Die zorgt, en waakt en slaaft, en draaft, en ploegt, en zweet,
en tot ’s lands oorbaar vast
een lastig ambt betreedt
en waant de mensen aan zijn vroomheid te verbinden,
die zal zich jammerlijk aan ’t end bedrogen vinden
van ’t wispelturig volk dat, veel te los van hoofd,
genoten dienst vergeet, en leider! ’t kwaad
gelooft.
Wat dorperheid is dit, onedele
gemeente!
Wat bitse nijd verteert het merg in uw gebeente!
Wat dolheid u vervoert, dat gij uw heren hoont,
en met zo vals een’ munt uw trouwste vaders loont!
Koomt, reukloze schaar, treedt voorts! Ik
ben tevrede
te dingen om ’t geschil ter vierschaar van de
rede.
Doet vrij uw stukken daar, brengt van uw’ zeggen
blijk,
opdat rechtvaardigheid een billijk vonnis strijk.
Gij zegt, als nu de wraak om Troje om te keren,
onledig hield de raad
der koningen en heren
dat ik gedagvaard kwam. En schoon
zij altemaal
besloten ’t eerloos feit te
rechten met het staal.
Nog zeide ik: ’t Was bij hen te heftig
opgenomen,
en dat men tijds genoeg en zou tot het
uiterst’ komen.
waaruit men vaten mocht dat ik ’t meinedig rijk
meer gunst toedroeg als ons. Gekwest
door ’t ongelijk
ik antwoord: het besluit is licht
om wederleggen,
vermits dit geenszins volgt uit het voorgaande zeggen.
maar eer het tegendeel. Want dat ik liever zag
de zaak in vreê beslecht, bij middel van verdrag
is waar, en lovens weerd. En wie ontkent wat plagen
Bellone met zich sleept, met
droeve nederlagen!
Gevaarlijk voor’t gemeen, wiens welvaart men met
druk
en angst ziet hangen in de weegschaal van ’t geluk.
Dat ik Priaam dan nô
met krijg zag aangegrepen,
was om der Phrygen torts
te weren van ons’ schepen.
Was om Achilles niet met Hector onverveerd
te worstlen doen, om ’t ramp, of hun, of ons bescheerd.
Hierbij en rust’et niet. Men smijt mij voor de schenen
dat ik de koningen van Sparten en Mycenen
met al de vorsten, als wij zetten onze voet
op Dardans bodem, woû versmoren in hun bloed.
Omdat ik, als men had gegeven ’t bloedig teken,
de vloot, nog vers geland, van d’oevers af deê steken,
en hiel me binnen boords. ’t Geleek wat, wist men niet
dat dit door enkel last des veldheers was geschied,
die, als wij ’t aarzelen der bange krijgsliên
vruchten,
hun allen troost en hoop benemen woû van vluchten,
en moedigen tot slaan, wanneer de dood hen deê
aanlopen op den spits, of ’t zwalpen
van de zee.
Nog wil men mij te lijve, omdat ik driest, en stouter
als andre, eer Iphigeen
nog verfde het bloedig auter,
het offer marren dede, en ’t stuk leîd’ in
beraad.
Of juist onnozel bloed en Agamemnons zaad
de grimmige Hecate most paaien en verzachten?
Dan of men haar een hinde of tere geit zou slachten?
Een’ zake die zich schaamt. Recht of hij iet
verbeurt
die Chalches in zijn waan en schelmse dromen steurt,
en daaraan twijfel slaat of Goden en Godessen
in ’t grouwzaam moorden van gehailigde prinsessen
behagen nemen ooit. Gelijk der Goden tolk
dees grove logens veilt voor waarheid aan het
volk,
dat voor hem nedervalt en feest maakt van ’t vernielen,
en ’t ommebrengen van zo veel gedoemde zielen.
Men strooit, om ’s veldheers haat te scherpen tegens mij,
dat ik besnoeien wil de wettige voogdij
der twee gebroederen, en d’ opperste der Grieken
trek op Achilles zijd’ en tracht bedekt hun
wieken
te korten waar ik mag. ’t Welk uitbarst langs hoe
meer,
mits ik met hengsten van ’t veroverd Lesbos
keer,
met horenbeesten en een hoop geboeide slaven,
maar ’t goud verloochen om behendig t’ondergraven
het steunsel hunner macht. Dewijl elk als zijn’ God
dien aanbidt, die hem strekt tot voordeel en genot.
Dan, om die laster plaats te geven, ik de vorsten
hoû t’edel van gemoed. En geen doorluchte
borsten
gevoelen dit van mij, die Menalaüs, met
zijn oudren broeder heb gemerkt en uitgezet
tot hoofden van den tocht, als ’t velen heeft verdroten,
en droeg hun op ’t beleid van ons beroemde vloten.
Doen Chalches op hen
smaald’ en uitspoog vier en vlam,
omdat ze daalden van zo
goddeloos een stam.
Dat ik gebrandmerkt wordt met zo een onrijp oordeel,
als die den roof misbruikt tot een bizonder
voordeel,
en Chirons voêsterling zoek voor te trekken.
Neen,
ik kan, en dank ’t de Goôn, ’t bizonder van ’t
gemeen
voorzichtig schiften, en elk-een het zijn verschaffen.
Ik handhaaf ieders recht, en pas op niemands blaffen.
Elks vrijheid is de mijn: die weeg’ ik in een
schaal.
Wie hier uit vreze deist: ik sta gelijk een paal.
Dreigt Palamedes vrij te moorden en te priemen,
hij blijft dezelfde man, al sneed gij hem aan riemen.
En draagt zich na zijn plicht, getrouw, oprecht, en kuis.
Men zoeke hem waar men wil; hier leît d’Euboeër
thuis.
Voorts, dat ik Thestors zoon zo vaak heb doorgenomen,
’t Is waar; mij docht, ’t was tijd zijn hovaard
te betomen
omdat hij verder als de kerk en ’t outer gaat,
en snufflen komt uit baat en staatzucht, in den raad.
Hij is een vreemdling, ja een Trojaan geboren,
noch kent de zeden niet die tot ons land behoren,
noch wat ons welvaart eist. Hij wette zijn
verstand
in ’t geen zijn ampt betreft, en kruip int ingewand
der dieren met zijn geest, en staar’ op ’s Hemels lichten.
Hij lette op vooglenzang, op dromen en gezichten,
op Godspraak en geheim, en hang er niet wat bij
van ’t zijn. Of lustet hem? elk
hebb’ zijn oordeel vrij.
Maar ’t is schandeloos en strijdt met al mijn
daden,
dat ik ben omgekocht om ’t leger te verraden.
Dat Paris, om met mij te handlen van die moord,
lag ’s nachts met een galei, met goud gelaân aan
boord.
Dat ik den oorlog schorste, en uitstel nam tien dagen
om ons t’ontwapenen, en dan het stuk te wagen
met meerdre zekerheid.
Appollo die uw troon
en zetel heb gebouwd temidden van de Goôn,
en met uw klaarheid blust de goddelijke lampen,
en van het Aardrijk veegt de nevelen en dampen,
gij ziet in deze nacht, en voor uw Majesteit
derzulker schennis stuit op mijn onnozelheid.
Dits mijn bezolding dan, voor dat ik met bezwaren
tot der Argiven heil geslaafd heb zo veel jaren.
Met wijsheid, raad, en daad ’t bouwvallig rijk
gestut,
de stormen afgeweerd, en op mijn borst geschut.
Den boef, vermomd met schijn van Godvrucht en van
hailigheid,
ontdekt, en Pelops hof en ’t
land hersteld in vailigheid.
Uitheemse ballingen, van have en huis beroofd,
gelokt, gewellekomd, en in mijn schoot gestoofd,
vergroot der steden kreits en ommeloop
der muren,
tot Griekens hulp verplicht gekroonde nageburen.
Met kielen ingesleept den oegst, die ’t Oosten las,
ja, daar de naalde zwijmt, gestaan
na vrijen pas.
Ulysses achterhaald. Het heir, als ’t scheen
verlaten
door hongersnood, gespijsd. Geoefend ons soldaten.
De deugd des Pelaans verstaald met kloek beleid.
D’eilanden, en de steên, aan Helles strand
ontzeîd.
Steenrotsen uitgehoold, en stukken lands vergraven.
Nu hier een schans geleîd, dan gins gediept ene haven.
’t Abyde in doods-gevaar mijn’
vromigheid gebracht,
daar ik gewond werd op den aanslag in der nacht.
Daar, doen Achilles week, als ’t nauwlijks was begonnen,
nog vóor den morgenstond de vesting werd gewonnen.
En had ik d’ ongunst van ons Prinsen niet gevreesd,
Lyrnes voor mijn
vertrek veroverd waar geweest.
Maar wat beschuldig ik een wuft en dom gepeupel,
dat, na de voorgang van zijn’ heer, gaat recht,
of kreupel.
Daar doch Laërtes zoon, die op
een grootren bouwt,
mij, met ’s rijks Wichelaar, al
deze moeiten brouwt,
en na mijn leven staat, en gaat zijn zinnen spitsen,
om ’t krijgsvolk tegens mij dolkoppig op te hitsen.
Zij brullen langs hoe meer. Waar of ik best verschuil?
Wie blijft, die lijdt gevaar; wie vlucht, die schouwt
men vuil.
Mij docht, den jongsten nacht, dat ik, vóór andre, radder,
beklom des schakers burg, en vechtende op een
ladder
opgaf den geest, daar
ik den vijand bezig hiel,
en, met een groot stuk muurs, geplet ter Aarde viel.
Doen schoot ik op. En schoon ik niet op d’ ijdelheden
van spook of dromen pas, nog leît mij op de leden
of d’ene of d’andre ramp mijn strenge dwaalstar ook
voorlang te Troje in ’t veld mijn beide
oogappels look.
De wichelaars mij niet als ongelukken spellen,
doch een’ manhafte ziel moet dit ter zijden stellen.
Heer vader, die mij erft
den zegen van uw’ kroon,
het ga met mij zo ’t wil. Ik blijf uw echte zoon
van bloed en van gemoed, en zal u niet ontaarden
in vromigheid, in trouw, in ’t midden van de zwaarden,
in ’t midden van de nijd en lasteringen, daar
mijn goede naam en faam meê wordt bedrukt zo zwaar.
Ik weet waarop ik steun: mijn ongekreukt geweten
en is niet kwaads bewust, noch heeft zich nooit vergeten
aan enig schendig feit. En zo ik daarom lij,
zo wass’ mijn edel bloed eens anders schelmerij.
Wij krijsliên passen op ons beurt
rondom Neptunus muren.
Terwijl den hemel starloos treurt,
en telt de slepende ure.
De nare lucht nu schreit en zucht.
Hoe lange zal het duren?
De middernacht herhaalt haar scha
met dikkre duisternissen.
Slagregens dekken Cynthia,
dies wij haar aanschijn missen.
Wiens vroomheid zal, met Trojens val,
’t begonnen oorlog slissen?
d’Euboeër afkomst zal met dwang
Mars teugelen ten lesten,
maar niet met Trojens ondergang
en ’t storten van dees vesten,
maar met deze aard, door Hectors zwaard,
van lijken vet te mesten.
Die zwanger gaan van guiterij
ons Prins hiermeê betichten
om dat ze minder zijn als hij,
en niet vooruit en lichten.
Dus tracht de nijd zijn faam, van spijt,
veel logens op te dichten.
Wat zucht hij in zijn boezem draagt
is vaak aan hem gebleken.
Die ’t heir op ’s vijands bodem waagt,
en dan van vreê wil spreken,
die veinst en sluipt en onderkruipt
al d’ Opperste der Greken.
Aan hem, wiens tong van Nectar douwt,
en draagt vergift inwendig,
wordt eer dees schalkheid toevertrouwd,
en wat men acht voor schendig.
Die hof en zaal, met logentaal
stofferen kan behendig.
Ons Vorst zoekt op geen ledekant
Mycenen te bescharmen.
Hij ploegt niet aan d’ onvruchtb’re strand,
opdat hij mag verwarmen
zijn bedgenoot, die in haar schoot
hem kust en neemt in d’ armen.
Het log geslacht van Ithaca,
dat achter leît gekropen,
is niet zo vierig, nergens na,
om hopliên op te lopen
gelijk uw Heer, die met zijn speer
koomt achter aan gedropen.
Wat Palamedes derf bestaan
dat bleek, doen hij in ’t landen
het volk dede in slagoorden staan,
en redde van verbranden.
en strandens nood ons trotse vloot,
als ’t leger week met schanden
’t Is waar, wij kennen ’s mans bedrijf.
Het bergen van de kielen
was ’t bergen van zijn eigen lijf
doen zo veel helden vielen.
Doen hij de dood den rugge bood,
met wieken aan zijne hielen.
Hoe d’onverbiddelijke Thrax
hem leende gunstige oren
bleek, doen hij ’t heir vertroostte straks
met graan, en weeldig koren,
daar hij ’t uw’ Vorst ontzeggen dorst,
doen ’t leger scheen verloren.
Ulysses droeg men geen ontzag.
Wat was aan hem bedreven?
Die niet uit Argos schatkist mag
zijn paarden voeder geven,
nocht aan den dis des Veldheers is
gezien en hoog verheven.
Hij is te vreden met zijn erf,
en zijn heer vaders lenen,
al bet als hij, die roemen derf
op Ithaca, van stenen
en klippen woest en groot, wiens oegst
is slechter als wij menen
Maar waarom stoft dit volk aldus
op zijne erfkoninkrijken?
Heeft niet de vader Nauplius
voor Prinsen moeten wijken?
En, tot zijn heil, de vlag en ’t zeil
voor mindre moeten strijken?
’t Was Nauplius, wiens wijsheid vaak
veel koningen verzochten,
en hiel met alle Vorsten spraak.
op veel manhafte tochten,
doen zij wel eer, van heind en veer,
geschenken hem toebrochten.
Waar ’t vreemd dat Palamedes dan
ons heirkracht ging verraden?
Vermits hij muilen stallen kan,
met schatten zwaar geladen.
Gelijk de stam, daar hij af kwam,
geen’ giften kost versmaden.
Verdient hij een brandteken, die,
tot onzes Staats verklenen,
ik meest verrijkt met giften zie.
Merk dezen niet, maar genen
wiens goudzucht boos en Goddeloos,
vindt zijns gelijk niet enen.
Steil Neritos vol klippen heeft
nooit woester dier ontvangen
als hij, die schelms en onbeleeft
betrouwt zijn’ slimme gangen.
Die liegt, en stout zijn verw behoudt,
schoon hij ’r in wordt gevangen.
Ulysses, die op Calches steunt,
en ons gebroederheren,
zich deze laster niet bekreunt.
Zijn vroomheid zal men eren.
Maar wie den helm voert als
een schelm,
dat zal de tijd ons leren.
Draal lang, o blonde Phœbus! draal,
schouw eeuwig onze kimmen.
d’Ondankbre Grajen niet bestraal,
die langs hoe meer verslimmen.
Waar vlieden wij? Wat Razerij
komt uit den afgrond klimmen?