Joost van den Vondel (1586-1679)

PALAMEDES OFT VERMOORDE ONNOZELHEID.

Treur-spel

DE EERSTE HANDEL.

PALAMEDES:

Die zorgt, en waakt en slaaft, en draaft, en ploegt, en zweet,
en tot s lands oorbaar vast een lastig ambt betreedt
en waant de mensen aan zijn vroomheid te verbinden,
die zal zich jammerlijk aan t end bedrogen vinden
van t wispelturig volk dat, veel te los van hoofd,
genoten dienst vergeet, en leider! t kwaad gelooft.
Wat dorperheid is dit, onedele gemeente!
Wat bitse nijd verteert het merg in uw gebeente!
Wat dolheid u vervoert, dat gij uw heren hoont,
en met zo vals een munt uw trouwste vaders loont!
Koomt, reukloze schaar, treedt voorts! Ik ben tevrede
te dingen om t geschil ter vierschaar van de rede.
Doet vrij uw stukken daar, brengt van uw zeggen blijk,
opdat rechtvaardigheid een billijk vonnis strijk.
Gij zegt, als nu de wraak om Troje om te keren,
onledig hield de raad der koningen en heren
dat ik gedagvaard kwam. En schoon zij altemaal
besloten t eerloos feit te rechten met het staal.
Nog zeide ik: t Was bij hen te heftig opgenomen,
en dat men tijds genoeg en zou tot het uiterst komen.
waaruit men vaten mocht dat ik t meinedig rijk
meer gunst toedroeg als ons. Gekwest door t ongelijk
ik antwoord: het besluit is licht om wederleggen,
vermits dit geenszins volgt uit het voorgaande zeggen.
maar eer het tegendeel. Want dat ik liever zag
de zaak in vre beslecht, bij middel van verdrag
is waar, en lovens weerd. En wie ontkent wat plagen
Bellone met zich sleept, met droeve nederlagen!
Gevaarlijk voort gemeen, wiens welvaart men met druk
en angst ziet hangen in de weegschaal van t geluk.
Dat ik Priaam dan n met krijg zag aangegrepen,
was om der Phrygen torts te weren van ons schepen.
Was om Achilles niet met Hector onverveerd
te worstlen doen, om t ramp, of hun, of ons bescheerd.
Hierbij en rustet niet. Men smijt mij voor de schenen
dat ik de koningen van Sparten en Mycenen
met al de vorsten, als wij zetten onze voet
op Dardans bodem, wo versmoren in hun bloed.
Omdat ik, als men had gegeven t bloedig teken,
de vloot, nog vers geland, van doevers af de steken,
en hiel me binnen boords. t Geleek wat, wist men niet
dat dit door enkel last des veldheers was geschied,
die, als wij t aarzelen der bange krijgslin vruchten,
hun allen troost en hoop benemen wo van vluchten,
en moedigen tot slaan, wanneer de dood hen de
aanlopen op den spits, of t zwalpen van de zee.
Nog wil men mij te lijve, omdat ik driest, en stouter
als andre, eer Iphigeen nog verfde het bloedig auter,
het offer marren dede, en t stuk led in beraad.
Of juist onnozel bloed en Agamemnons zaad
de grimmige Hecate most paaien en verzachten?
Dan of men haar een hinde of tere geit zou slachten?
Een zake die zich schaamt. Recht of hij iet verbeurt
die Chalches in zijn waan en schelmse dromen steurt,
en daaraan twijfel slaat of Goden en Godessen
in t grouwzaam moorden van gehailigde prinsessen
behagen nemen ooit. Gelijk der Goden tolk
dees grove logens veilt voor waarheid aan het volk,
dat voor hem nedervalt en feest maakt van t vernielen,
en t ommebrengen van zo veel gedoemde zielen.
Men strooit, om s veldheers haat te scherpen tegens mij,
dat ik besnoeien wil de wettige voogdij
der twee gebroederen, en d opperste der Grieken
trek op Achilles zijd en tracht bedekt hun wieken
te korten waar ik mag. t Welk uitbarst langs hoe meer,
mits ik met hengsten van t veroverd Lesbos keer,
met horenbeesten en een hoop geboeide slaven,
maar t goud verloochen om behendig tondergraven
het steunsel hunner macht. Dewijl elk als zijn God
dien aanbidt, die hem strekt tot voordeel en genot.
Dan, om die laster plaats te geven, ik de vorsten
ho tedel van gemoed. En geen doorluchte borsten
gevoelen dit van mij, die Menalas, met
zijn oudren broeder heb gemerkt en uitgezet
tot hoofden van den tocht, als t velen heeft verdroten,
en droeg hun op t beleid van ons beroemde vloten.
Doen Chalches op hen smaald en uitspoog vier en vlam,
omdat ze daalden van zo goddeloos een stam.
Dat ik gebrandmerkt wordt met zo een onrijp oordeel,
als die den roof misbruikt tot een bizonder voordeel,
en Chirons vosterling zoek voor te trekken. Neen,
ik kan, en dank t de Gon, t bizonder van t gemeen
voorzichtig schiften, en elk-een het zijn verschaffen.
Ik handhaaf ieders recht, en pas op niemands blaffen.
Elks vrijheid is de mijn: die weeg ik in een schaal.
Wie hier uit vreze deist: ik sta gelijk een paal.
Dreigt Palamedes vrij te moorden en te priemen,
hij blijft dezelfde man, al sneed gij hem aan riemen.
En draagt zich na zijn plicht, getrouw, oprecht, en kuis.
Men zoeke hem waar men wil; hier let dEuboer thuis.
Voorts, dat ik Thestors zoon zo vaak heb doorgenomen,
t Is waar; mij docht, t was tijd zijn hovaard te betomen
omdat hij verder als de kerk en t outer gaat,
en snufflen komt uit baat en staatzucht, in den raad.
Hij is een vreemdling, ja een Trojaan geboren,
noch kent de zeden niet die tot ons land behoren,
noch wat ons welvaart eist. Hij wette zijn verstand
in t geen zijn ampt betreft, en kruip int ingewand
der dieren met zijn geest, en staar op s Hemels lichten.
Hij lette op vooglenzang, op dromen en gezichten,
op Godspraak en geheim, en hang er niet wat bij
van t zijn
. Of lustet hem? elk hebb zijn oordeel vrij.
Maar t is schandeloos en strijdt met al mijn daden,
dat ik ben omgekocht om t leger te verraden.
Dat Paris, om met mij te handlen van die moord,
lag s nachts met een galei, met goud gelan aan boord.
Dat ik den oorlog schorste, en uitstel nam tien dagen
om ons tontwapenen, en dan het stuk te wagen
met meerdre zekerheid.
Appollo die uw troon
en zetel heb gebouwd temidden van de Gon,
en met uw klaarheid blust de goddelijke lampen,
en van het Aardrijk veegt de nevelen en dampen,
gij ziet in deze nacht, en voor uw Majesteit
derzulker schennis stuit op mijn onnozelheid.
Dits mijn bezolding dan, voor dat ik met bezwaren
tot der Argiven heil geslaafd heb zo veel jaren.
Met wijsheid, raad, en daad t bouwvallig rijk gestut,
de stormen afgeweerd, en op mijn borst geschut.
Den boef, vermomd met schijn van Godvrucht en van hailigheid,
ontdekt, en Pelops hof en t land hersteld in vailigheid.
Uitheemse ballingen, van have en huis beroofd,
gelokt, gewellekomd, en in mijn schoot gestoofd,
vergroot der steden kreits en ommeloop der muren,
tot Griekens hulp verplicht gekroonde nageburen.
Met kielen ingesleept den oegst, die t Oosten las,
ja, daar de naalde zwijmt, gestaan na vrijen pas.
Ulysses achterhaald. Het heir, als t scheen verlaten
door hongersnood, gespijsd. Geoefend ons soldaten.
De deugd des Pelaans verstaald met kloek beleid.
Deilanden, en de sten, aan Helles strand ontzed.
Steenrotsen uitgehoold, en stukken lands vergraven.
Nu hier een schans geled, dan gins gediept ene haven.
t Abyde in doods-gevaar mijn vromigheid gebracht,
daar ik gewond werd op den aanslag in der nacht.
Daar, doen Achilles week, als t nauwlijks was begonnen,
nog vor den morgenstond de vesting werd gewonnen.
En had ik d ongunst van ons Prinsen niet gevreesd,
Lyrnes voor mijn vertrek veroverd waar geweest.
Maar wat beschuldig ik een wuft en dom gepeupel,
dat, na de voorgang van zijn heer, gaat recht, of kreupel.
Daar doch Lartes zoon, die op een grootren bouwt,
mij, met s rijks Wichelaar, al deze moeiten brouwt,
en na mijn leven staat, en gaat zijn zinnen spitsen,
om t krijgsvolk tegens mij dolkoppig op te hitsen.
Zij brullen langs hoe meer. Waar of ik best verschuil?
Wie blijft, die lijdt gevaar; wie vlucht, die schouwt men vuil.
Mij docht, den jongsten nacht, dat ik, vr andre, radder,
beklom des schakers burg, en vechtende op een ladder
opgaf den geest, daar ik den vijand bezig hiel,
en, met een groot stuk muurs, geplet ter Aarde viel.
Doen schoot ik op. En schoon ik niet op d ijdelheden
van spook of dromen pas, nog let mij op de leden
of dene of dandre ramp mijn strenge dwaalstar ook
voorlang te Troje in t veld mijn beide oogappels look.
De wichelaars mij niet als ongelukken spellen,
doch een manhafte ziel moet dit ter zijden stellen.
Heer vader, die mij erft den zegen van uw kroon,
het ga met mij zo t wil. Ik blijf uw echte zoon
van bloed en van gemoed, en zal u niet ontaarden
in vromigheid, in trouw, in t midden van de zwaarden,
in t midden van de nijd en lasteringen, daar
mijn goede naam en faam me wordt bedrukt zo zwaar.
Ik weet waarop ik steun: mijn ongekreukt geweten
en is niet kwaads bewust, noch heeft zich nooit vergeten
aan enig schendig feit. En zo ik daarom lij,
zo wass mijn edel bloed eens anders schelmerij.


REI VAN EUBOERS, REI VAN ITHAKOIZEN,

REI VAN EUBOERS:

Wij krijslin passen op ons beurt
rondom Neptunus muren.
Terwijl den hemel starloos treurt,
en telt de slepende ure.
De nare lucht nu schreit en zucht.
Hoe lange zal het duren?
De middernacht herhaalt haar scha
met dikkre duisternissen.
Slagregens dekken Cynthia,
dies wij haar aanschijn missen.
Wiens vroomheid zal, met Trojens val,
t begonnen oorlog slissen?

REI VAN ITHAKOIZEN:

dEuboer afkomst zal met dwang
Mars teugelen ten lesten,
maar niet met Trojens ondergang
en t storten van dees vesten,
maar met deze aard, door Hectors zwaard,
van lijken vet te mesten.

REI VAN EUBOERS:

Die zwanger gaan van guiterij
ons Prins hierme betichten
om dat ze minder zijn als hij,
en niet vooruit en lichten.
Dus tracht de nijd zijn faam, van spijt,
veel logens op te dichten.

REI VAN ITHAKOIZEN:

Wat zucht hij in zijn boezem draagt
is vaak aan hem gebleken.
Die t heir op s vijands bodem waagt,
en dan van vre wil spreken
,
die veinst en sluipt en onderkruipt
al d Opperste der Greken.

REI VAN EUBOERS:

Aan hem, wiens tong van Nectar douwt,
en draagt vergift inwendig
,
wordt eer dees schalkheid toevertrouwd,
en wat men acht voor schendig.
Die hof en zaal, met logentaal
stofferen kan behendig.
Ons Vorst zoekt op geen ledekant
Mycenen te bescharmen.
Hij ploegt niet aan d onvruchtbre strand,
opdat hij mag verwarmen
zijn bedgenoot, die in haar schoot
hem kust en neemt in d armen.

REI VAN ITHAKOIZEN:

Het log geslacht van Ithaca,
dat achter let gekropen,
is niet zo vierig, nergens na,
om hoplin op te lopen
gelijk uw Heer, die met zijn speer
koomt achter aan gedropen
.

REI VAN EUBOERS:

Wat Palamedes derf bestaan
dat bleek, doen hij in t landen
het volk dede in slagoorden staan,
en redde van verbranden.
en strandens nood ons trotse vloot,
als t leger week met schanden

REI VAN ITHAKOIZEN:

t Is waar, wij kennen s mans bedrijf.
Het bergen van de kielen
was t bergen van zijn eigen lijf
doen zo veel helden vielen.
Doen hij de dood den rugge bood,
met wieken aan zijne hielen
.

REI VAN EUBOERS:

Hoe donverbiddelijke Thrax
hem leende gunstige oren
bleek, doen hij t heir vertroostte straks
met graan, en weeldig koren,
daar hij t uw Vorst ontzeggen dorst,
doen t leger scheen verloren
.

REI VAN ITHAKOIZEN:

Ulysses droeg men geen ontzag.
Wat was aan hem bedreven?
Die niet uit Argos schatkist mag
zijn paarden voeder geven,
nocht aan den dis des Veldheers is
gezien en hoog verheven.

REI VAN EUBOERS:

Hij is te vreden met zijn erf,
en zijn heer vaders lenen,
al bet als hij, die roemen derf
op Ithaca, van stenen
en klippen woest en groot, wiens oegst
is slechter als wij menen

REI VAN ITHAKOIZEN:

Maar waarom stoft dit volk aldus
op zijne erfkoninkrijken?
Heeft niet de vader Nauplius
voor Prinsen moeten wijken?
En, tot zijn heil, de vlag en t zeil
voor mindre moeten strijken?

REI VAN EUBOERS:

t Was Nauplius, wiens wijsheid vaak
veel koningen verzochten,
en hiel met alle Vorsten spraak.
op veel manhafte tochten,
doen zij wel eer, van heind en veer,
geschenken hem toebrochten.

REI VAN ITHAKOIZEN:

Waar t vreemd dat Palamedes dan
ons heirkracht ging verraden?
Vermits hij muilen stallen kan,
met schatten zwaar geladen.
Gelijk de stam, daar hij af kwam,
geen giften kost versmaden.

REI VAN EUBOERS:

Verdient hij een brandteken, die,
tot onzes Staats verklenen,
ik meest verrijkt met giften zie.
Merk dezen niet, maar genen
wiens goudzucht boos en Goddeloos,
vindt zijns gelijk niet enen.
Steil Neritos vol klippen heeft
nooit woester dier ontvangen
als hij, die schelms en onbeleeft
betrouwt zijn slimme gangen.
Die liegt, en stout zijn verw behoudt,
schoon hij r in wordt gevangen.

REI VAN ITHAKOIZEN:

Ulysses, die op Calches steunt,
en ons gebroederheren,
zich deze laster niet bekreunt.
Zijn vroomheid zal men eren.
Maar wie den helm voert als een schelm,
dat zal de tijd ons leren.

REI VAN EUBOERS:

Draal lang, o blonde Phbus! draal,
schouw eeuwig onze kimmen.
dOndankbre Grajen niet bestraal,
die langs hoe meer verslimmen.
Waar vlieden wij? Wat Razerij
komt uit den afgrond klimmen?