet zijní gang, met vorken, zwaerden, messen,
En zeissenen, zoo ít valt. ít geweste leght bezaeit
Met dooden, voor den tijt van ís levens struik gemaeit.

HOFMEESTER.
Gy zijt aertsherder, wien het voeght de landeryen,
De stallen, volk en vee te waeren en te vryen.
Voor schade en ongemak, uit alle uw maght en kracht;
En komtge hier om hulp gedropen van uw wacht?
Hoe kan de grootvorst nu dees schuit in u verschoonen?
ACHIMAN.

Hy plagh voorheene zich doorgaens getrou te toonen.
De grootvorst van het lant beval dees zorgen hem.
Het raetslot hing alleen en alijk aen zijn stem.
Wie zou dees slofheit in eení amptenaer verwachten?
Terstond te rugh ten bergh gevlogen, laet ons maghten
U volgen op het spoor, spreek rustigh uit den mont.
Stel orden, straf, en dreigh. wy volgen u terstont.

ACHIMAN. HOFMEESTER

Ik kan den springvloet van den lantstroom niet beseffen.
Dees plagh in bloeima(e)nt noit de horens te verheffen,
En boven díoevers heen te steigeren zoo steil.
De zee, om dezen tijt, bewaert gerust haer peil
En bedde, niet gewoon te rijzen aen de stranden,
Eer uit den evenaer de zon beginní te branden (*)
De halve maen verwekt geení springvloet uit het meer.
Het water vloeit en ebt geduurigh heene en weÍr,
Elk etmael tweewerf, en ít saizoen der lentedagen
Kan zoute baren niet zoo hoogh den stroom opjaegen,
Om stroom en pekelschuim te mengen ondereen.
Ditís boven stijl van reÍn, te hoogh en ongemeen.

HOFMEESTER

Wie kan de wondren van natuure recht bevroeden!

ACHIMAN.
Aertsvader NoŽ spelde eení springvloet van veel vloeden
In eenen boezem, en vertrok dus lang het werk,
Op zijne timmerwerf: nu leght de cedern ark
Bevracht met dieren, in dat houte slot begreepen.
Hy staet gereet, om zich en zijn gezin te scheepen.
HOFMEESTER.
ík Geloof de grootvorst wil met hem te water gaen.
ACHIMAN.

Datís veiliger dan al den weerelt-oceaen
Gedronken
: want gy hoort den nadruk van zijn spelling.

HOFMEESTER

Een droom des ouden mans is eene losse stelling
Van ít geen gebeuren moet of kan. wat razerny
Bevangt uw harssens! wech met zulke suffery.

ACHIMAN.
Wie redenkavelt, kan men geenen suffer achten.
HOFMEESTER.
Dees ydle dootschrik broeit een dwarling van gedachten,
Die zwindelen in ít hooft. gy wandelde eerst gerust.
ACHIMAN.
Noch blijft ons díoorzaek van dit jammer onbewust,
En geene reden sluit het in zijn rechte vormen. (*)
Wanneer de herfst genaekt begint het fel te stormen,
Te waeien dat het ruischt, het bosch zijn bladers krolt,
De golf, gelijk een kloot, al hooger opwaert rolt,
De rotzen daveren, de stroomen, onder open,
Het zoete water, twelkze uit duizent adren zoopen
Niet loozen konnen, uit hun kristalijne kruik.
Dan zwelt de waterzucht in ís aerdtrijx hollen buik.
Het water rijst aen ít hart, in groot gevaer van smooren.
Zoo Staet het heden met ons leven ook geschoren.
Het is vergeefs geschimpt: men ziet het tegendeel.
Gy hoort dees neÍrlaegh, uit der herdren lantkrakkeel
Alreede ontstaen. ít is kunst te slechten dees geschillen,
Die, groeienze aen, zich door geen aenzien laeten stillen.
HOFMEESTER.
Begint de wijsheit nu eení dwazen droom te broÍn.
ACHIMAN.

Hy waer niet onwijs, die noch tijdigh zijnen zoen.
By Lamechs afkomst zocht, eer, ít water op de lippen,
De hoop des levens al de weerelt quaem tíontglippen.

HOFMEESTER.

Getroost u eerst dat gy van ít bedgenootschap scheit.

ACHIMAN.
ít Is waer: hy heeftme dit ernsthaftigh voorgeleit.
Een harde voorwaerde, ik bekent: eení bant te breeken
Als ít tusschen lijf en ziel: van wellusten versteeken
Te leven: dit valt hardt, ook harder dan de doot:
Maer evenwel, waer brengt het nijpen van den noodt
Den stoutsten reus niet toe, en allerbraefste helden!
HOFMEESTER.
Genadighste, elk wil u eení vrouwenhaeter schelden,
En lasteren, bedenk dit nader. och bera
U wijzer
, eerge valt in dí uiterste ongena
Der halsvrindinnen, en getrouwe bedtverwanten.
Zich tegens ít jofferdom en vrouwentimmer kanten,
Daer hangt uw gansche staet, uw ziel en leven aen.
ACHIMAN.
Ik wilme in ít cederbosch alleen en stil baraÍn.
HOFMEESTER.
Wat komt ons over? in het midden van ít vergaeren,
Op ít feestgetijde (daer ís grootvorsten amptenaeren,
Leenmannen, maghtigen, geweldigen, en voort
Het vrouwentimmer, dat de goden zelf bekoort,
De grootvorstin ten roem, om strijt te zaemen komen,)
Begint de grootvorst om te zien naer Noahs droomen;
En stelt de grooten en hun heerlijkheit te leur.
Indien dees razerny ons nieuwe bruiloft steurí,
Wie kanze ontschuldigen! het hof begint te woelen.
Gewelven mompelen, en galmen, en krioelen.
Daer komen grootvorstin en bedgenooten aen,
Bestuwt van grooten. och, hoe wil dit spel vergaen!

URANIA. HOFMEESTER.

URANIA.
Waer steekt de grootvorst? wat belet hem hier beneden?
HOFMEESTER.
Hy hiel een wijl gesprek met my, niet zonder reden.
URANIA.
Wie geeft elk dit gerucht van onraet in den mont?
HOFMEESTER.
díAertsherder melde hoe het aen den lantstroom stont
Geschapen door den spring, gerezen in die wijken.
De stroom, ten bedde uit, zagh dammen aen, noch dijken.
De herders wouden ít vee verweiden op ít geberght:
Het berghvolk, straf van aert, door hunne scha geterght,
Riep wapen, en men raekte aen ít razen en krakkeelen.
De slinger zwaeide om ít hooft. wie zal die wonden heelen?
Daer leght een menighte gesneuvelt in het zant.
URANIA.
Een kleen verlies: men vint meer herders by der hant.
Wel, laet de gnootvorst dus het lantkrakkeel geworden?
HOFMEESTER.
díAertsherder en de bende ontfingen last om orden
Te stellen
in der ijl. zy vliegen derwaert heen.
URANIA.
De grootvorst was gewoon, daer bloedigh went gestreen,
In ít voorste van den strijt het leven op te zetten,
De klinkende klaeroen zijní oorlogsmoet te wetten.
ík Geloof hy weeght dit licht, en rust op ís ander(ís) wacht.
HOFMEESTER.
Hy weeght het zwaer genoegh. ik pooghde uit al mijn maght
Zijn hart van zongen, waer het mogelijk, tíontlasten,
Met pit van redenen, die bondigh hierop pasten:
Doch anbeide al vergeefs; mijn woorden golden niet.
URANIA.
Wie om een lantgevecht uit vrees zijn verf verschiet
Is niet rechtschapen, dit kan naulijx in my koomen.
HOFMEESTER.
Mevrou, hy stelt geloof in Noahs ydle droomen.
URANIA.
Wat keert zijn zinnen om? ditís anders dan het plagh.
Een grootvorst, wiens gewelt al ít oosten overmagh,
Versuft om geenen droom, en zulke beuzelingen.
HOFMEESTER.
Nu ít water uit de zee van onder op komt dringen
Naer zijnen oirsprong, datís een voorbode en een merk
Van ís weerelt (ís) ondergangk. geen reden is zoo sterk,
Die hem van schrik ontlast. hier baet geen tegenspreeken.
URANIA.
Het zalme, luistert hy. aen geene artsny ontbreeken,
Die zulk een krankheit kan genezen op eení sprong.
HOFMEESTER.
Noch leghtme wat op ít hart, dat weigert op de tong
Te komen: evenwel mevrou moet zich niet stooren.
URANIA.
Verberghme niets: het lustme u met gedult te hooren.
HOFMEESTER.
Uw liefste is van beraet te breeken zijne trou.
URANIA.

Hy breekze, zoo hy zich kan speenen van een vrou.
Wat misdaet is de pijl, die hem in ít harte griefde?

HOFMEESTER.

Outvader Noah drijft met kracht dat vrouweliefde
En schoone vrouwen, met haerí meereminnezang,
Een eenige oirzaek zijn van ís weerelts ondergang.
Hy zoekt gelieven van hun wederga te scheiden.

URANIA.

Heet dit bekeeren van gebreken, of verleiden
Tot lasterstukken, al tíafgrysselijk en boos?
Begint het mansdom door dees leering vrouweloos
Te leven, zeker ít is dan ver genoegh gekomen.
Men hoeft de weerelt in geen zee en waterstroomen
Te smooren: want zy kan niet vrouweloos bestaen.

HOFMEESTER.

Mevrou, nu spreek hem zelf alleen: hier komt hy aen.
ít Gelief den heeren my te volgen, ík zalze leiden.
Wy willen op het hof hun wederkomst verbeiden,
U onderhouden met al wat den lust behaegh.
Ik zie den zonneschijn, na deze korte vlaegh.

URANIA. ACHIMAN.

URANIA.
Genadighste, heet dit uw gasten onderhouden?
ACHIMAN.
Nu stort mijn staet, waer aen alle Asianen bouden.
URANIA.
Wat onraet jaeght u naer ons cedren lustbosch heen?
ACHIMAN.
ít Geberghte en ít laege lant, in ít harnas tegens een.
URANIA.
Watís oirzaek van krakkeel? zy leefden eerst in vrede.
ACHIMAN.

Dees droeve lantplaegh sleept eení staert van plaegen mede.

URANIA.
De kudden weidden eerst gerust in ít groene velt.
ACHIMAN.

Aertsvader Noah heeft dien springvloet lang gespelt.

URANIA.
Begintge Noahs droom, een klucht, geloof te geven?
ACHIMAN.

Het water rijst, wie kan de waerheit tegenstreven?
De zee vloeit herwaert aen. al ít lantvolk schreit om hulp.
Men dient te viughten, eer de zee ons overstulpí.

URANIA.
Zoo dientge in Noahs kist uw leven flux te bergen.
ACHIMAN.
Dat komt van vrouweminne, en ís hemel roe te tergen.
URANIA.
De vrouwen draegen dan de schuit van deze straf?
ACHIMAN.
De vrouwen dompelen al ít menschdom in een graf.
URANIA.
Het water kon weleer een lantgewest verdrinken. (*)
ACHIMAN.
Nu schijnt al díaerdkloot in den afgront wech te zinken.
URANIA.
Natuur regeert het al. dees stuurvrou zit aen ít stuur.
Het vloeiende element volght eeuwigh zijn natuur,
En komt van boven naer zijn middelpunt toerollen. (*)
ACHIMAN.
Nu steigert het ten bergh. de meeren staen gezwollen.
URANIA.
Zoo staet een wintballon gespannen van den wint.
Een wintveÍr drijft veel raÍn. van alle werken vint
Hy díoirzaek, wie den aert der dingen wil doorgronden.
Zoo veel beweegingen staen onderling verbonden.
Gelijk ons lichaem is met aderen doorgroeit,
Zoo wort het aertrijk ook bevochtight en besproeit.
De hitte van de zon trekt dampen uit de wateren,
Die, in de lucht verdikt, neÍrstorten, datze klateren
De maen regeert de zee, en wat by water leeft:
Dat tuigen eb en vloet, en oester, en de kreeft.
By trek en tegenheit, den dingen ingeschapen,
Bestaet het al. laet zich onweetenden vergaepen
Aen beelden van een wolk, of schrikken voor een schicht
En staertstar, root van vier, en schittrend wederlicht.
Van blixemstraelen, en het baldren van den donder:
Met zulk een staetgrijns houdt men kleene kinders onder
De roe: maer wie natuur in ít werken onderkent
Beseft waer zy begint, en voortstapt, en volendt.
Gy plaght de liefste al uwe opmerkinge in te scherpen,
En rietze zich natuur gehoorzaem onderwerpen,
De dertle toghten wijs involgen met een lust.
Zoo voelde ít lijf geen smart: zoo bleef de geest gerust:
Terwijl men, tusschen wieghe en graf, bevrijt voor treuren,
Gebruikte al wat den mensche in ít leven magh gebeuren:
En wortge nu misleit van eenen guighelaer,
Belachen van elk een, omtrent de hondert jaer?
ACHIMAN.

Wy volghden u dus lang, helaes, gelijk een slave.
Uw schoonheit staet ons dier.

URANIA.

                                             De schoonheit is een gave.
Aen weinigen gegunt.

ACHIMAN.

                                     Wy zijn door haer misleit,
Vervallen in Godts toorne. Ű smart! Ű onbescheit!
O schendigh misbruik van veel schoone vrouwen tízamen!

URANIA.
Gy hoeft u, om ít gebruik van veelen, niet te schaemen,
Zoo luttel als de haen, die veel vriendinnen mint
Natuurlijk, zonder smet, en weeligh jongen wint.
Wat reden stijft u, dat gy ít vrouwendom beschuldigt?
Zoo groeit uw heerschappy, en wort vermenighvuldight.
Zoo rijst de stamboom, rijk van telgen in de lucht.
ACHIMAN.

Het is geraÍn, dat ik uw bedgenootschap vlughtí,
Gelijk een adder, die bevrozen, naíet verwarmen,
Een die haer koestert in den boezem, onder díarmen,
Naer ít slaepend hart steekt, en in zijnen slaep vermoort.
Verleister, toveres, wat tovergrijns bekoort
Mijne oogen, datze blint op schoonheit zich verslingeren!
De godtheit zagh dit lang geduldigh door de vingeren,
Doch ydel en vergeefs: nu komt berou te spa,
Ten waere een middelaers voorbede Godts gena
Verworf door offerhande, en wierook van gebeden.

URANIA.
Indien u ít lastren lust, beschuldigh ons met reden.
ACHIMAN.
De vrouwemin alleen is oirsprong van al ít quaet.
Ik gorde in haeren dienst, niet wettigh, als soldaet
En grootvorst, ít zwaert op zy, maer eer gelijk een roover
De landen stroopende, gaf u den roofschat over,
En goot in uwen schoot, tot ís nabuurs harteleet,
Den nootdruft, die hem stont op arbeit bloet en zweet.
URANIA.
Zoo droegh de lantsheer schuit, en díonderzaet most bloeden?
ACHIMAN.
Om uwe hovaerdy te sterken, en te voeden,
Uw hoofsche pracht en prael en dartele overdaet
Te houden in haere eere, en achtbaerheit, en staet.
Mejoffer laet zich met den nootdruft niet genoegen.
De heer maeit ís anders oogst, al zou er ít hart af wroegen,
Zy slikt een weerelt in, aen ringen en cieraet,
Juweelen, perlen, gout, gesteente en pronkgewaet.
Haer dartelheit bedijt by ís armen bloet en traenen
En jammeren. zy leert den wegh ter boosheit baenen,
Met woeker en gewelt insleepen wat men kan.
Zoo Godt de weereit straft, wie is hier oirzaek van?
Uw schoonheit, slechts een schijn van schoonheit in het leven.
Gy weet afzichtigheit eení glimp een verf te geven,
Gebrek tí ontveinzen, en beguighelt ons gezicht.
Wie, door ít ontveinzen ziende, u dit momaenzicht licht,
Beklaeght dat hy zijn ziel verhing aen goude snoeren
Van joffrevlechten, die krankzinnigen vervoeren.
URANIA.
Is dit u dankbaerheit voor lang genote deught?
Heel anders zongtge, toen wy ít eÍlst van onze jeught,
De roos des maeghdoms, voor den daeu noch toegeloken,
En ís levens dageraet, noch nuchtre en onbesproken,
U offerden, daer gy, van top tot teen verzaet,
Verrukt wiert buiten u door weliust, zonder maet.
Wy hingen, mont aen mont, en arm in arm gestrengelt,
Twee zielen beide in een gesmolten en gemengelt.
Wat zwoertge niet! de zon van straelen eer berooft
Te zien dan ít minnevier in uwe borst gedooft.
Is dit het jaergety der bruliofsstaetsie eeren,
Met reuzen, maghtigen, geweldigen, en heeren,
Steekspeelen, renstrijt, en tooneelpracht, noit voorheen
Zoo heerlijk toegerust! de morgenzon bescheen,
Nogh zagh, opryzende uit het heldere oosten nimmer
Zoo groot een heerlijkheit, noch schooner vrouwentimmer:
Daer wy, de schoonste van ít opwassende oostenrijk,
Ons zouden zetten op het bruitsaltaer te prijk,
En, blaekende onderling van minnegloet, verzaemen.
Durf nu de grootvorst dus zijn grootvorstin beschaemen
Voor al de weerelt! och, een schantvlak, eene smet,
Met geenen oceaen te wisschen uit ons bedt.
Gy trouwelooze, ga nu heen: vervloek de vrouwen:
Verlaetze: maer ik zweer, het zal u eeuwigh rouwen.
Daer leggen oorcieraÍn, de trouring, van mijn hant
Gestreeken, in het slijk, juweelen, halskarkant,
Uw vrybuit, ons ter gunst, behaelt al ít onrechtvaerdigh.
Tast aen, en eigenze u: wy zijn deze eer onwaerdigh.
Gy waert te lang verleit, vervoert door vrouwelist.
Ga heene, bergh u lijf in Noahs beestekist!
ACHIMAN.

Wat raet, helaes, wat raet? het schijnt haer ernst te scheiden.
Och liefste, sta een poos.

URANIA.

                                         De tijt verbiet te beiden.
Het water rijst ten bergh. bidt Noah om gena,
En bergh uw leven, eer de zon te water ga.

ACHIMAN.

ík Beken, het is mijn schuLt, en wilze dubbel boeten.
ík VerneÍrme ootmoedigh aen het outer van uw voeten,
Van uwe schoonheit, waert gedient en aengebeÍn.

URANIA.

Zoo spraektge flus niet.

ACHIMAN.

                                      och ick wert vervoert, bestreÍn
Van wederzy, gelijk een bergheik, out van daegen,
Met eenen lantorkaen ter neder wort geslagen.
Uw liefde ruktme hier, daer Noahs dreigement.
Hy is genade waert, die Zijne schuit bekent.

URANIA.

Rechtschape helden staen geen vrouwen ter genade,
En vrouwenliefde wort gekocht met schande en schade.
Van wederzijde dreight u een gewisse doot.
Wat scheelt het ofge sterft in eenen vrouweschoot,
Of in het water? zoek geene adder aen te queeken,
Die u al slaepende het hart dreight af te steeken.

ACHIMAN.
Te reukeloos is my een onheusch woort ontslipt.
Een onderlinge min wort nimmer naeu bestipt.
Zy kan ten minste een woort verteeren en verduwen.
URANIA.
Een joffrenhater, leere in tijts een adder schuwen,
En duizent plaegen, door een overtolligheit
Van vrouwemonstren, al de weerelt door gespreit.
ACHIMAN.
Waer vintmen balssem, om dees hartquetzuur te heelen?
URANIA.
Ge hoeftme langer niet te vleien, niet te streelen,
Verlochenaer van liefde, en toegezwore trou.
Meineedighe, verlaetme, en kies een liever vrou.
ACHIMAN.
Gebeurtme langer geen genade te verwerven,
Ik troostme van uw hant, op staenden voet, te sterven,
En legh dien blooten dolk voor uwe voeten neer,
En ruk den boezem op. gy mooght met dit geweer,
Dit koude lemmer vry mijn brandend hart afstooten:
Of weigert gy ít, verkies uit al dees bedtgenooten
De strengste, die het recht uitvoere streng en straf,
Naerdien ik u te brusk in ít hart dien smaetsteek gaf.
URANIA.
Ik neeme u in genade, uit enkel mededoogen.
Omhelze u als voorheen. gy hebt mijn hart bewogen.
Steek op, steek op den dolk, en overleef mijn tijt.
Hervat uwe eerste trou, in ít aenzijn van den nijt.
ACHIMAN.
Een nieuwe bruiloft. daer komt Noah aangetreden,
Bestraf dien suffer, en beschaem met pit van reden
Zijn schendige onreÍn, die al ít vrouwendom betight
Van verre geeft hy u een overdwers gezicht.
Hy schijnt met zijn gezicht de jofferschap te moorden.
En mompelt binnen ís monts uit steurnis halve woorden.

NOň. URANIA. JOFFERS.

NOň.

Geen grooter manneplaegh als Kains vrouwendom.
Al wat een leeraar wint, dat stoot mejoffer om.
Een guure hagelbuy plagh ís lantmans hoop te raeken,
Den bloesem af te slaen. dat bosch en boomgaert kraeken,
In ít quikste van de lent, met bulderend gewelt,
Welk hemel aerde en zee en al de lucht ontstelt:
Een schoone vrou vermagh, met zachte tooverstreeken,
En liefelijk gevley, gesteel en minzaem smeeken,
Te leenigen een hart, verhart als diamant.
Och hemel, haelme tíhuis, verlos uwí afgezant.
De weerelt wort te zwak rechtvaerdigen te draegen.
Elx eige zinlijkheÍn, het ydele behaegen
Van joffrenoogen, daer ís grootvorsten zin op viel,
Beguighlen hem, dat hy zijn redelijke ziel,
Zelf Godt verwaerloost, om de gunst van snoode boelen.
Zoo gelt geen dreigement, eer zy den slagh gevoelen
Der waterroede, een eeu bykans te week gelegt.

URANIA.
En blijft dees suffery noch duuren? oude knecht,
Ghy suf ít u selven doot. wat hebtge toch gewonnen
Uw leven lang, als twist gerokkent, niet gesponnen!
Hoe staen de vrouwen u zoo byster in het licht?
Een vrou heeft u gebaert, haer liefde uw trou verplicht
Door kinderbaeren: en uw zoons, verknocht aen vrouwen,
Haer aenschijn liever dan het allerschoonste aenschouwen,
Dat is het aenschijn van díalkoesterende zon,
Der levendigen vreught, en aller lichten bron:
Of is door ouderdom uw vrouwezucht gesleeten,
Dat werde uwí ouderdom en geene vrou geweeten.
NOň.
Wy leeraeren vergeefs: gy zingt eení zelven zang,
En gaet, tot ons verdriet, doorgaens den kreeftegang.
Wy haeten geene vrou, noch schoonheit, maer misbruiken
Van ís hemels gaven. laet de roos op doornestruiken
Vry plukken, en de geur verquikken ít flaeuwe hart;
Maer niemant quetsí de hant aen dorens, tot zijn smart.
Hy quetst zich zelven, die zijn hart verhangt aen veelen.
URANIA.
De weerelt wort bevolkt door liefde en kinderteelen.
NOň.
Gy kent den oirbaer niet. die blint u zelve streelt.
Door tal van vrouwen wort ís mans liefde en trou gedeelt,
Die anders kort in een, en dicht en naeu gedrongen,
Hem sterker prikkelt: want de min, die onbedwongen
Magh weiden, spilt haer kracht: maer werktze op een vriendin,
Zoo brengtze een ongelijk veel grooter vrientschap in.
Verstontge dit, gy zoudt, niet belghziek noch verbolgen,
Uw heerschap prikkelen Godts wijzen raet te volgen.
URANIA.
Wy zijn er tí edel toe, om naer uw strenge wijs
Ons lief te noodigen op eenerhande spijs.
Waer van de snoeplust walght, de brandt wort meer ontsteeken,
Indien men liefde door verandering wil queeken,
En aenvoÍn met meer gloets, datís vrientschap en gerief.
De minnaer, in den schoot ontfangen van zijn lief,
Is aengenaemer dan de daeu op dorre kruiden
Door uitstel: doch dit is geen kost voor slechte luiden,
Maer edelmoedigen, die hoofsche spraek verstaen.
NOň.
O pest van ít zuivre bed! meer vrouwen aen te slaen
Dan eene alleen, dat wil u beide deerlijk smarten.
Wat is natuurlijker dan twee verliefde harten,
Verknocht door eenen bant van ongeschende trou
ít Mijn voorbeelt laet den man niet toe dan eene vrou.
De stommen leeren ons met eene weÍrga paeren.
URANIA.
Uw eigen vader, out en hoogh op zijne jaeren.
Sloegh eerst twee vrouwen aen, waeraen hy zoonen won.
Hoe scheltge ít huwen aen meer vrouwen dan de bron
Van alle elenden, uit veelvoudigheit van vrouwen
Gesprooten, waerom Godt de schepping schijnt te rouwen?
NOň.
Het voeght den zoone, dat hy ís vaders schande dekt.
URANIA.

Een booswicht, die zijn hant met ís grootvaers bloet bevlekt
En zelf zijn eigen bedt, door ít geil verdubbeleeren
Van vrouwen, onbeschaemt durf schenden en schoffeeren,
Gaf ít leven aen eení zoon die voor geen grooten zwicht,
Maer klitst hun onbeschaemt en stout in ít aengezicht
De zelve vuilicheÍn, die op den vader kleven.

NOň.
ík Vergeef het gaerne, wil ít de hemel u vergeven,
Wiens afgezant ik ben. hardtnekkigen, nu staekt
Dit wederspreeken. hoort wat onheil u genaekt.
Heft op uwe oogen naer die drift van zwarte wolken,
Gezogen uit de zeen en diepe waterkolken.
De gansche lucht verkeert in eene baere zee,
Een voorbo van den vloet, in ít endelooze wee.
De lucht hangt zwanger van stortregen, zonder vlaegen.
Verwacht eení langen nacht, een nacht van veertigh dagen,
Of veertigh etmael, zoo veel zeen op een geperst.
Waer berght zich ít menschdom! och, zoo dra de hemel berst
Met weÍrlicht, blixemen, en balderenden donder;
Terwijl een oceaen opwellen komt van onder,
Zoo dra de hooghste hant uit ís aerdtrijx sponsi duwt
Al ít water, dat het zoogh en inzwolgh. menschen gruwt,
Bekeert u. lust het u Godts goetheit meer te vergen?
Gy troost u, och vergeefs, en waent op hooge bergen
Dien vloek tíontvlughten, in bosschaedje en eiken boom:
Maer och die worden door den storm, en sterken stroom
Verdelght, en afgerukt van hunnen gront en wortel.
De torens storten in, geplet aen gruis en mortel.
Daer drijven duizenden van dooden, dieren, vee
En drenkelingen heene, in ít ronde, in ít lang en breÍ,
De hooftgebouwen en de daeken, hoven, huizen.
Hier gelt geen wederstant van dammen, dijken,sluizen.
De moeder pooght haer vrucht, de vader zijnen zoon
Te redden, och te spa. men hoort al eenen toon
Van jammeren, gespreit op ít zwalpen van de wateren.
Nu zwijght de bruiloftsgalm, dat juichen, lachen schateren
Wort snel misschapen in een ysselijk gekarm.
De bruit verdronken, sterft in ís bruigoms moeden arm.
Het uiterste overschot, een drom van dootsche schimmen,
Aen ít klautren op ít geberght, pooght hygende, onder ít klimmen,
Haer ziel te bergen: maer de grimmige oceaen,
Gedreven van de wraek, verschrikt de bleeke maen,
Die ziet de golven, als een blaes vol wint, opzwellen.
De hooghste berghkruin zinkt in ít water vijftien ellen.
Aldus verzinkt het al wat op den aerdtboŰm leeft.
ít Geschrey wort stom, zoo dra het al dien dootsnik geeft.
URANIA.
Een slechte vogel zwicht voor ís molox dreigementen:
De wijzen laeten zich geene ydele vrees inprenten.
Gy Joffers zingt en danst eens achter deze haegh.
Wy trotsen midlerwijl opít hof dees bruiloftsplaegh.
JOFFERS.

Zou het al zinken en vergaen,
     Waer bleef de zwaen?
     Waer bleef de zwaen,
De zwaen, dat vrolijke waterdier,
     Noit zat van kussen?
     Geen watren blussen
     Haer minnevier.
ít Lust te nestlen op den vloet.
     Zy queekt den gloet,
     Zy queekt den gloet
Met haere vrolijke wederga,
     En kipt haere eiers,
     En acht geen schreiers,
     Noch vreest geen scha.
Vliegende jongen zwemmen me,
     Door stroom en zee,
     Door stroom en zee.
Zy groeit in ít levendigh element,
     En wast de veÍren,
     En vaert spansseeren
     Tot ís levens endt.
Stervende zingtze een vrolijk liet
     In ít suikerriet,
     In ít suikerriet.
Zy tart de nijdige doot uit lust.
     Met quinkeleeren,
     En triomfeeren,
     En sterft gerust.
Stervende zoekt haer flaeu gezicht
     Noch eens het licht,
     Noch eens het licht,
Den bruitschat van de natuur te leen
     Aen elk gegeven,
     Om bly te leven.
     Zoo vaertze heen.

NOň.
Hoe bitter wil in ít endt dees bruiloft hun opbreeken
Geen woorden gelden hier: de klaere daet moet spreeken.
REY VAN ENGLEWACHT.
I. ZANG.

Eer Godt door ít eeuwigh woort
De strijdige krakkeelen
Des Bajerts quam te deelen,
     Lagh díaerde in zee gesmoort.
De Geest der godtheit weide
     Op ít water, zonder licht.
     ít Had al een aengezicht.
Toen schoof Godts hant en scheide
     Het nat en droogh. zoo stont
Het zakkende aerdtrijk boven,
En ít water, neÍrgeschoven
     Toogh naer den diepen gront.
Het water, wust van zinnen,
     Durf tegens ís hemels reÍn
     Zijn perk niet overtreÍn,
Uit zucht om lant te winnen.
Dus blij venze elk in staet.
Godts almaght steltze een maet.

I. TEGENZANG.

     Nu dienen aerde en zee
Het menschdom, als zijn slaven.
Op dat het ís hemels gaven
     Gebruike in vollen vre:
Maer ít misbruik ingesloopen,
     Verbittert Godts geduit,
     En, diep geraekt in schuit,
Behoeft geení zoen te hoopen.
     Men ziet den schouburgh van
De weerelt ter stellaedje,
Voor Noahs boubosschaedje,
     Vertoonen den tyran,
Bekoort van snoode boelen,
     Verworpen Noahs raet,
Volharden in het quaet,
Om geilen brant te koelen. (*)
     Dit treurspel keert te dra.
     Verwacht het slot hierna.

II. ZANG.

     Godts scherprecht wil, als roÍn,
Eer vaek het oogh koomí luiken,
Het water streng gebruiken.
     Nu zal de misdaet bloÍn.
De zee, dus lang te temmen,
     Te stuiten op het strant,
     Wil, springende uit den bant,
De wanhoop leeren zwemmen.
     De hooghste, om Noah niet
Te smooren in dien rouwe,
Zoo hy ís volx druk aenschouwe,
     En hoore met verdriet,
Belast UriŽl buiten
     Met eene donderstem
     De drijfark achter hem,
Naíet intreÍn, toe te sluiten,
     En teffens oor en oogh.
     Dit jammer schreit te hoogh.

II. TEGENZANG.

     Moght grootvaÍr Adam spa
Eens opzien, als herboren,
En dit gejammer hooren
     En zien met díechte ga,
Zijne Eva, die op díaerde
     Lijfeigen aen de doot,
     In wee en baerens noot,
Haer vruchten won en baerde;
     Zy riepen: och waer toe
Geploeght, gezweet geronnen,
En afkomste aengewonnen?
     Gestrenge waterroe,
Straf díouders, die veroordeelt,
     Om ít ingevoerde quaet,
     Bedorven al hun zaet
Bekoort door ít eerste voorbeelt.
     De schiltwacht sloot Godts hof,
     Nu díark. Ű jammerstof!


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001