Joost van den Vondel (1586-1679)

PALAMEDES OFT VERMOORDE ONNOZELHEID.

Treur-spel

DE TWEEDE HANDEL.

SISYPHUS, MEGEER.

SISYPHUS:

Waar ben ik, Sisyphus, gemat van op te stijgen?
Nu schep ik weder locht, nu kan ik adem krijgen.
Waar ben ik? In wat nacht? Megere, die mij jaagt,
nachtmerrie, oude kol. Hoe hebt gij ons geplaagd
met uw bebloede zweep en pekstok onderwegen,
eer ik een doorgang heb na t bovenvolk gekregen.
Waar ben ik? In den dag, of in een blijdre nacht
als donderaardse poel? Waar mag ik dolen? Zacht!
Waar vind ik Hecate? Waar flonkeren de starren?
Wanschepsel, die geen grijns behoeft, noch kunt ontwarren
uw pruik, die grouwlijk krielt van zwarte slangen, zeg
waar dwaal ik? Op wat spoor? Waar leidt ons deze weg?
Mij dunkt ik hoor geblaf van honden, die ons rieken.
Zwijgt, rekels. Luistert. Sus. Help Cerberus! t Zijn Grieken.
Ik ben in Pelops rijk, of in mijn oud gebied,
t Ephyren. Dat gaat wel. Momaanzicht, hoort gij t niet?
Wij zijn t Ephyren, daar de mensen van mijn treken
en boevestukken, met een groot afgrijzen spreken.
en Minos vloeken, als zij horen dat mijn straf
niet zwaarder weegt, als t wicht eens steens berg op berg af
te wentlen, nat van zweet, in d onderaardse kelders.
Kolrijster, rade ik recht? Zeg op, of zijn wij elders?

MEGEER:

In Troas staan we, niet in Isthmos:in t gezicht
van Ilium, daar nu het Dorisch leger ligt.
In t vlakke en open veld, van waar wij korts vernamen
die bleke schimmen, die ons treurig tegenkwamen,
besprenkeld van veel bloeds, gehouwen en gekapt,
mishandeld, en mismaakt, gezengd, gekwetst, gekrabd.

SISYPHUS:

Wat s d oorzaak van t geschil?

MEGEER:

Een Vorst, door geile van minne,
heeft tot zijn boel geschaakt de bruid en koninginne
van Menelas, die zozeer niet op de deugd
als op de schoonheid vlamt, en t bloeisel harer jeugd,
en hoger die waardeert als veler Prinsen leven.

SISYPHUS

Een slimmer Sisyphus is nog na mij gebleven.
Wat uitkomst of ons staat te wachten van t gevecht?

MEGEER:

Men zal geffend zien en tot den grond geslecht
t hof van Lamedon, en dees benijde vesten,
als Inachus geslacht die t krijgsvolk geeft ten besten,
dat, overwinner nog, den tienden zomer zal
de Gon verschrikken met zo ijselijk een val.
Dan zal het overschot der vluchtige Trojanen,
met handenwringen en afbiggelende tranen,
beschelden Paris, die, zo schandeloos onkuis,
veroorzaakt heeft t bederf van zijn doorluchtig Huis,
en liever had zijn faam en glorie uit te wissen,
als boels aanminnigheid en kitteling te missen.

SISYPHUS

Gij en uw zusters, als hem Venus had verlokt,
hebt verre een groter kwaad gesponnen en berokt.
Als gij der Doren vloot de zee gingt overvoeren,
en om een lichte vrouw gants Asin beroeren.
Eumenides! Welaan, recht ijlig overend
uw slingerslangig haar, en brandt, en blaakt, en schendt,
en schuimbekt, raast, en moordt! Daar ziet men t leger krielen,
daar laadt men Charons schuit, tot zinkens toe, met zielen.
Het is er drok aan t veer; zo, Wrekeressen, voort!
Spookt door de benden heen, verzadigt u met moord!
De messen zijnder op gewet en scharp geslepen.
Beschildert uw gewaad met bloed en paarse strepen.
Bevlekt uw aangezicht met brein, vers uitgespat.
Ziet toe, gij snevelt licht, het is er slibberglad.
Zo, dochters van de nacht! Maar als gij hier met lijken
de stromen hebt gedamd en de overzeese rijken
tot puin en gruis verplet en uit hun plaats beweegd,
den adeldom en t puik der Vorsten uitgeveegd,
zal dan de wraak, vernoegd door t bloed zo veler helden,
het woeden staken?

MEGEER:

Neen, dan wil t Europe gelden.
Gij Grajen! Huilt en graait, uw doodverw zet, wordt bang.
Wij komen, om den weg tot uw en ondergang
te banen, zwanger van voordachte schellemstukken,
en hechten Argos ramp aan Trojens ongelukken.

SISYPHUS

Wat middel is er om te rokkenen dit kwaad?

MEGEER:

Den Phoenix, daar hun heil en zegen in bestaat,
te helpen aan d een zij; opdat ze, met zijn sterven,
ook zijn manhaftigheid, en raad, en wijsheid derven,
en vallen overhoop, wraakgierig van gemoed,
en voeren borgerkrijg om zijn onschuldig bloed.
Ik zie de Vorsten al gespouwen en verbolgen,
de volken van en stam malkanderen vervolgen.
dEilanden in t geweer en t vaste land in roer.
Hier wordt men vlam gewaar, daar hoort men een rumoer
van steden tegens sten, van vloten tegens vloten.
D een ramp uit d andre wast; wat wordter bloeds vergoten!
Euboea loopt t gedeild Peloponnesus af,
en Scyros Ithaca. Thessalin, tot straf
van Locres krijgsvolk licht.
De Cyclades die slijpen
hun speer, om onderling malkandren aan te grijpen.
De zonden klimmen op. d Een draagt des anders schuld.
Der Vorsten hoven zijn met grouwelen vervuld,
met bloedschand, overspel, met moord, met vuiligheden.
Men luistert noch na recht, na billijkheid, noch reden.
de Koninginnen en Prinsessen zijn bekans
all schuldig aan de moord en nerslag harer mans.
En eer- en trouweloos. Elk is om t zeerst verwoeder.
De zoon den vader wreekt, de dochter wreekt haar moeder.
t Vertwijflen aan de stam en wettige afkomst splist
het volk, en voedt den vede, en endelozen twist,
en t woeden, dat zo lang beschreielijk zal duren,
totdat men ziet in t end de steden zonder muren,
de stromen onbezeild, de kampen onbeploegd,
en d onderaardse Styx bevollekt en vernoegd.
Rampzalig spook! Gij zijt tot mijn behulp verkoren
voor andre zielen. Ga, en noop uw neef met sporen,
wiens schalkheid hapert, om, bedrieglijk en vals,
den zoon van Nauplius te brengen om den hals.
Hij sluimert:in zijn droom en slaap zal hij u horen,
En wat uw geest erdicht, dat vezel hem in d oren.
Ga heen, rampzalig spook!

SISYPHUS

Ben ik de beste dan
dien dafgrond tot dit snood bedrijf uitbraken kan?
Is niemant bet bekwaam tot schelmerij gevonden?
Dit is mijn afkomsts tent. Ik moet zijn hert doorgronden.
Hij heeft de leus al weg.
Megere! t Is beschikt.
Als hij mijn geest vernam, doen was zijn geest verschrikt.
Zijn zweet brak uit van angst, zijn haren schielijk rezen.
Ik heb hem na zijn wens den korsten weg gewezen.

MEGEER:

Zo is het reizens tijd. Gedoemde ziel, ga schuil.
Duik in den donkren poel en nooit beschenen kuil.
De nacht is op zijn droefste, en Phoebe wijkt te spoken.
Ulysses gaapt en geeuwt:gij hebt zijn rust gebroken.
Daar treedt hij uit zijn tent. Gaap, aardrijk , en alheel
verzwelgt ze, die gij thans gebraakt hebt uit uw keel.

ULYSSES, LIJFKNECHT, DIOMEDES.

ULYSSES:

Een dunne slaap beschoot nog nauwelijks mijne ogen,
of mijn ontruste geest door t guichlen werd bedrogen
eens drooms, of door een schim, die me in den droom verscheen,
en droeg mijn aanslag gunst, en holp me t feit beklen,
en t stuk met zulk een list besteken en vermommen,
dat Nestors wijze tong daartegens moet verstommen.
Het zij dan schim of droom, of wat het wezen wil.
t En is geen marrens tijd. Mijn lijfknecht, ga al stil
na Diomedes tent. Zeg, dat ik hem verbeide
zo daatlijk hier ter ste. Doen thans hij van mij scheidde
werd d aanslag opgeschort tot wijder overleg.
Als nu zo was er t een, dan t ander in den weg.
Nu, dunkt me, gaat hij glad, en t mag een raad>verstrekken,
doch vaak schijnt ruim in t eerst tgeen scharp valt in t voltrekken.
Maar daanslag nietemin moet eenmaal zijn gewaagd.
Mijn vijand staat versuft, en dut, en is versaagd.
Hij vindt zich radeloos, om van de lastermonden
en logens zich t ontslaan, waarmede hij wordt geschonden.
Te meer hij zich verweert en na zijne onschuld tracht,
te meer het lastren groeit. Hij is, en blijft verdacht.
Het krijsvolk is gedeeld:d een looft hem als een vader,
en d ander hem verspuwt en scheldt voor landverrader.
Bij deze zwarigheid koomt, dat der Goden tolk
de lasterlogen kweekt en koestert onder t volk.
Mijn wraaklust zal eerlang hem zijnen trots verleren,
en doude lemten gants tot etter uit doen zweren.
Hij, ziende dat zijn pleit en rolle liep na t end,
den Veldheer gistren nog kwam smeken in zijn tent,
en bad, hij wilde hem doch zijn gunstige oren lenen.
Ophalende, wat dienst dat Argos en Mycenen
ontvangen hadden, eer, door zijn getrouwen plicht.
De konink beet hem toe, vergramd in t aangezicht:
Ik heb gedienstighen, ik ken t, door u genoten;
maar ene ontvange spijt mij schendig heeft verdroten.
dAtryden zullen u vermorselen tot gruis,
of gij zult hen tot stof verdelgen met hun Huis.
Dit dreigement hem trof. Hij antwoordde al verslagen:
Mycenen heeft zich ooit beleefdelijk gedragen
en met genade altijd zijn vijanden ontmoet.
Dies bidde ik, dat uw toorn niet al te heftig woed.
Dus scheidde hij, maar beducht (zo t bleek aan zijn manieren)
voor Agamemnons grim en t spits der helbaardieren.
Nu t gader mede hoe t wil, t kan anders niet als wel.
Ik ben het niet alleen; de grootste zijn in t spel.
Wij hebben op ons zij de wereldlijke machten
en geestelijken arm, gestarkt met domme krachten.
En waartoe zal hij zijn beducht voor veel gevaars,
die tot zijn voorspraak heeft de tong des Wichelaars?

DIOMEDES:

Ik koom op uw ontbod, geheimste vriend en makker.
Wat onrust drijft uw geest? wat houdt uw zinnen wakker,
Dus in de middernacht?

ULYSSES:

                                       Nocht Venus, nocht haar vier,
maar zaken van gewicht. De rechte tijd is hier
om onzen aanslag zo terstond in t werk te stellen.

DIOMEDES:

Mijn raad is hier te klein.

ULYSSES:

Daar wilt u niet me kwellen.

DIOMEDES:

Ik kan geen doorgang zien, Ik blijf er nog voor staan:
Zo lang ik niet begrijp hoe dat het toe kan gaan.

ULYSSES:

Hij brak uit s Veldheers last zijn tent op, gistrenmorgen,
en sloeg zich elders ner, zo dat men kan verborgen
in d eerste legerplaats, een zeker wicht van goud,
recht of zijn zorge dat aan t aardrijk had vertrouwd.
Als hij nu wordt beticht van zijn ontvange gaven,
zo zal de krijgsraad fluks dien rijkdom op doen graven,
waardoor hij schuldig wordt aan t opgelede kwaad.

DIOMEDES:

t En heeft niet schijns genoeg.

ULYSSES:

Dit komt ons nog te baat:
Ik zal in Priams naam een brief aan hem doen schrijven,
die, meldende van t goud, hem zoekt ter daad te stijven.

DIOMEDES:

Wie zal de bode zijn?

ULYSSES:

Maar, een Trojaans slavoen,
die mijn gevangen is. Gij zult de ronde doen,
en passen op den spie, en helpen hem om t leven,
en, vindende den brief, dien Agamemnon geven.
Hoe kan d Euber doch ontworstlen dezen strik?

DIOMEDES:

t Is recht Ulysses vond:maar als ik ernstig wik,
het stuk is vol gevaars. Laat dezen raad besterven.

ULYSSES:

Ik vreze, uw blodigheid die zal de zaak bederven.
Hoe stouter aangevat, hoe lichter uitgevoerd.
De kans moet zijn gewaagd.

DIOMEDES:

Waar t schaakspel, waar het boert.
Best, dat men t wat vertrek, de tijd is niet geboren.

ULYSSES:

Daar is met sammelen tot nog toe mer verloren,
meer schade als winst gedaan.

DIOMEDES:

De man heeft grote gunst
Bij t volk en bij den raad.

ULYSSES:

Bedekte logenkunst
Die heeft ze vrij gedund door t lang en stadit knagen.

DIOMEDES:

Al die hem zijn verwant van vrienden en van magen
zijn zijde gunstig zijn en dreigen ons met wraak.

ULYSSES:

Geen mage of bloetverwant mag tuigen in zijn zaak.
Van dreigen niemand sterft.

DIOMEDES:

Achilles, vroom in feiten,
En Ajax zal zijn recht ten uitersten bepleiten,
Door s grijzen Nestors tong.

ULYSSES:

Dit acht ik heel gering:
De veldheer is de ziel en stuurman van t geding.
s Rechts uitspraak staat bij hem; hij kiest bekwamen mannen,
en kipt de rechters uit, die d heilge vierschaar spannen.

DIOMEDES:

Zo d aangeklaagde zich beroept op t Griekse recht?

ULYSSES:

t Geschil wordt na de plaats gevonnist en beslecht:
Wij staan op s vijands bom; wij kennen hier geen wetten,
als die des Veldheers mond en lippen zullen zetten.
Zijn wil is wets genoeg. Die spreek, een ieder zwijg:
des oppervorsten zwaard is rechter in den krijg.

DIOMEDES:

Of d Oppervorst bezweek, als d aanslag waar begonnen?

ULYSSES:

De wereld geenszins lijdt twee schitterende zonnen:
Zo duldt gene Heerschappij twee hoofden in een rijk,
Geen Vorst zijn wederga, geen Koning zijns gelijk.
d Euber is te hoog in mogendheid gestegen
en aanzien bij t gemeen. Dit s Agamemnon tegen.
Die heeft wel duizend maal geklopt op zijn rapier,
gevloekt bij all de Gon, gezworen hoog en dier,
bij zijnes gordels draak, bij t krunkelen der slangen,
waarme de Gorgon is zijns beukelaars behangen,
en bij den staf zijns Rijks, van Mulciber gesmeed:
dat hij zich wreken zal van t aangedane leed.
Dat d eilander niet lang zijn majesteit zal benglen,
al zo hij d Oppergon met d onderaardse menglen.

DIOMEDES:

Met Agamemnons wrok is t leger niet gepaaid.

ULYSSES:

t Is waar, maar dat is vol onenigheid gezaaid.
De meesten hoop is blind, om d oorzaak van dit wrokken
te zien met onderscheid; ook heeftmer in betrokken
t verschil van kerkenplicht, de macht van t geestlijk hof,
en tgeen den dienst betreft der Goden; deze stof
zodanig is van aard, dat allerlei krakelen,
dat zucht tot eige baat en staat hier onder spelen.
En alle schelmerij, die slechts een schijngestalt
van hailigheid ontleent, licht door dien trechter valt.
Men hitst s volks harten op tot dolligheid door t krijten,
en daldersterkste past den zwaksten uit te bijten.

DIOMEDES:

Maar wacht u, als de tijd de waarheid eens ontdekt.

ULYSSES:

Al hebt ge t hailigdom met vadermoord bevlekt,
uw zusters schaamt ontbloot, in t aanzicht van uw zwager,
ja, zelf den blixemdrig gekroond tot horendrager,
verkracht zijn egemaal, en schenker Ganimeed.
t En wordt niet eens gemerkt, als maar een outerkleed
die grouwelen bedekt; ten strekken dan geen zonden.

DIOMEDES:

En of de Priesters t pleit met Palamedes stonden?

ULYSSES:

Dat is onmogelijk; want hoe men t wendt of keert,
t schort even Calches daar, daar t Agamemnon deert.
Zijn hoogheid is geraakt, en hailigheid:die stedes,
mits de onderkruipingen en list van Palamedes,
allenks gemuilband wordt en van zijn glans beroofd.
En t was zo veer gebracht, dat geen gemijterd hoofd
zo spreken in den raad, of met de Vorsten stemmen.
Een toom om na zijn wens de wichelaars te temmen.
Dit let hem in den krop. Behalven dat hij steef
de Vorsten tegens hem, die zo Godijvrig dreef,
dat ieder Griekse stad zo leggen nieuwe drempels
om t Noodlot op t outaar, in godgewijde tempels
te vieren, met den reuk van t gulden wierrookvat.
Dienst, daar de Priesterschap een koninklijken schat
en rijken oegst af maait. Hoe geestig zag men schaken
den tabberd met de kap? Met onbeschaamde kaken
dreef Calches, na zijn wens, met luttle stemmen door,
t besluit der tempeliers, en gaf geen ren gehoor.
d Euboer heeftet ook in Aulis heel verpeuterd.
Daar zijd hij:Schoon de vloot door storm en onwer leutert,
men mag zo reukeloos niet plengen koningsbloed.
Men stel den nerslag uit. Misschien zal ook de vloed
hier mee niet zijn gepaaid. Wilt u der jonffer jamren?
Hakt liever af den hals van witgewolde lamren.
Daar schond hem t Priesterdom de krijgslin op het lijf.
Elk vloekte en schold om t zeerst; zij kreten even stijf.
Het zaad van Nauplius van Godsdienst is verbasterd:
t viert tempel noch outaar. Diana wordt gelasterd!
Verworg den vrijen geest, of stort hem van een rots.
Dees smaalt op wichlerij en dromen. d Inspraak Gods
hij gants in twijfel trekt. Hij zal het heir verwarren.
Hij acht noch voglenzang, noch ingewand, noch starren.
Ik rep van geen geheim, Gij Diomedes, zaagt
wat hij te lijden had om t redden van de maagd.

DIOMEDES:

Zijne aangewende vlijt tot Iphigeens verschoning,
te lichter hem in gunst kan brengen bij den Koning.

ULYSSES:

t Blijft tussen mij en u:t is Agamemnons aard,
dat zijn gedachtenis geen weldaad lang bewaart.
Maar t aangedane leed, en de eens gelede smarte,
schiet diepe wortelen in zijn wraakgierig harte,
al tonverzoenelijk. t Was Atreus, die voorheen
bij opdracht onderkroop t oud recht der Griekse sten
.
De zoon vlamt op de vrucht van deze parkementen,
en hoopt zijn lauren-telg op deze boom te enten.
Maar Palamedes oog zijn gangen onderschept,
en is vor hem gereed, en waakt eer hij zich rept.
Dies raast s Krijgsvorsten wraak, die, om hem te betrapen,
misbruikt den ouden haat der Griekse legerpapen,
bedienaars van de Nood en nooit verbeden dwang.
Die doen hem t koude zweet aflopen door t gedrang
der lasteraren, en, stag liegende, onverboden,
geen misdaad reeknen t kwaad, tgeen strekt ten dienst der goden.
Doch t geldt ns even veel. Wij doelen na ons wit,
het zij dan slinks of rechts. Waarom ik ernstig bid
dat uwe dapperheid dit heldenstuk verzelle.

DIOMEDES:

Ik vind den aanslag goed, t is waar; maar dat ik stelle
mij-zelven in t gevaar, is overwegens waard.
Ik ben een man in t veld, om op een moedig paard
dat schuimbekt, briest, en krabt, en stof werpt met zijn voeten
mijn vijand voor de vuist, met zweerd en speer, t ontmoeten.
Maar k heb uw vijnzerij, Ulysses, lang verleerd.
Ik stem het nietemin, dewijl gij t zo begeert.

ULYSSES:

Laat, Diomedes, slechts de zorg aan mij bevolen
Het moet er donker zijn, daar d Ithakois zal dolen.

DIOMEDES:

Welaan, ik ben t getroost; doch eer wij t stuk bestaan,
zo zal t hoog-nodig zijn ons wijders te beran,
opdat men t schandelijk ten halven niet laat steken.
Vernieuw mij ander-werf den voorslag uwer streken.

ULYSSES:

Tre met mij in mijn tent; t zal wel zo veilig zijn.
Men handelt van die zaak best achter de gordijn.


REI VAN PELOPONNEZERS EN ITHAKOIZEN, EURYPILUS.

REI:

Koomt, laat ons bij de donkre maan
eendrachtelijk te reie gaan,
en storten ijvrig deze be
voor ons Drie-aanzicht Hecat.
Dat ze Atreus zonen doch bewaar,
die, voor onze haardstede en t outaar,
zo rustig waagden lijf en goed,
en troosten t volk in tegenspoed.
Dat geen verrader zich verstout,
om t flikkren van t Trojaanse goud,
hem t overlevren aan den Phrijg,
en ons in t heimelijk bekrijg.
En smoor half-don op don gehoopt
in t bloed, dat uit onz wonden loopt,
en steek tot schrik van Griekenland,
door Hectors toorts de vloot aan brand.
En geef uitheemse gasten stof
te zeggen:Hier is t kerrekhof,
daar Troje, door Godlozen boef,
Mycenen met haar macht begroef.
Daar stond Achilles tent weleer
Hier Agamemnons; ginder veer
werd, dag op dag, zo fel gestren,
om Menelas bruid Heleen.
Hier lag de vloot om dezen hoek.
Keer, o Godesse, zulk een vloek;
Bewaar, Godin, uw kerken ook,
Opdatm uw tempel plechtig smook.
Opdat uw reukwerk opwaarts rijs
na d eenmaal aangenome wijs,
na d eenmaal voorgeschreven plicht,
t zij, dat gij droef of heller licht.
Begunstig doch Apolloos zoon,
Den taalman van den oppertroon,
die zich op Gods geheim verstaat,
en alle tekens gade-slaat.
Die vaak kan spellen t ongezienst,
en wien de zuivre godesdienst
zo diep en zwaar ter harten gaat,
en acht ze een pijler van de staat.
Een pijler, daar de staat op leunt:
en om deze oorzaak zich bekreunt
vaak met den wereldlijken staf.
Al neemt men t hem zo kwalijk af.
Weer van ons alle nieuwighen,
bevrij voor vlek uwe outerklen,
en neem de Priesters in uw scharm,
die uwe altaren houden warm.

EURYPILUS:

Zij heeft u toegeknikt; nu wend u tot de Nood;
Heft aan een nieuwen dans, en maakt haar Godheid groot.

REI:

O kracht, die niet en zijt t ontvlien
Geweld, dat tussen uwe knien
beklemt de diamanten spil,
daar t al op draait na uwen wil:
Die hebt van eeuwigheid gezaaid
t zaad, daar de tijd zijn vrucht af maait.
O dwangbestuurster van al t werk,
die Gon en mensen stelt een perk.
Houvast en anker van t gesticht
der wereld, die in tegenwicht
dhoofdstoffen houdt. O zuil, die zelf
draagt onbezwaard dat zwaar gewelf.
O die met ijzren scepter heerst,
en blijft er laatst, en waart er eerst,
die Hemel, Aarde,en Hel bestiert,
en maakt, dat elk uw Godheid viert.
Die, op haar beurt, de starren riept,
en meerdre en mindre Goden schiept,
en blijft verstenigd en verstokt,
en hebt al t noodlijk kwaad berokt,
Saturnus zijnen Vader lubt,
en t pekelschuim met bloed bedrupt.
Ene oorzaak, dat er Venus kwam,
met hare onkuise minnevlam
Jupijn, ontvonkt door Sypris straal,
voorts walgde van zijne egemaal.
Die bleef verschopt, en alzijn feest
was hoer, of jongen, of een beest
Mercuur werd d alderslimste dief,
en Bacchus kreeg de kruiken lief,
en, struikelende na den dronk,
zong hailge verzen dat het klonk.
Mars groeid in bloed en mensenmoord.
Dat reuzen kwamen fel aan boord
den Donderaar, met smaad en schimp.
Doen ze Ossa parsten met Olymp,
en wer met Ossa Pelion,
eer hem een starker overwon.
Dat Minos bruid, het geile dier,
Zich liet bespringen van een stier.
Dat dAfricaan, zo wreed als sterk
van mensenhoofden bouwde een kerk,
en dat zijn tempelpriester had
een doodshoofd tot zijn wierookvat,
en, eer hij nog gebeden sprak,
een mensenongeltoorts ontstak,
en plengde, met een heilgen schijn,
paars mensenbloed, in plaats van wijn,
en offerde den Gon tot brand,
halflevend menseningewand,
terwijl een mensendarrem sluit
om t lijf zijn taaie mensenhuid,
zijn offerkleed, en feestsieraad.
En zong, en schreeuwde zonder maat,
uit parkement vol bloedrood schrift,
verrukt door innerlijke drift,
en de wergalmen, op elk vaars,
een rei van woeste moordenaars.
Wier wapen zwaard, noch kortelas,
maar kakebeen of schinkel was.
Dat Tantalus, nog vuil bemorst
van verse moord, opschaffen dorst
het vlees zijns zoons op Jovis dis.
Niet bij geval gebeurd en is.
Maar, onontworstelbaar Bescheer,
gij zelf waart d oorzaak. U koomt deer
die dobbeltronie Janus slacht,
die achter grijnst, van voren lacht.
Zo nog t verraad smeult in zijne as,
ontdekt zulks doch uw Priesters ras.
Scharp Argos sabel langs hoe meer,
en Priams stander werp ter ner.

EURYPILUS:

Houd op, gij hebt voldaan. Het Noodlot heeft volkomen
uw dansen en gezang goedgunstig aangenomen.