Joost van den Vondel (1587-1679)

NOAH.

OF ONDERGANG DER EERSTE WERELD.

INLEIDING TOT NOAH.

Het is eigenaardig, dat Noah en Adam in Ballingschap tijdens Vondels leven niet zijn opgevoerd. Brandt geeft hiervan de volgende verklaring: Doch uit dat groot getal zijner treurspelen heeft men slechts weinige op den Schouwburg ten tooneele gevoert en vertoont. Zommige werden geweert om de Bybelstof; eenige door de Hoofden des Schouwburghs verworpen, om den Paapschen inhoudt. Ook heeft men Vondel dikwils hooren klaagen over de nydigheit van een der Schouwburghoofden, steeds toeleggende om zijn treurspeelen te bederven, en onnut te maaken. Dees, (niet waardig, dat men zijnen naam hiermelde) om zeeker tooneelwerk, door eenige groote Dichters, uit heuscheit, en om hem in de kunst aan te moedigen, gepreezen, verhief zich zelven op dien lof boven zyne waarde, en Hooft des Schouwburgh geworden, zocht zynen roem te vergrooten met anderen te verkleenen. Tegens onzen Poet zich kantende, diende hy zich van deezen trek: hij wist door zyn beleidt te weegh te brengen, dat men in Vondels treurspeelen de rollen verdeelde aan onbequame speelers, en die ook mismaakte, door oude versleete en wanschikkelyke kleederen. Dit veroorzaakte, dat er op zulck speelen weinig toeloops volgde, en de kleene toeloop, dat men Vondels speelen te minder achtte. Daar verder toe holp dat men met der tijdt andere speelen, meest uit het Spaensch vertaelt, invoerde, die door t gewoel en veelerley verandering, hoewel er somtydt weinig kunst en orde in was, den grooten hoop, (zich aan t ydel gezwets en den poppentoestel vergaapende) zoo behaagden, dat men kooper boven goudt schatte, en Vondels treurspeelen achter de bank wierp. Doch de speelen, die op het tooneel quamen zijn (behalven Lucifer, slechts tweemalen vertoont, als gezeit is) de volgende: Gysbrecht van Aemstel, Joseph in t Hof, Elektra, Joseph in Dothan, Joseph in Egypten, De Gebroeders, Leeuwendalers, Salomon, de Maaghden, Salmoneus, Jephta, David in Ballingschap, Samson, David herstelt, de Batavische Gebroeders, en Edipus.

Ook werdt Palamedes in den jaare MDCLXV toen men den Schouburgh verboude, door Tooneelspeelers, op een plaats Droogbak genoemt, in de teertuin bij de Haarlemmer poort, tot drymalen opentlyck vertoont; zonder verlof te vragen, ook zonder iemants tegenzeggen, of verbodt.

T was ook in den jaare MDCLXIII te Rotterdam voor den volke gespeelt, zonder dat het de Kerkenraadt die zich met een bezendinge aan de Magistraat hier over beklaaghde, met verzoek, dat men t zou verbieden, kon beletten. Zoo waaren de tyden in veertig jaaren, sedert het dichten van het dat treurspel, hier te lande verandert.

Dr. Leendertsz laat zich over deze kwestie aldus uit: De werkelijke oorzaken, waarom Vondels treurspelen minder ten tooneele kwamen dan anders, zijn, behalve de bovengenoemde (o.a. het bezwaar dat zooals in Adam het paradijs het tooneel van de handeling was, de Katholieke tint der stukken, enz) dat Vondel steeds de klassieke richting bleef volgen en stukken schreef, die ook aan lezers moesten behagen, waarin dus de schoonheid der verzen op den voorgrond stond, en dat het schouwburgpubliek meer behagen vond de Spaansche romantische dramas waarin vr alles veel te zien was. Dat Vondels stukken minder publiek lokten, doordat zij door minder goede spelers vertoond werden en met minder fraaien toestel, is zeker onjuist. Indien dit laatste al waar is in allen gevalle niet vr 1659 dan zal toch de verhouding wel juist omgekeerd zijn: doordat Vondels stukken minder publiek trokken, kon er aan die vertooning minder ten koste gelegd worden. Integendeel wijst het feit, dat er elk jaar, doch dikwijls slechts nmaal, een of meer stukken van Vondel vertoond werden - al waren het niet altijd de laatste op hardnekkige pogingen van de schouwburgregenten, om ondanks de geringe ontvangst Vondels stukken ze in te houden. De omstandigheid eindelijk, dat wij in hunne gedichten nergens eenige vijandschap of verwijdering tusschen Vondel en Vos waarnemen, maar wel waardeering, in 1662 maakte de eerste nog een bijschrift bij het portret van Vos doet ons vermoeden, dat Vondels argwaan eerst opgewekt is na den dood van Vos, die in Juli 1657 overleed. Is er voor dien tijd wat verkoeling gekomen, dan kwam die zeker van den kant van Vondel. Het zou bv. kunnen zijn, dat hij aan den invloed van Vos toeschreef, dat de nieuwe Schouwburg niet men den Adam geopend is.

Na den dood van Vos zijn Vondels treurspelen niet vaker vertoond dan daarvoor.


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001