Joost van den Vondel (1587-1679)

INLEIDING TOT PALAMEDES.

De aanleiding tot het ontstaan van Palamedes en zijn ontvangst bij Vondel’s tijdgenooten, wordt ons in alle bijzonderheden door Brandt medegedeeld, zoodat wij niet beter kunnen doen dan enkele passages uit diens „Leven van Vondel” over te nemen.

„Niet lang naa ’t uitgeven van ’t Pascha, in den jaare MDCXIII schreef hy zyn eersten Lofzang over de Scheepsvaart der vereenigde Nederlanden, ’t welk zijn voorigh dicht merkelyk overtrof. Doch nu door ondervinding merkende wat hem aan de kennis der taalen gelegen was, om in de kunst te vorderen,pooghde hij dat gebrek te boeten. Het voorbeelt van Koornhart en anderen, die in hunnen ouderdom taalen leerden, en Zijne liefde tot de kunst, maakte hem gaande, zoo dat hy zich dien moeielyken arbeidt getroostte. Eerst liet hy zich door een Engelsman de beginsels van ’t Latyn leeren. Daarna ging hij ten huize van eenen Abbema, een Vries, Leermeester in de Latynsche schoole aan d’ oude zijde, die hem, ziende zynen grooten ijver, vljtig en gaarne onderwees. Hy rustte niet, voor dat hij de taal taamelijk verstondt; en door gestaadige oeffening meer en meer vorderende, begost met der tydt de Latynsche Poeten te leezen, te verstaan, en op geestige en krachtige uitdrukkingen van hunne edele gedachten, en ryke vonden lettende, die bij zich zelven ’t overweegen. Tot dien einde zijn verstandt en tydt met groote naarstigheit bestedende, quam ’er in lang geen gedicht van hem te voorschyn, tot dat hij in het jaar MDCXVII de Waarande der Dieren met uitleggingen over de kunstplaaten van Markus Geeraardts, leerzame Fabelen begrijpende, in ’t licht gaf; en drie jaaren daarna Godts Helden, of hunne beschrijving, en het Treurs pel van Jerusalems verwoestinge: ook de Heerlijkheit van Salomon, uit het Fransch van den Heere van Bartas 1); want hij had zich ook in de kennisse van die taaie geoeffent 2) voorts den Gulden Winkel genoegh bekent, en meer dan eens gedrukt: dan dit leste, meen ik, quam vroeger te voorschijn 3). In deeze schriften zagh men meer gelykheit van styl, en grooter verhevenheit van gedachten, dan voorheenen in zyne rymen, inzonderheit in het treurspel van Jerusalem. Nochtans heeft hy ze tot naarder kennis gekoomen, alle, ’t een zoowel als ’t ander, (uitgezeit het verwoeste Jerusalem) met eenen streek doorgehaalt, en niets daar van voor zyn werk willen erkennen, noch onder de dichten der volgende tyden plaats gunnen.

Ontrent deezen tydt, en wat laater, werdt hy ter neêrgeworpen aan een langduurige quynende ziekte, die hem zeer verzwakte, zyne geesten afmatte, en om de doodt deede wenschen. Van zommigen werdt verhaalt, dat hij veele jaren ging quynen, met verscheide quaalen beladen; zoo dat men hieldt dat hy de teering hadt: dat zyn borst zeer bezet was, en d’overtollige vochtigheden en zinkingen hem daaghelyks quelden: maar dat het in ’t veertighste jaar zijns ouderdoms begost te beteren, en dat hij sedert zyn vyftighste jaar geheel gezondt was. Van de gemelde lange ziekte in den jaare MDCXXI wat bekoomende, viel hy weêr aan ’t dichten, en men zagh hem in de Dichtkunst van jaar tot jaar zoo merkelijk toenemen, dat hy zich zelven in ’t kort, bij vergelyking van zijn voorige rymen, niet meer geleek. Daar veel toe holp zijn geduurige ommegangk met den Drossaardt Hooft, den Ridder Laurens Reaal 4), en andere Dichters, en kenners der kunste, die ’t zaamen een letterkunstige vergadering hielden daar ook de Heer Antonis de Hubert, Rechtsgeleerde, oudt Raadt en Scheepen der stadt Zierikzee door de Psalmen, bij hem in Neêrduitsch dicht vertaalt, genoegh bekent) verscheen. Hier werdt gehandelt van d’eigenschappen der moederlijke taale. Men stelde verscheide regels, daar men zich in ’t dichten naar hadde te schikken: ontrent het stuk der taalschikkingen, de t’saamenvoeging der woorden en naamen, het onderscheidt der geslachten, buiging der gevallen, en spelling van yder woordt. Daar men eenig bericht van vindt in de Waarschouwinge gestelt voor de Psalmen van den gemelden Hubert. Doch deeze taalschikking is sedert merkelijk verbetert, en door den Drossaardt en Vondel tot genoeghsaame volkoomenheit gebracht: gelyk men in hunne laatere dichten en schriften kan bespeuren en waarnemen.

Op dien beraamden voet vertaalde Vondel, met hulp van den Drost en Reaal, omtrent het jaar MDCXXV de Troas of Troades van Seneka, die men met den tytel van Koninginne der treurspeelen vereerde: waar toe zij met hun driën, ten huize van Roemer Visscher 5), den Hollandtschen Martiaal, en voedtstervader der wetenschappen, daagelijks bij een quamen. Uit die vertaalinge in prose braght Vondel dat treurspel in dicht, en gaf het sedert aan den dagh onder den naam van Amsterdamsche Hekuba ; bekennende in d’opdraght dat verscheide vaders vaderlijk recht aan dat kindt hadden; voorts zeggende, dat men die Hekuba vrij moght bezien en doorzien; dat ze niet alleen gebooren, maar ook herboren was, zoo datze met recht twee- of drieboortige moght heeten.

In het dicht van dat Treurspel, daar Vondel geen helpers toe hadt, gelyk tot de vertaaling, hoewel de vertaaling zelf, (daar hy zyn deel in hadt) hem tot hulp verstrekte, zaagen nu de kunstkenners een majesteit van taaie en hooghdravenheit die heerlyk was, en het Latyn op den voet volghde. Maar ontrent dezelve tijdt vondt hy stof, om zich zelven en zynen voortgangk in de dichtkunst naader te vertoonen: niet alleen door zijne Begroetenis aan zyne Vorstelyke Doorluchtigheit Frederik Hendrik, Prins van Oranje, op d’intreé van zijn Stadthouderschappen en Veltheerschap, naa ’t overlyden van zijnen broeder Prins Maurits, een voortreffelyk gedicht; maar ook door ’t maaken van een byzonder Treurspel. Doch ’t geen hier gelegentheit toe gaf, dient van wat hooger opgehaalt.” Uit bovenstaande aanhaling blijkt duidelijk dat Vondel zich in dezen tijd ernstig verdiept in de werken van Seneca. Dat Palamedes dus ook den Invloed van Seneca ondervond, behoeft ons niet te verwonderen; deze invloed is zóó sterk dat Prof. te Winkel zegt: „Plan en aanleg van den Palamedes zijn geheel in overeenstemmiflg met de kunstopvatting van Seneca....., bovendien kan men wel zeggen, dat de Palamedes als ’t ware een mozaïekwerk van grootere en kleinere brokken uit Seneca ’s treurspelen is. „Vooral Seneca’s Thyestes, Hercules furens en Agamemnon hebben Vondel groote diensten bewezen bij het vervaardigen van Palamedes, enkele gedeelten die reyen zijn zelfs vertaald.

Wij vervolgen met Brandt: „Hy hadde in ’t stuk van Godtsdienst de leere der Doopsgezinden, volgens ’t onderwijs zyner ouderen, aangenoomen, en zich, onder zoo veele smaldeelen der verdeeltheden, in de gemeente der Waterlanderen begeven, en het Diakenschap onder hen bedient. 6)

Maar toen de geschillen tusschen de Remonstranten en Contraremonstranten op het hooghst waaren geloopen en d’eerste veroordeelt waaren, hunne Predikanten afgezet, uitgezeit, gebannen, en, inkoomende, ter eeuwiger gevanghenisse verweezen, koos hy d’onderleggende zyde : en het ongelyk, datmen de Remonstranten, zyns oordeels, deede, ontstak in hem een grooten yver om hunne zaak te verdeedigen: zoo dat zyn pen nergens veerdiger noch gereeder was, dan daar hy hun dienst kon doen, of meende te doen. Dit gaf elk oorzaak te zeggen, dat hy geheel Remonstrants was geworden: hoewel hy nooit avondmaal met hun hieldt, en hier op slaat hetgeen hy in zynen Toetsteen zeit,

Zyn genegentheit tot de Remonstranten was oorzaak van dat aardigh gedicht op de Hollandtsche Transformatie, dat in yders handen is. Ook toonde hy groote zucht tot de Heeren, die in de veranderinge van ’t jaar MDCXVIII hadden geleden, met naamen den onthoofden Advokaat, die te deezer tydt stof werdt voor zijne pen; en dat op ’t aanraaden, zoo hij plagh te verhaalen, van iemant, daar men ’t nooit van zou vermoeden. De Heer Albert Koenraadts Burgh. Scheepen en Raadt der stadt Amsterdam, in den jaare van achttien (op het verzoek van een Regeerder, die toen voor werveldraayer van ’t hek ging) door Prins Maurits in de regeeringe gezet, hadt, of kreegh, in ’t kort andere inzichten en begunstigde d’onderleggende party. Dees, een liefhebber der Poëzye, met Vondel van den Advokaat in gesprek geraakt, zeide koutsgewijs, Maak er een Treurspel van. Vondel antwoordde ’T is noch geen tydt. D’ander daar op, Maak heT op een’ anderen naam.

Hier mede van een gescheiden, begost de Poëet op dat voorstel te denken, de stof by zich zelven ’t overleggen, en naar eenige geschiedenis der oudtheit te zoeken, onder welker schorsse hij ’t nieuwe Treurspel moght verbergen. Eindelijk quam hem de Grieksche Palamedes te vooren, daar men van schryft, dat hy, onder deksel van het oogh naar den vyandt gewent, en geldt genooten te hebben, by het gemeene volk in haat wierdt gebraght, en door Agamemnon en Ulysses, tot onvergoedbaare schaade van geheel Grieken, gedoodt. Dees geschiedenis, van d’oude Poëten, met hunne verzierselen vermenght, geviel hem, en hy gaf zich aan ’t werk: met opzet om ’t by zich zelven te houden, tot dat de tijden ’t uitgeven zouden gehengen. Al zijn gedachten en verstandt inspannende, viel hij aan ’t ontwerpen, ordineeren en schikken der stoffe: mengende het nieu onder ’t oudt, en ’t waar met onwaar; op dat hy zich niet te bloot gave, en onder bewimpelingen der Grieksche geschiedenisse, verzierde byvoeghzels en cieraaden, moght schuilen. Terwyl hy met vlyt aan dit werk arbeidde, ging Prins Maurits van Oranje, die ook een personaadje in ’t Treurspel zou zyn, quynen en ’t gedenkt my deze Poëet in ’t achtentachtentighste jaar zyns ouderdoms te hebben hooren verhaalen, hoe zyn vrou op een morgen, geduurende Zijne beezigheit met Palamedes, aan de trap, die naar zyn kamer ging, quam roepen; Man, de Prins leit en sterFt, (want die tyding quam toen uit den Haeghe) en dat hij haar tot antwoordt toe riep; Laat hem sterven. Ik belui hem vast. Des Prinsen doodt hier op volgende ging hy te yveriger met zyn werk voort, en braght het ten einde, en onder de pers. ’T quam ontrent den Herfst of in ’t begin van November in ’t licht, tot veeler verwondering, die wel haast merkten, wat zijn ooghmerk en zin was. Die zich de kunst verstonden, verhieven ’t ten hemel toe, en preezen de zuiverheit der taaie, en hooghdravende vloejentheit; tot noch toe van niemant der Nederduitsche Dichteren zoo wel uitgevonden. Maar zy stonden verbaast, als ze den tytel en tytelprint zaagen, en het treurspel laazen. Want op den tytel van PALAMEDES, of vermoorde onnoozelheit, volgde een print, daar een oudt man, van een achtbaar en deftig gelaat, zweemende naar den Advocaat, in een diereperk stondt beslooten, en van Themis, Godinne der Rechtvaardigheit, werdt gelauriert. In ’t werk zelf zaagen ze den man, die noch van veelen voor een Landtverrader, en van anderen voor een Vader des vaderlants en Martelaar van Staat en Godtsdienst werdt gehouden, met zoo veel levende verwen, en hooghsels en diepsels van kunst, afgemaalt, dat ze hem en zyn onschuldt als met handen meenden te kunnen tasten. Zy verstonden, dat er veelen, die toen de hooghste macht van ’t landt, en ’t meeste bewindt van zaaken hadden, op hun zeer wierden getast; inzonderheit de Contraremonstranten, of de kerk die toen boven dreef. Vooral dacht het hun vremdt, dat hy zynen naam, onbewimpelt, op den tytel dorst stellen. Dan ’t lot was gewaaght, de steen geworpen, en ’t geen niet alleen geschreven, maar ook door den druk gemeen was gemaakt, kon niet uitgewischt worden, noch de Dichter zijn werk loochenen. Hij most dan wachten, wat er van quam;

Dr. Eelco Verwijs teekent hierbij aan:

Dat het verschijnen van den Palamedes bij de Remonstranten inderdaad schrik en ontsteltenis te weeg bracht, blijkt uit verschillende brieven van tijdgenooten (Zie Oud Holl. VI).

Grevinckhoven prijst den dichter: „lof moeten sulcke geesten hebben; utinam Roma trecentos tales haberet! (indien Rome drie honderd van dezulken bezat) de gansche procedure tegen den heer Advocaat, wert daerin ad vivum (naar het leven) verhaelt, en uitgekreten voor een vadermorderie; maar,” vraagt hij, „sal dat so door den beugel mogen, ende comt die man onverseert daer af, ’t sal veel sijn.” Ook Niellius is (9 Nov. 1625) „becommert over het uitgeven van Palamedes; daer vele Heeren haer grootelijcks in sullen stooren”. Het „poema” (gedicht) dunkt hem wel treffelijk gedaan, maar schrijft hij, „au satis prudenter au satis pie et an fructuose huiusmodi dentata scripta nunc temporis in lucem emittuntur vehementer dubito. (Ik twijfel ernstig of het wel voorzichtig of zacht-moedig genoeg, of vruchtdragend is, zulke gepeperde geschriften in dezen tijd te publiceeren). Nostri Calchantes (Coster had de Calvinistische predikanten reeds onder den naam Calchas gehekeld, het werd door Vondels scherpe satyre een gangbaar scheldwoord voor de Contra-Remonstrantsche geestelijken. In de vertrouwelijke correspondentie hunner kerkelijke tegen standers vinden wij dan ook meerdere malen de termen: nostri Calchantes, onse Calchassen) sullen dit seer tegen ons ende onse gantsche sake misbruyken, om der Regeerders op te wekken ende tot alle hardighheijt aen te hitsen.”

En een maand later (12 Dec. 1625), nadat hij heeft vernomen dat de naam Vondel op den titel geen pseudoniem was– deze predikant kende dus zelfs Vondels naam niet– verheugt hij zich dat niemand van „onze verdruckte societijt tot dat werck eenige schult” heeft. „Men soude het ons uitermate qualijck affnemen.” Vondels houding steekt hier wel zeer gunstig af bij die van zijn op zijn minst genomen „voorzichtigen” medestander. In het algemeen heeft het Vondel trouwens nooit aan moed ontbroken. Zoowel in dit geval als bij zijn latere overgang tot de Katholieke kerk (in een overwegend Protestantsch land) heeft hij geen oogenblik geaarzeld te doen wat hem het beste leek. Steeds komt hij eerlijk voor zijn meening uit, zelfs daar waar boete en gevangenis hem dreigen, want

Omtrent Coster’s invloed op Vondel schrijft Dr. Sterck: „Een veel krachtiger op den voorgrond tredende persoonlijkheid blijkt Vondels geest vaardig te hebben gemaakt; het was Dr. Samuel Coster, de stichter der „Duytsche Academie,” die de eerste aanleiding had gegeven tot het geheele tumult. Zijn Academie, die eigenlijk bestemd was een soort „volksuniversiteit” te worden, waar rekenkunde, sterrenkunde, geschiedenis, wij sbegeerte, dansen, literaire aestheticaen Hebreeuwsch onderwezen zouden worden, heeft in werkelijkheid alleen de tooneelspeelkunst bevorderd, en voerde 1 November 1617 Costers treurspel Iphigenia op, dat een doorloopende heftige aanval is op de woelzieke predikanten.

De priesters denken dat
Haer ’t hoochste woord toekomt in yder dorp en stadt.
Mij dunkt dat ’t priesterschap vol kyvens en vol list is,

had Coster reeds vroeger gedicht, en zijn Iphigenia was een uitbreiding van deze gedachte, waartegen de kerkeraad besloot krachtig bij Burgemeesteren te protesteeren, „opdat dit alles behoorljck door haer Es. Authoriteit sonde mogen afgeschaft ende geweert worden.” Nu was de strijd ontbrand en kreeg Coster niet slechts de leden van de Oude Kamer tegen zich, waarvan hij zich had afgescheiden, maar de Calvinistische predikanten begonnen zijn Academie aan te vallen en op den kansel en bij Burgemeesteren te bestrijden met al hun machtige middelen.

Vondel, die gemakkelijk onder den invloed kwam van een krachtige persoonlijkheid, had zich al spoedig aan de zijde van Dr. Coster geschaard. Zijn hekelend treurspel Iphigenia bevat reeds in de eerste uitgave, September 1617 na het voorbericht: „Aende Lasteraers van de Amsterdamsche Academie,” het volgende gedichtje van Vondel:

En verder zegt Sterck: „Costers Iphigenia kan als een voorlooper van Palamedes worden beschouwd. Beide treurspelen gebeuren voor Troje, in beide treedt Palamedes op. De twee onderwerpen zijn te innig verwant, dan dat het laatste niet onder den eersten invloed zou zijn ontstaan, al is natuurlijk Vondels treurspel veel later ontworpen. De herinnering aan Iphigenia is onmiskenbaar in de wording van Palame des.

Brandt vervolgt:

„Het leedt ook niet lang, of het boek werdt opgehaalt, en hij aangeklaaght. Hij plagh te verhaalen, dat men hem meende naar den Haagh te doen voeren, en daar te recht te stellen, ’t welk om zyn’ hals, zyns bedunkens, gewedt waar: dat de Heer Adriaan Paauw, Pensionaris der stadt Amsterdam, zoon van den Burger-meester Reinier Paauw, die als Rechter over den Advocaat hadt gezeeten, met de Heeren Burgermeesteren en Scheepenen hier van sprak, en sterk aanhieldt dat men hem den Fiscaal zou laaten volgen. Doch ’t werdt geweigert, en dat meest door de hartigheit van den Burgermeester Diedrik Bas, op de voorspraake van den Heer Herman van der Pol (voor deezen Scheepen en Raadt der Stadt, maar in den jaare MDCXVIII, nevens andere Heeren, afgezet) die Vondels vriendt was, en bij verscheide Regeerders veel vermoght. Ook verhaalt men, dat de Heer Andries Bikker, toen Scbeepen, op ’t aanhouden van den Pensionaris Paauw, zeide

Als men onze burgers naar den Haagh zal voeren, wat hebben wy dan hier te doen?

’T gemeene zeggen is, dat eenige Heeren, toen dat onweêr uit den Haage t’ Amsterdam opquam, den Dichter in ’t heimelyk rieden, terstondt zijn burgerschap te koopen; opdat de Heeren Scheepenen uit dien hoofde zijn vervoering naar den Haage moghten weigeren; maar ik weet uit zyn eigen mondt, dat daar niet aan is, en dat hy, toen noch daarna, nooit burgerschap heeft gekocht: zoo dat de Heeren dit slechts voorgaven om ’t aanhouden der anderen af te wyzen. Terwyl dit stuk noch hing, en eer men wist, of de Wethouders dat weghvoeren zouden inwilligen, of afslaan, vondt Vondel zich in de klem van zulk een schrik, weetende wie hy voor hadde, dat hij ’t huis niet dorst houden. Hij begaf zich heimelyk ten huize van Hans de Wolf, broeder zijner huisvrouwe, en met zijne zuster, Klementia van den Vondel, getrouwt: maar deze vrienden wilden zich met zyne zaake niet bemoeyen: hem begraauwende over zyn schryfzucht. Zy verstonden, dat hy zyn huis behoorde voor te staan, op zyn neering paassen, en al dat schryven en wryven, dat hem in gevaar braght, te staken. Hij zeide, Ik zal dat volk de waarheid nog scherper zeggen, en schreef daar ten huize noch steekende hekeldichten, die hy echter op zyn zusters aanhouden in ’t vuur smeet, ’t welk hem namaals ronde. Daarna ging hy, vreezende dat men hem by zyn zwager en zuster eerst moght zoeken, en hunne bestraffing moede, ten huize van Laurens Joosten Baake lyfherberging zoeken. Dees ontfing, bergde en bezorgde hem gaarne. Ook was zyn huis, zoo wel als dat van Roemer Visscher een Parnas van wetenschappen; daar men de fraaiste geesten onthaalde, en de loffelykste kunsten koesterde: Inzonderheit waaren zyne zonen en dochters verslingert op de dichtkunst: met naame Jakob, en Justus, die een zuster van des Drossaardt Hoofts overledene huisvrouw ten huwlyk hadt, ’t welk te meer vriendtschap en vertrouwen baarde. Die weldaadt, en dat schuilen, was hy namaals in een Dankdicht aan Jacob Baake gedachtig, daar hij zich dus liet hooren:

Drie of vier daagen geschoolen, en van goeder handt verstaan hebbende, dat men ’t vervoeren naar den Haag hadt afgeslaagen, quam hy weêr te voorschijn. Sedert werdt zyn zaak op des Schouts rol getrokken, en voor twee Scheepenen bepleit: en ’t geluk wilde dat de Heer Albert Koenraadt Burg, zijn aanraader tot het dichten van dat treurspel, een der twee Scheepenen, en hem derhalven niet ongunstig was: d’ander was Scheepen Ernst Roeters, die de zaaken heel anders begreep. Hy werdt in dit pleit door d’Advokaaten Luit en Kats en den Pleitbezorger Bouman gedient, die van zynent wege beweerden, dat men het treurs pel most neemen voor een Grieksche Historie, en dat hy de stof hadt bekleedt en gestoffeert met byvoeghselen, omstandigheden en cieraden, naar de vryheit der Poezye en tooneelwetten: dat men den inhoudt most verstaan, niet naar ’t geen er d’een of d’ander uit zoogh, en als met nyptangen uit trok, maar naar de verklaaring des Dichters; dewyl elk een uitlegger was van zijne eige woorden.

De Heeren Burgh en Roeters het pleit gehoort hebbende, waaren van geen een verstandt, braghten de zaak voor ’t volle getal van Scheepenen : daar Burg, als d’oudste, verhaalde hoe hun de zaak op des Schouts rol was voorgekoomen: Dat het Poëten werk was, en dat men het Treurspel wel een ander zin kon geeven dan veelen deeden. Onder de Scheepenen waaren de meeningen niet eenerlei: maar de Schout, Heer Jan ten Grootenhuis, viel zacht: den Dichter in zijne beschuldiginge alleen te last leggende, dat hy in het Treurs pel dingen hadde gesproken, die hy behoorde te zwy gen. Ook neigde het meerendeel van Scheepenen tot zachtheid: maar zeeker Heer nam dit werk zoo hoogh op, dat hy, hoorende, uit het onderling gesprek, hoe verscheide Heeren gezint waaren den Dichter in een geldtboete te verwijzen, op zyn beurt van stemmen zeide; Moght ik met het reght begaan, van Vondel zou ’t niet meer doen. Bij de meeste stemmen nochtans werdt geoordeelt, dat hy driehondert guldens tot boete zou betaalen, ’t geen hij gewillig deede. Dit was oordeelden veelen, met een vossenstaart gegeeselt, en diende alleen om ’t boek te meer bekent, en de menschen, te nieuwsgieriger te maaken. ’T is ook zeker, dat er geen beter middel is om boeken te doen begeeren en leezen, dan dat men ze verbiede, ophaale, of verbrande, en de schryvers straffe: want dat verwekt veel geruchts, en veelen, die anders op zulke schriften nooit gedacht hadden, willen ze zien. Dit is ’t rechte zout dat zulke spys smaaklyk maakt. Ook heeft men doorgaans gezien, dat boeken, op hooge boete verbooden, als men ze met gevaar bequam, met overgrooten lust zijn geleezen, en in vergetelheid geraakt, als me ze vrijelijk moght hebben 8) D’eerste druk van Palamedes, voor een gedeelte opgehaalt, werdt binnen weinig daaghen uitverkocht, en men zagh, een week of twee daarna, een nieuwen druk met een kleiner letter, daar wel haast een derde op volghde: Jaa men houdt dat dit treurspel binnen weinig jaaren omtrent dertigh maalen werdt gedrukt 9). ’T ging hier naar de spreuk van Naso.

Zelf zijn Vorstelyke Doorluchtigheit Frederik Hendrik, Prins van Oranje, Stadthouder en Veldtheer in zyn broeder Prins Maurits plaats geworden, dien veelen hielden dat den Advocaat en de Remonstranten van oudts niet ongunstig was, liet zich het treurspel van Palamedes in zyn kabinet, door zyn gunsteling den Heer van der Myle, Oldenbarneveldts schoonzoon, een keurigh liefhebber der Poezye, voorleezen, en uitleggen, zooveel hem mooghlijk was: en ik weet uit Vondels mondt, dat Van der Myle, na verloop van eenige jaaren, tegens vertroude vrienden zeide, dat ’er de Prins gevallen in hadde, en zich meê kittelde. Ook verhaalde Vondel, ’t geen zommigen veellicht ongelooflyk zal schynen, dat in ’t kabinet, daar men het Treurspel las, een tapyt, of ’t weezen wilde, te pronk hing, met beelden, die de Histori van Palamedes kunstig vertoonden, daar ’s Prinsen oogh onder ’t leezen op viel, zeggende al lachende tot Van der Myle: Dat tapijt dient wel weghgenoomen: men moght anders besluiten dat ik van Palamedes volk waare.”

Leendertsz zegt van Frederik Hendriks eigenaardige houding. „Om te begrijpen hoe Frederik Hendrik in dit treurspel genoegen kon vinden, moet men vooral in het oog houden, dat Agamennon-Maurits meer de misleide heerscher is, wiens gekrenkte trots door sluwe raadgevers gebruikt wordt, dan wel een bloeddorstig geweldenaar. Zijn booze geest is Ulysses-Aerssen, die het geheele verraad op touw zet en Diomedes-Willem Lodewijk medesleept. De laatste is van alles op de hoogte, weet van het bedrog en helpt mede. Maar Agamemnon-Maurits valt in den hem gespannen strik. Wanneer hij op de veroordeeling van Palamedes-Oldenbarnevelt aandringt, is hij oprecht overtuigd van diens schuld. Wel gevoelde hij antipathie tegen Palamedes, die zich nu en dan tegen hem scheen te verzetten, en geloofde hij hierdoor gemakkelijker de valsche beschuldiging, maar hij was een te fier krijgsman om willens en wetens onrecht te plegen. Doch de bewijzen schenen zoo afdoende, dat zelfs Nestor niet anders meende te kunnen doen, dan tot zachtheid raden. Al was het stuk van het begin tot het einde hatelijk geweest tegen Maurits, dan had Frederik Hendrik het toch moeten lezen, waarbij hij zeker geen beter uitlegger kon hebben dan Oldenbarnevelt’s schoonzoon. Hieruit kan men geene gevolgtrekkingen maken aangaande zijn gezindheid tot de Remonstranten. Dat hij onder de lezing getroffen werd door de fraaie schildering, de treffende uitdrukkingen, de schoone verzen, is niet meer dan natuurlijk bij iemand, die lang niet van smaak en kunstgevoel ontbloot was.” Frederik Hendrik heeft echter op Vondel’s lofzangen op hem in het geheel niet gereageerd.

Zooals uit Brandt’s beschrijving duidelijk blijkt heeft Vondel zijn drama in de eerste plaats als hekeldicht bedoeld en in de tweede plaats als treurspel. Hij had het vooropgezette plan stelling te nemen en de overweging dat beide partijen van hun standpunt uit wel eens gelijk konden hebben en dat daarin juist den grond kon liggen voor een dramatisch conflict in optima forma kwam niet bij hem op. Als drama is Palamedes dan ook mislukt. Een organisch geheel heeft Vondel niet kunnen scheppen, nu eens is Palamedes Oldebarnevelt, dan weer Palamedes. Het landschap is soms Grieksch dan weer Hollandsch (b.v. aan het slot van het 3e bedrijf: de rey van Eubeeërs). Soms wordt de lust tot hekeling zoo sterk dat de geheele dramatische eenheid verstoord is en evenals bij Lucifer en Gijsbrecht van Amstel eindigt het stuk eigenlijk met het eind van het vierde bedrijf. Toch is dit misschien juist in Palamedes het meest gerechtvaardigd, ten eerste, omdat het drama als drama toch al niet sterk is, waardoor dus de fout minder hinderlijk is en men den dichter kan verdedigen door het als een hekeldicht in tooneelvorm te betitelen, ten tweede, omdat hij juist bij Palamedes uit paedagogisch oogpunt de voortreffelijkheid van zijn held en de afschuwelijkheid van zijn vijanden des te sterker wilde doen uitkomen door de rampspoeden en straffen, waarmee de „Hemelsche Gerechtigheid” deze laatsten trof. Wij hebben er reeds op gewezen, dat Vondel een moedig man was, die er niet tegen opzag de partij der zwakkeren op te nemen als hij hun zaak als de rechtvaardige beschouwde.

Hij neemt dus in het algemeen geen objectief standpunt in, zoodat dan ook zijn houding tegenover de rechters van Oldenbarnevelt niet geheel en al gerechtvaardigd genoemd mag worden.

De beschuldigingen tegen de procedure van Oldenbarnevelt ingebracht, zijn tot twee bezwaren terug te brengen n.1. 1e. de onbevoegdheid der rechtbank, en 2e. de partijdigheid der rechters. Bovendien klaagt men ook over de langdurige preventieve hechtenis, over harde behandeling van de zijde der rechters en over het niet toelaten van een behoorlijke verdediging.

Het eerste punt verdeelt Mr. L. Ph. C. van den Bergh in tweeën: n.1. 1e. absolute onbevoegdheid, omdat de Algemeene Staten, zooals men beweerde, geene jurisdictie hadden, en 2e. onbevoegdheid in casu, omdat de beschuldigde was in eed en dienst van Holland en dus volgens het privilege de non evocando niet van zijnen competenten rechter, het Hof van Holland, kon worden afgetrokken, terwijl hij nog bovendien in de bijzondere sauvegarde der Staten genomen was. Ten aanzien van het eerste punt zegt genoemde schrijver: „Om zich dit jurisdictiegeschul goed voor te stellen, moet men zich op het standpunt der ontluikende republiek plaatsen, toen het staatsregt nog niet zooals thans, behoorlijk geregeld en veel aan de usance en de interpretatie was overgelaten. De Unie zelve, het is reeds meer opgemerkt, was eene aanvankelijke verbondsacte van vrije staten, waarbij de hoofdpunten hunner vereeniging bepaald, maar vele vraagstukken, die zich later opdeden, onbeslist gelaten waren en de wetten waren voor een groot deel gelegenheidswetten, niet voor volgende tijden geschreven. Ook was er onder de republiek eene gestadige worsteling van de provinciën, vooral Holland tegen de generaliteit en van de vroedschappen tegen de provincie, en onophoudelijk had men conflicten van jurisdictie, omdat men in de eerste plaats de regten van zijne stad of zijn collegie, daarna eerst het belang der justitie en der ingezetenen in het algemeen voor oogen hielden. Maar wanneer men toegeeft dat de regtsmagt der StatenGeneraal niet door de wet bepaald was, het beweren der staatsgezinde partij was evenzeer aan twijfel onderhevig en kon tot onbillijkheid en ongerijmdheid leiden, want niet alleen waren dan de thesaurier-generaal der Unie, de griffier van H. H. M. met zijne commiesen en klerken, wegens ambtsmisdaden alleen voor de provinciale hoven aansprakelijk, maar alle gezag der Staten-Generaal over hunne dienaren hield op, wanneer dezen wegens wangedrag niet door hunne committenten konden gestraft worden.” Tegen het tweede punt voert Mr. van den Bergh het volgende aan: „De advokaat was wel een Stichtenaar van geboorte, maar sedert lang in dienst en eed van Holland en hij had zijne instructie ook alleen van de staten van dat gewest ontvangen. Indien hij dus in die hoedanigheid hetzij tegen de provincie of tegen ingezetenen van dit gewest misdaan had, kon men hem alleen voor het Hof van Holland betrekken, dat volgens de wet en de instructie van dat collegie, zijn enige competente regter was.” Van den Bergh betoogt echter dat Oldenbarnevelt tevens de functie uitoefende van wat wij heden ten dage minister van Buitenlandsche Zaken zouden noemen. Als zoodanig zou hij dus eveneens ondergeschikte der Algemeene Staten zijn en deze zouden dan het recht hebben een rechtscollege te benoemen voor een proces, waarin hun dienaar de beschuldigde was. Wel is waar heeft de heer van den Bergh geen instructie van de Algemeene Staten van Oldenbarnevelt kunnen ontdekken, maar hij is van meening, dat de advocaat van Holland de Buitenlandsche Zaken behartigde volgens oud gebruik, omdat Holland de vermogendste provincie en met Zeeland het eerst vrij geworden was, en ook omdat de raadpensionaris van Holland in de verblijfplaats van alle hooge colleges van staat gevestigd was (n.l. Den Haag). Op den raadpensionaris van Holland is dus in zijn functie als behartiger der Buitenlandsche Zaken van toepassing, hetgeen Pieter Paulus in zijn Verklaring der Unie zegt : „Zij toch, die in eed en dienst zijn van de generaliteit, zijn rekenschap van hun gedrag en daden verschuldigd aan de Algemeene Staten hunne committenten. Door te treden in eed en dienst van de generaliteit kunnen zij dus worden aangemerkt zich stilzwijgend aan de judicature van de Algemeene Staten onderworpen en van het privilegie de non evocando afstand gedaan te hebben, voor zooverre namelijk, en niet verder, als die daden tot hun ambt betrekking hebben, of hun oorsprong daaraan onmiddellijk verschuldigd zijn.”

Van den Bergh vervolgt: „Maar er was nog meer. De Staten van Holland of althans de bovendrijvende Oldenbarneveldsche partij hadden zich zoo ten aanzien der waardgelders als van de synode tegen de Staten Generaal gekant; daar nu dit de twee hoofdpunten der beschuldiging waren, zou Holland hier in zijne eigene zaak regt gesproken hebben. Bovendien konden de Staten het Hof verbieden van de aanklagt kennis te nemen of uit krachte der souvereiniteit aan dit collegie zoodanige voorschriften geven, dat de beschuldiging geheel illusoir werd en de advokaat hetzij eene rechtsweigering ten zijnen behoeve, hetzij eene volledige vrijspraak verwachten kon.”

Wat de partijdigheid der rechter betreft ; hieromtrent toont van den Bergh aan dat onder de 12 rechters, die vanwege het gewest Holland benoemd waren, zich vier bevonden, die tevens lid waren van het Hof van Holland, en dat zij dus ook tegenover de beschuldigden gezeten zouden hebben, als dezen volgens hun verlangen voor dat college geroepen waren. Zij waren trouwens in het geheel niet op deze benoeming gesteld en beriepen zich op zakelijke betrekkingen of familie-verwantschap met de beschuldigden om zich aan hun taak te onttrekken. Omtrent de benoeming van de overige acht Hollandsche rechters leest men in de notulen van Holland van 31 Januari 1619 het volgende: „Ende hoewel alle ende elck van de voorn. ghecommitteerden, bij veel redenen zochten hen van desen last te excuseren, so is nochtans daarbij gepersisteert ende sy allen ende elck van dien versocht ende vermaent op den eedt desen last te moeten aennemen.”

Ten aanzien van de overige twaalf rechters zijn slechts vage gegevens bekend. „Maar”, zoo zegt van den Bergh, „al neemt men aan dat alle de regters verklaarde contra-remonstranten waren, dan bewijst dit op zichzelf nog niet dat zij tegen beter weten aan een onschuldige zouden veroordeeld hebben. In staatkundige processen staan de beschuldigden gewoonlijk voor die van de andere partij te regt. De patriotten der vorige eeuw zijn door oranjemannen, de oranjemannen door patriotten geoordeeld en in onze dagen (1876) zijn de Fransche communisten teregt gesteld voor gedelegeerde regters, die een afschuw van de beginselen der commune hadden. Zijn daarom alle die vonnissen partijdig en onrechtvaardig geweest en hebben die regters tegen de stem van hun geweten uitspraak gedaan?” En zijn conclusie luidt: „Ik wil zelfs aannemen dat enkelen onder hen (de rechters n.l.) door partijdrift kunnen vervoerd zijn; maar dat alle, of althans de groote meerderheid tegen beter weten aan de veroordeeling zouden hebben uitgesproken, is door de tegenpartij niet bewezen, en ik durf het zeggen, ongeloofelijk. Is het denkbaar, mag ik vragen, dat vierentwintig van de aanzienlijkste mannen des lands en daaronder raden in verschillende hoven en zelfs vrienden en bloed-verwanten van de beschuldigden en anderen die vroeger tot hen is geene betrekking gestaan en mits van hen geleden hadden zich gewillig zouden leenen tot eenen geregtelijken moord?” Van de drie laatste bezwaren zijn de eerste twee op zijn minst genomen door de tegenpartij sterk overdreven terwijl de weigering tot het toelaten van een verdediging in ieder geval niet in strijd was met den gewonen gang van een z.g. extra-ordinaire crimineele procedure.

Men ziet dus dat Vondel zich in zijn antipathie tegen Maurits (meer dan door zijn sympathie voor Oldenbarnevelt) zeer sterk heeft laten meeslepen.

Leendertsz drukt zich hieromtrent als volgt uit: „Van den strijd tusschen Maurits en Oldenbarnevelt heeft hij niets begrepen. Vóór 1625 noemt hij den laatste zelfs niet, terwijl hij overal waar het te pas komt, naast Willem I ook Maurits prijst. Zelfs de staatsgreep van 1618 en de terechtstelling van Oldenbarnevelt ontlokten hen geen enkelen versregel.

Ook de strijd der Remonstranten en Gomaristen liet hem koud. De veroordeeling der eersten te Dordrecht, het afzetten van hunne predikanten, weldra gevolgd door de verbanning van enkelen, het ging alles buiten zijnen kring om. In de opdracht van Hierusalem Verwoest spreekt hij over vervolging van den geloove en vloekt de Spaansche inquisitie, maar maakt zelfs niet de flauwste toespeling op wat er in zijn eigen tijd plaats vond.” Sterck verzet zich tegen deze zienswijze en haalt o.a. een gedicht aan op Scriverius of Schrijver, de bekende Leidsche professor, die in 1619 een Latijnsch bijschrift gemaakt had voor een portret van Hoogerbeets, waarvoor hij en de graveur beboet werden; dit gedicht is van 1619.

Wie zag meer leeds
Aan Hoogerbe ets
Als schrijver, onze Martiaal?
Die (doe ’t schavot
Den ouden strot
Zag sneven, door ’t schendig staal,
Doe wraak, de harten kookte,
En ’t heilig bloed nog rookte),
Tot roem van Rombout, Horens licht,
Sprak in des Dwing’lands aangezicht:
Is dit het loon der Helden?
Is dit de deugd ver gelden?
Wie vond van inborst vromer Man?
Dat woord onstelde den Tiran,
Het klonk tot in den kerker
Der tijden wierd veel sterker.
Vermits doe elk een tong ontbrak
Ons’ Schrijver spitse Penne sprak.

„Indien dit versje,” zegt Sterck, „met de heftige uitroepen over het „schendig staal” en de wraak, die de harten kookte, geen aanval is op den „Dwingeland”, Maurits, den „Tiran”, mag men gerust in al ’s dichters latere hekeldichten lofliederen zien. Doch de laatste verzen geven de verklaring van Vondels stilzwijgen, al kookte het in zijn binnenste: „Vermits doe elk een tong ontbrak, Ons’ Schrijver spitse penne sprak”. De veroordeeling van Schrijver was een waarschuwing. Deze liet Vondels gedicht in zijn vrienden-album over schrijven met de initialen P. V. K., d.i. Palamedes van Keulen, doch deed dit blijkbaar eerst na 1625, toen het treurspel in het licht kwam. Vondels versie werd eerst uitgegeven in 1659.” Beide geleerden zijn het er echter over eens, dat Vondel eerst recht partij koos onder invloed van bepaalde personen: volgens Sterck vrij vroeg door Coster, volgens Leendertsz door de kring van Hooft, volgens anderen door Reael. Hoe dit ook zij hij oordeelde in dezen tijd heel wat minder rechtvaardig dan in zijn „Hymnus ofte Lofgesangh, over de wijd-beroemde Scheeps-vaert der Vereenigde „Nederlanden” (1613).

In dit verband verdient het aanbeveling de drie treurspelen van Vondel, waarin de politieke tendenz het sterkste spreekt n.l. Palamedes, Maria Stuart en de Leeuwendalers met elkaar vergelijken.

Vondel is, er zij nogmaals aan herinnerd, niet in de eerste plaats een man van uitvoerige en diepgaande beschouwingen. Zijn overtuiging, zijn houding staat vast. Hij aarzelt zoo goed als nooit bij het bepalen van zijn sympathieën in een conflict tusschen twee partijen, en, het zij tot zijn eer gezegd, hij kiest niet altijd de sterkste. Het is waar, zijn Palamedes is geschreven en gepubliceerd in een tijd, dat de Amsterdamsche regeering, die eerst fel tegen Oldenbarnevelt gekant was, langzamerhand Remonstrantsch gezind werd. Dit blijkt o. a. uit de houding van den reeds door Brandt genoemden Albert Koenraadts Burgh: „die door Prins Maurits in de regeeringe gezet, hadt, of kreegh, in ’t kort andere inzichten dan zijne voorderaars, en begunstigde d’onderleggende partij.” Hij raadt Vondel aan een treurspel over het proces tea schrijven en helpt hem later, als hij vervolgd wordt. Bovendien is Frederik Hendrik intusschen aan het bewind gekomen „dien veelen hielden dat den Advokaat en Remonstranten van oudts niet ongunstig was.

Dat men hierin niet geheel ongelijk had (al zou het een vergissing geweest zijn, als men Frederik Hendrik geheel Remonstrantsch gezind achtte), blijkt uit diens latere politiek. „Binnenslands werd de onrust, die de kerkelijke twisten hadden nagelaten, weggenomen door het gematigde optreden van Frederik Hendrik, die zich wel wachtte voor een overhaaste bevoordeeling der Remonstranten, maar toch bevorderde, dat geleidelijk de vervolging tegen hen ophield: Van der Mijle door den nieuwen stadhouder openlijk begunstigd, Hoogerbeets begenadigd (hij mocht zich op zijn landgoed bij Wassenaar vestigen), den verbannen predikanten oogluikend de terugkeer veroorloofd, de op Loevestein gevangen predikanten, toen ze ontvluchtten (1631), ongemoeid gelaten. Op verscheidene plaatsen hielden de Remonstranten nu weldra hunne eigen godsdienstoefeningen, ongestoord. Zij vormden sedert een kerkgenootschap. De provinciale synodes– van een nationale synode was geen sprake meer!– klaagden hierover meermalen, maar de regenten letten er niet op, hoewel de verbodsplakkaten niet werden ingetrokken. Alleen te Amsterdam ging deze ommekeer met eenige moeilijkheden gepaard. Niet vanwege de stadsregeering, die zeer spoedig na 1619 haar Calvinistisch ijveren had gestaakt, terwijl de voornaamste drijvers hiervan. o.a. Pauw, hun invloed verloren. Maar van wege de Gereformeerden zelf, opgestookt door eenige zeer heftige predikanten, die hun gehoor tot verzet tegen de verdraagzame regeeringspolitiek opwekten en daarmede Vrij wat succes hadden. In April 1628– de regeering der stad bestond toen reeds in meerderheid uit zeer gematigden op kerkelijk gebied– kwam de stadhouder zelf naar Amsterdam, waar hij, zonder forsche maatregelen te nemen een bedarenden invloed oefende. De regeeringspolitiek zegevierde daarna geheel; een paar heftige predikers werden door het stadsbestuur uit de stad gebannen. Vondel, die in 1625 om zijn „Palamedes of vermoorde onnooselheydt” vervolgd was en er alleen om den ommekeer in de regeering met een geldboete was afgekomen, schreef een paar jaar later ongestraft zijn felle satyren tegen de Contra-Remonstranten en hun bedrijf. Een opleidingsschool voor Remonstrantsche predikanten en een athenaeum in Remonstrantschen geest werden in de stad opgericht (1631).” 10).

Ook van Lennep overweegt de kansen van Vondel bij een eventueele vervolging: „Burgemeesteren waren in dit jaar Dr. Dirck Bas, Gerrit Jacob Witsen, Jacob van Neck en Abraham Boom. De eerste en laatstgenoemde behoorden tot de zoodanigen, die, in 1618, bij de vernieuwing van den Raad door Prins Maurits, hun betrekking behouden hadden, en van wie het alzoo waarschijnlijk is, dat zij niet als erkende aanhangers der tegenpartij te boek stonden; van de beide anderen, die later in den Raad kwamen is het nog minder zeker tot welke partij zij behoorden.

Met meer zekerheid kunnen wij dit zeggen van de Schepenen, zijnde in dit jaar Gerrit Dircksz. van Beuningen, Jan Gij sbertsz. de Vries, Adriaen Pietersz. Raep. Dr. Andries Bicker Gerritsz., Jacob Jacobsz. Hinlopen, Warnaer Ernst van Bassen, Dr. Albertus Coenradus Burgh, Ernst Roetersz en Dirk Tholinx. Van deze staat van Beuningen in de Geschiedenis bekend als de voorstander eener wijze verdraagzaamheid, als de man, die later ’t eerst die besluiten doordrong, waardoor aan de Remonstranten Vrije uitoefening hunner Godsdienst gewaarborgd werd; Bicker betoonde zich op meer gevorderden leeftijd een der hoofden van de toen meer machtig geworden Staatsgezinde partij 11), Burgh was de man, die Vondel tot het schrijven van het treurspel had aangezet, Tholinx een zwager van Hooft, die gewis aan zijn vriend ten voorspraak bij hem zal verstrekt hebben, en Hinlopen, gelijk ons eerlang uit een tal van bewijzen blijken zal, een getrouw beschermer van onzen Dichter.– Daar-en-tegen waren Jan Gij sbertsz. de Vries, Warnaer Ernst van Bassen en Ernst Roetersz hevige Kontra-Remonstranten, alzoo alles behalve gunstig jegens Vondel gezind. Van Raep weet ik niet anders te zeggen, dan dat hij, volgens een schimpschrift van dien tijd, behoorde onder:

de waggelmutsen,
Die door de vroomen sijn geraeckt op ’t kussen.

In allen gevalle stond de kans om rechters te bekomen, die hem genegen waren, voor Vondel niet ongunstig.”

Hiertegenover stond echter, dat Mr. Adriaan Pauw, zoon van Mr. Reinier Pauw, die voorzitter was geweest bij het rechtsgeding van Oldenbarnevelt, het ambt van Pensionaris van Amsterdam bekleedde. De kans om naar den Haag gestuurd te worden was dus verre van klein en het is duidelijk dat Vondel in dit geval een ontijdigen dood was gestorven.

Het is echter niet waarschijnlijk, dat de dichter met deze goede en kwade kansen rekening heeft gehouden, en in ieder geval waren de kwade even groot als de goede; het getuigt dus van persoonlijken moed, dat hij niettegenstaande alles de inspraak van zijn hart heeft durven volgen.

Sterker en tevens waardiger toont Vondel zich echter in dit opzicht bij de vervaardiging en publicatie van Maria Stuart. Men kan over de waarde van het treurspel denken zooals men wil, men kan zelfs de voorstelling van de figuur Maria Stuart geflatteerd vinden. In dit treurspel heeft Vondel echter zijn Katholicisme eenvoudig, als een goed geloovige uitgezongen. Hij breekt hier niet af, zooals in Palamedes, waarbij de tegenpartij meer aanvalt dan den medestander verdedigt. Was hij in Palamedes de zeeroover, de geus, die meent de goede zaak voor te staan; hier is hij de held die pal staat voor zijn overtuiging en zich niet bekommert over het geschreeuw zijner tegenstanders. In Maria Stuart had Vondel geen enkele reden om te veronderstellen, dat hij niet vervolgd zou worden, hij heeft er ook niet aan gedacht, het was hem eenvoudig een behoefte het proces van Maria Stuart te behandelen volgens zijn eigen inzicht.

Nogmaals Vondel is in eerste instantie een strijdvaardige en geen contemplatieve geest. Ook in zijn andere treurspelen beoogt hij in de eerste plaats iets te bewijzen ; in plaats van de figuren objectief tegenover elkaar te zetten, geeft hij de eene partij reeds van te voren de overwinning of het recht in handen. Het verwondert ons dan ook ten zeerste, dat hij tot een hybridisch spel als de Leeuwendalers gekomen is. Het stuk is zeer goed geslaagd als tooneelstuk, Dr. Eelco Verwijs zegt ervan: „hoewel maar een gelegenheidsgedicht is dit tooneelstuk zeker een der beste en voor opvoering het meest geschikte, die Vondel ooit heeft geschreven.” Hij heeft het echter in opdracht geschreven en kan zijn sympathie voor de Zuidzijde niet verloochenen. Van Lennep zoowel als Verwijs vestigen hier de aandacht op en Jonckbloet zegt ten aanzien van het tooneel tusschen Warner en Volckaert: „Dit staaltje is genoeg aam om te doen zien, waar ’s dichters sympathie is. De Katholieke Zuidzij trekt zijn hart. Het Noorden wordt met vrij wat zwarte kool geteekend.

Geen woord van de opofferingen, die men zich daar getroost, van de verdrukking, die men verduurd had; geen zweem van sympathie, zelfs niet voor de politieke zijde der kwestie. De verhevenste, edelaardigste gevoelens komen aan de Zuidzij voor; en geen wonder, Adelaert is de pleegzoon van Lantskroon, den rechtmatig gekroonden Heer dezer landen: een edele aard is alleen het erfdeel van wie eerbied heeft voor de Majesteit van den Spaanschen Monarch.”

De genegenheid van Zuidzijde blijkt echter niet zoo duidelijk, dat men daar als aanhanger van de Noordzijde aanstoot aan kon nemen en dit zou in de gegeven omstandigheden ook een Vrije dwaze situatie geschapen hebben. Verwijs geeft één der redenen waarom Vondel er toe kwam zich te matigen: „Ook hadden vroegere ervaringen den zestigjarigen man grootere voorzichtigheid geleerd. Behoorde hetgeen na de uitgave van den Palamedes geschied was, reeds tot een meer verwijderd tijdperk in des dichters leven, de harde les, welke hij anderhalf jaar vroeger had ontvangen na het verschijnen van zijn Maria Stuart lag nog versch in zijn geheugen. Zijn lierdicht op ’t Eeuwgetij der Heilige Stede t’Amsterdam, zijne samenlezing uit De Groot’s geschriften, bekend onder den naam van Grotius’ Testament, zijn krachtig uitgesproken instemming met de Engelsche Cavaliers, zijn doorhalen der Puriteinen, hadden hem veel vijanden bezorgd, en den heftigen, hartstochtelijken man vele „lamme steekeldichten en krabbelingen” van zijn tegenstanders op den hals gehaald. Omzichtigheid was dus thans boven alles noodig, en hoe weinig die eigenschap ook in ’s dichters karakter lag, ditmaal zou hij ze in toepassing brengen. In de opdracht aan zijnen vriend en beschermer Michiel le Blon laat hij duidelijk de vrees doorschemeren, dat, terwijl „honighbijen uit deze bloemen niet dan honigh en nektar zuigen zullen, een of andere „spinnekop” er „venijn uit mocht trecken.” Deze voorzichtigheid, zoo weinig bij Vondel passend, beheerscht het geheele spel.

Gegeven de mentaliteit van den dichter had men een andere houding kunnen verwachten n.l. een weigering om een toepasselijk spel op den vrede te vervaardigen. De figuur Vondel was voor ons dan eenvoudiger, misschien zelfs sterker geweest.

Het zou niet ridderlij k zijn zonder eenigen grond te beweren dat Vondel niet heeft durven weigeren en bovendien het is niet noodig dit te veronderstellen. Een andere mogelijkheid is, dat hij inderdaad zich op den vrede van Munster verheugde en wel voornamelijk omdat Amsterdam zich er over verheugde, want vooral deze stad had op het sluiten van den vrede aangedrongen hetgeen o. a. ook blijkt uit het latere gezegde van prins Willem II: „ces coquins d’Amsterdam, qui ont fait la paix.” Trouwens dit feit is bekend genoeg. Verwijs zegt nu over de houding van Vondel: „Zulk een algemeene blijdschap (over den vrede) mocht hij niet door wanklanken ontstemmen; bij deze heuglijke gebeurtenis mocht hij niet zijn overtuiging uiten op godsdienstig en staatkundig gebied, hoe weinig hij dit anders ook schroomde; daartoe was het hart van den dichter te edel en te rein.” Dit is o. i. een volkomen verkeerde voorstelling der feiten. Vondel had als goed vaderlander even goed een tegenstander van den vrede kunnen zijn. P. J. Blok zegt in dit verband in zijn studie: „De Nederlandsche vlugschriften over de vredesonderhandelingen te Munster 1643-1648 12).

„Zoo werd de „roemrijke” vrede van Munster voor thans bijna 250 jaren gesloten. Men weet, dat het daarbij aan groote voordeelen voor onzen staat niet ontbroken heeft. Vrij en frank, volkomen onafhankelijk, had de jonge Republiek op onder de mogendheden van Europa, in het rustig bezit van al wat zij op de Spanjaarden had veroverd, rijk en bloeiend door den handel, welks belangen bij het vredesverdrag vooral door het sluiten van de Schelde zeer in het oog waren gehouden.

Het succes, door Pauw en de zijnen behaald, was inderdaad groot. Maar aan de andere zijde, de uitundige vreugde en de grenzenlooze dankbaarheid van en erfvijand, de toom en verontwaardiging van den bondgenoot wijzen op de bedenkelijke middelen, waardoor het onbetwistbaar schitterende succes was verkregen de traktaten met Frankrijk waren deerlijk geschonden en wie gevoel heeft voor trouw aan gesloten verdragen, hij zal moeten erkennen, dat onze rots over den vrede van Munster aanzienlijk dient te dalen bij de gedachte aan de daarbij getoonde trouweloosheid jegens onzen bondgenoot, dien wij aan zijn lot verlieten op het oogenblik, toen den gemeenschappelijken vijand het water aan de lippen was gekomen.”

Ook als Katholiek bestond er (wat het al of niet sluiten van den vrede betreft) geen reden voor Vondel en bepaalde houding aan te nemen. In pamfletten, die vóór zoowel als tegen de vrede gericht waren, werd het „katholieke gevaar” zoowel tegen Spanje als tegen Frankrijk uitgebuit. Zelfs gebeurde het in 1644, toen de oorlogspartij een kleine overwinning behaalde, dat de Franschen door een poging ten gunste van de katholieken dit voordeel weer verloren. „D’Avaux toch pressé par quelques rélés (catholiques) du pays”, zoo herhaalt Blok, „veroorloofde zich tegen den zin van zijn ambtgenoot Servieu bij de afscheidsaudiëntie van de Staten-Generaal ten aanhoore van een talrijk publiek, op zijn verlangen in de vergaderzaal toegelaten, in een scherpe „harangue,” die aanstonds op last van den gezant in een met het Fransche wapen voorzien pamflet, tevens in een Hollandsche uitgave werd verspreid, aan de dringen op meerdere vrijheid voor de katholieken in de Republiek. Groot was de indruk dezer onvoorzichtige en ook door Mazarin scherp afgekeurde handeling, die aanstonds in de Republiek een hevigen storm deed opsteken en het bondgenootschap met Frankrijk in groot gevaar bracht. Daar had men nu juist het gevaar, waarop de vijanden van Frankrijk sedert 1572 steeds hadden gewezen! De predikanten ijverden op de kansels tegen den „Paapschen bondgenoot”, de regenten in Holland werden er door versterkt, in hunne meening, dat men Frankrijk als buurman niet kon vertrouwen, een tiental pamfletten tegen de katholieken verscheen aanstonds.” Het is opmerkelijk, dat Vondel zich deze feiten, die toch algemeen bekend moeten geweest zijn niet herinnerde of althans niet van genoeg belang achtte om zijn houding te wijzigen. Wij kunnen in zijn Leeuwendalers dan ook alleen een min of meer mislukt compromis zien tusschen zijn oprecht katholicisme en zijn blijkbaar even oprechte, maar blinde liefde voor Amsterdam, waar de regenten zoozeer naar den vrede verlangden, dat zij elk gevoel van waardigheid grootendeels prijsgaven.

Van Vondel’s Palamedes verschenen twee uitgaven, die nogal uiteen loopen, n.1. die van 1625 en die van 1652.


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001.