
Nunc cassum lumine lugent
’T en leed geen zeven jaar, of Palamedes schâuw,
Bij nacht, de tenten ging der Rechteren doorwaren:
Die rezen op verbaasd met opgerezene haren,
En zagen daar een schim mishandeld blond en blauw.
Zijn baard hing dik van bloed, zijn ’keel was schor en
flauw.
Wie komt ons, riepen zij, in ’t duister dus vervaren?
Bij toortslicht, sprak hij, ik uw straf lees uit dees’ blaren:
Die mijne onnozelheid ten rove gaaft aan ’t grauw.
Zij sidderden van schrik; zij vloden niet, zij vlogen,
Dan ginder, dan weêr hier, voor ’t branden zijner ogen.
Hij stapte hen na, en liet een bloedvlek waar hij trad;
Tot dat de schemering des dageraads ontloken,
D’ankstvalligheid verdreef van ’t naar en ijslijk spoken,
En vond de vadersbeuls door ’t knagen afgemat.
Idacharis es ti potherpei.
Threpsai kai lukideis, threpsai kynas, hoos ty phagoonti.