Joost van den Vondel (1586-1679)

PALAMEDES OFT VERMOORDE ONNOZELHEID.

Treur-spel

DE DERDE HANDEL.

DIOMEDES, SCHILDWACHT, AGAMEMNON

DIOMEDES

Ho, schildwacht, ho!

SCHILDWACHT

                                     Wie daar?

DIOMEDES

                                                      Ik moet den Veldheer spreken.

SCHILDWACHT

Wij zijt ge? Meld uw naam, of geef t gewoonlijk teken.

DIOMEDES

t is Diomedes zelf.

SCHILDWACHT

                                Koom, wek hem, daar hij let

DIOMEDES

Groot-meester van ons heir, die uwen leger spreidt
van droge en dorre blan: Op, op! t is tijd te waken.

AGAMEMNON

Wel, Diomedes, vriend, zeg op wat zijn t voor zaken?
Wat brengt gij ons bij nacht? Is Hector op de been?

DIOMEDES

k Heb een Trojaansen spie den hals vers afgesnen,
als ik de ronde deed. Hij is belast met brieven.
Ik sleep den booswicht hier. Het zal den Vorst believen
te vorsen naet geheim.

AGAMEMNON

                                      Koom, ho de toorts wat dicht,
opdat ik dezen gast beschouw in t aangezicht.
t Is waarlijk een Trojaan van kleding en van wezen.
Dit s Priams zegelring. Ik moet het inhoud lezen.
Op, mannen! t Is verraad. Mijn dienaars, fluks, gaatheen,
behalven Palameed roept al de raad bijeen.

AGAMEMNON, ULYSSES, DIOMEDES, NESTOR, AJAX

AGAMEMNON

Gij die, voor kronengoud en vorstelijke banden,
nu voert een koopren helm, en met uw dappre handen
van t Asiaanse staal de vonken stuiven doet,
en Simos vermengt en verwt met brein en bloed,
ik zal u voorts de ren en doorzaak gaan verklaren,
waarom men tontijds dus den krijgsraad de vergaren.
De Phrygiaan, die, t heir verspiedende, bij nacht,
van Diomedes hand zo vers is omgebracht
(Als hij, de ronde doende hem kwam verbaasd ontmoeten,
en sleepte hem dood en warm voor uwer aller voeten,
daar gij hem liggen ziet), was met een brief belan,
dieme uit zijn boezem trok, en iemand schijnt te ran
tot grouwelijk verraad. Ik zal u laten horen
het inhoud van dit blad, twelk vreemd klinkt in mijne oren:
Neptunus waarde zoon, die uw grootvaders Stad
begunstigt waar gij moogt. De letters van dit blad
betuigen mijne jonst, waardoor ik ben genegen,
te strekken over u mijn koninglijken zegen.
Dat gij ontvangen hebt t jongst toegezonden goud,
ik uit den spie verstond, wiens mond gij toevertrouwt
t geheimnis van uw hart. Ik heb alre genoten
de vruchten van t bestand, voor luttel tijds besloten,
en wacht op t uiterst vast. Is ergens gunst te koop
om goud, zo spaar geen munt. Ik, Priam, leve op hoop..
Daar ist geheim des briefs. Wat dunkt u, Griekse Vorsten?

ULYSSES

Verdelg ze, o Juno, doch die naar ons leven dorsten!

DIOMEDES

Ontdek ze, o Hecate! Die naar den ondergang
van onze tenten staan.

NESTOR

                                    Ontdek de waterslang
die schuilt in t groene gras.

AJAX

                                        Saturnus breng de waarheid
ten lesten eens in t licht.

AGAMEMNON

                                        Wie twijfelt aan de klaarheid
van t goddeloos verraad?

AJAX

                                            Ik twijfel, met verlof,
die alle treken ken en sausen van het Hof.

AGAMEMNON

Nu, Ajax, geef gehoor, en wees niet ongeregeld.

NESTOR

Is t Koning Priams merk?

AGAMEMNON

                                        De brief was toegezegeld
met s Konings eigen ring. Doch t wapen is mislukt
in t zeeglen, en zijne hand in t schrijven wat gedrukt.
Mistrouwt gij aan mijn woord, geloof uwe eigene ogen.
Daar, Vader, lees den brief.

AJAX

                                              Een dochter van de logen,
een vondeling van t hof, een bastaard van de nijd
en overjaarde wrok, t uitbraaksel van de spijt!

NESTOR

t Schrift zwijmt na Priams hand; zo doet de druk van t wapen.

AJAX

Zo paait men t slechte volk. Zo let men kinders slapen,
maar Ajax nimmermeer.

AGAMEMNON

                                        t Zij hoe men t stuk verschoon.
De koning Nauplius is God Neptunus zoon.

AJAX

Ja Palamedes is t, ik houdet u ten besten.

AGAMEMNON

Neptunus eige stad zijn Trojens hoge vesten.
Die draagt d Euber gunst; zo doet zijn heilloos zaad.

AJAX

Ja Palamedes is t; die brouwt ons dit verraad.
Die booswicht moet van kant!

ULYSSES

                                                Beschut ons, goede Goden!

DIOMEDES

Dat tref Laomedon.

AJAX

                                Of eer in tijds gevloden.

DIOMEDES

Dat ongeluk en zij ons nimmermeer bescheerd.

AGAMEMNON

Hier geldt geen loochenen, t zij hoe men t wendt of keert:
t is Priams tekening; wij twijflen nu niet langer,
of Palamedes gaat van deze boosheid zwanger.

AJAX

Dat heeft men lang gezocht, en onder t volk gestrooid,
en nu met dezen brief het schelmstuk opgetooid.

NESTOR

Gij, Heren, ziet wel toe! t Zijn zorgelijke zaken,
hij vangt wat wichtigs aan, die tot een schelm zal maken
een welgeboren Vorst, een man van groot bewind.
Dies wens ik, dat geen wraak uwe ogen en verblind
het stuk met reden wikt; en velt geen onrijp oordeel.

AGAMEMNON

Daar dhoogheid wordt gekwetst, heeft niemand enig voordeel

NESTOR

Of d hoogheid is gekwetst, dat hangt hier in geschil.

AGAMEMNON

Hij merkt de misdaad licht, die ze anders merken wil.

NESTOR

Die iemand hatig is, zeer licht een brief kan dichten.

AGAMEMNON

Nabootsen hand en merk, de onnozelheid betichten?

NESTOR

Dat is wel eer gebeurd.

AJAX

                                     Al waar het nooit geschied,
zo derf men t nu bestaan.

AGAMEMNON

                                        Die t leger heeft verspied,
met brieven afgerecht, hier voor u let verslagen.

AJAX

Indien hij levend waar, men mocht hem ondervragen.

AGAMEMNON

De dode meldt de zaak: het is een Phrygiaan.

AJAX

Een slaaf, die korteling in t oorlog werd gevan.

AGAMEMNON

Zo zo men alles wel in twijfel konnen trekken.

AJAX

Zo zo men altijd wel des vromen naam bevlekken.

AGAMEMNON

Die mens was lang verdacht.

AJAX

                                              Zo was de valse tong
Des groten logenaars.

AGAMEMNON

                                    Gij, Ajax zijt te jong
om Agamemnons mond zo kort te heten liegen.
Of lustet u, zo wilt u zelven niet bedriegen,
maar dat uw degen passe op t koninklijke staal.

AJAX

Zo doet hij!

NESTOR

                    Houdt gemak, gij heren. Laat de schaal
van ware billijkheid beslechten dongelijken.
Hoe kan uw hevig zweerd een wettig vonnis strijken?
Die t recht heeft op zijn zij vaak sneuvelt door het spits.
Bezadigd brein u schei. Die rechter is te bits.
Het mes zij op Dardans meinedig zaad verbitterd,
drijv Hector op de vlucht, als t bliksmende schittert
in dappel zijner oog, veeleer dan t God geheng
dat dene bondgenoot het bloed des anders pleng,
En t Dorisch leger rijt zijns zellefs ingewanden,
zijn wapenen vermeng, verwart zijn rechter handen.
Wat had de vijand stof te lachen in ons dood!
Hoe zo hij vier en torts in ons gedeelde vloot
dan slingeren met macht, en met bebloede sabels
t gedraaide kennip gaan doorhouwen van ons kabels,
en zenden brandende de kielen zeewaart in,
in t aanzien van de Stad en Priams hofgezin.
t Geschil aan mij verblijft. Vertrouwt mijn zilverharen
en grauwen ouderdom, die veel is wedervaren.

AGAMEMNON

Al waar t mijn eigen bloed, zo wil ik, dat men straf
de stichters van t verraad.

AJAX

                                          Ik, dat een open graf
hem levendig verzwelg.

NESTOR

                                      Wij stemmen t all te zamen.
Maar waar de boosheid schuilt, schijnt donker om te ramen.

AGAMEMNON

De Goddeloos die neemt de scheemring tot zijn wijk.

NESTOR

Men stel dan t oordeel uit, tot dat het ieder blijk.

AGAMEMNON

Ontbeert dit schijn en blijk?

NESTOR

                                            Het is te twijfelachtig.

AGAMEMNON

Wat eist gij voor bewijs? Hoe bondig? Of hoe krachtig?

NESTOR

Dat klaar en helder licht, gelijk de middag doet.

AGAMEMNON

Hij kwetst t gemene best, die boze feiten voedt.

NESTOR

Ik vo niet kwaads, maar vrees onschuldig bloed te storten.

AGAMEMNON

Gij vreest niet eens den staat door slapheid te verkorten.

NESTOR

De rechter handelt wijs, die vel kwaaddoenders spaart,
om ene onnoosle ziel te vrijenvan het zwaard.

AGAMEMNON

Zo kan geen rijk bestaan.

NESTOR

                                        Zo kan het eeuwig duren.
Gerechtigheid die bouwt de koninglijke muren.
Daar onrecht en geweld palaizen ommerukt.
Van elken druppel bloeds des geens, dieme onderdrukt
en doemt door t schendig staal, ontspruiten duizend wrokken,
die barsten uit tot wraak, wiens zweerd, eens uitgetrokken,
keert langzaam in zijn sche. Die hailig bloed vergiet,
tergt Nemesis. Zie toe, en roer deze Hydra niet.
t Is licht een hoofd geveld in reukelozen toren,
maar kunst is t, let hierop, den wortel gants te smoren,
wanneer den hals in plaats van en, vele hoofden teelt.

AGAMEMNON

Mijn oordeel van het uw hierinne niet verscheelt.
Ik kniel voor Themis troon. Mijn daden dat betuigen.
t Waar dolligheid het recht uit haat en nijd te buigen.
Ik zal niet wetteloos bestaan door onbescheid.
Wie tegens t algemeen en d Oppermajesteit
zich zelven schandelijk nocht eerloos heeft vergrepen,
die loopt geen lijfsgevaar.

AJAX

                                        Och, waren nooit mijn schepen
verzeild van Salamin in d haven Tenedos!

AGAMEMNON

Gevaltet u, zo maak uwe ankertouwen los;
t en steekt den Grajen niet op tien of twalef kielen.

AJAX

Maar doen twee Ajaxen t gants leger tegenhielen,
en redden uwe vloot, daar t al scheen overmand,
daar Hectors fakkel re de zeilen stak aan brand,
doen stakter nauw genoeg. Hoe of dit uit wil vallen?
Mijn vader Telamon was d eerste die de wallen
van Trojen eer beklom en Hercles steef met kracht.
Een van de vijftig ook, die om de gulde vacht,
door t klinkende gedruis der Cyanese rotsen
na Colchos togen, en den zeevoogd gingen trotsen.
Ik, volgende den aard van een zo braven held,
heb Helles vloed gekruist, en hier in t vlakke veld
gespannen mijne tent, en nam het leed ter harten
van Menelas en t veronglijkte Sparten.
Dits mijn bezolding nu. Dit s, Ajax, al uwe eer.
Wat draal ik? k Heb verlof, men gunt me dat ik keer.

AGAMEMNON

Uw vader Telamon, de terger der Trojanen,
was oorzaak van veel bloeds, en veler Grieken tranen.
Was oorzaak dat de vloot der Phrygen overwoei,
dat Alexander in vergoeding zijner moei
mijn broeders bedgenoot en dierbaar pand vervoerde,
en door zijn roof Europe en Azin beroerde.
Wat uwe reis belangt, gij stoft al tonbedocht,
als of aan u alleen hing d overzeese tocht
.
Neen, Ajax staak dien roem, en wiltet mij vergeven,
om enen Ajax waar de tocht niet nagebleven.

NESTOR

Gij heren, waartoe dient dit onderling verwijt?
Het baart afkerigheid, als d een den andren bijt.
Ik bid den Oppervorst, hij wil zijn gramschap sussen,
en niet den oorlogsmoed van dezen krijgsheld blusse,
wiens brave daden volgt onsterfelijke naam.
De mond eens iegelijks gaat zwanger van zijn faam.
Een veldheer, die met hoon zijne hoplin loont na et strijen,
zijn eigen heirkracht gaat de zeenwen stukken snijen.

AJAX

Daar let t vervloekt geweer! De Goden straffen mij,
indien ik immer gord den degen op mijn zij!
Geen held behaalt hier lof, hoe dapper, hoe rechtschapen,
hoe vroom hij zit te paard. Dat zich een ander wapen!
Ik dien geen dwingeland, nocht geen vermetel hoofd,
dat niets prijswaardig acht, als tgeen zijne harsen looft.

NESTOR

Nu, Ajax, toom den moed, beweer uw zaak met reden.

AGAMEMNON

Wij zijn dit lang gewend: t zijn de oude korzelheden.
Best dat hij eerst bedaar.

NESTOR

                                        t Is heftig gekrakeeld.
Het drukt me, de gemon te zien aldus verdeeld,
en wenste dat die twist beslicht waar en bevredigd.

AGAMEMNON

Ik wens het desgelijks.

NESTOR

                                    Als elk het zijn verdedigt,
en trekt zijn streng na macht, is t wild en ongezien.

AGAMEMNON

Wat Agamemnon drijft, dat moet voor l geschin.
t Betaamt den minderen voor meerdere macht te duiken.

NESTOR

Een koning kan zeer licht dontvange macht misbruiken.

AGAMEMNON

Dat oordeel staat aan hem.

NESTOR

                                          En ook aan zijn gemeent,
van wie hij zijne macht en heerlijkheid ontleent.
De koning is om t volk. Wijs, die zich weet te voegen
na s tijds gelegentheid, en ieder kan vernoegen.
Inzonderheid die zijn van zijn geheimen raad,
en leden van het rijk en pijlers van den staat.
Uwe hoogheid alle ramp en ongeluk verhoede!

ULYSSES

Ik spreek er zo veel in, men houde t mij te goede:
Dat elk den Vorst verschone en kwaad vermoeden schort,
zo lang, na luid des briefs, geen goud gevonden wordt
ontrent de legerplaats van Palamedes tenten.
Men onderzoeke het stuk, en staak dees dreigementen.

DIOMEDES

Die raad mij wel gevalt.

AGAMEMNON

                                      Wat zet er Nestor van?

NESTOR

Oprechte munt de proef gewillig lijden kan.
Zo zal t navorsen ook geen eerlijk man beschamen.

ULYSSES

Wie neemt dien last op zich?

AGAMEMNON

                                            U beide zal t betamen.

ULYSSES

Het waar ons aangenaamst, indien het andre den.

AGAMEMNON

Volbrengt gij mijn bevel: verricht dit met u twen.

CALCHES, EURYPILUS.

CALCHES

Onsterfelijke Gon, wier overgroot vermogen
uw priesterschap beschermt, als dappel uwer ogen.
Die uit uw stoelen daalt, beweven met een wolk,
en handhaaft uw gemeent, uw eer-ophoudend volk
en waarde speelgenoots, die over hunne waaien
de zomen van hun kleed en mantels laten zwaaien.
Wier lang-gebaarde kin van haren hangt vermast.
Wier winkbraauw en gebaar niet loochent, hoe hun past
een wetteloze macht, die, prat, op vorstenbanden
en keizerskronen treedt. Wier hoeden, breed van randen,
gebogen van ter zij, vor spits en achter spits,
beschaduwen t gelaat, daar t liefelijk en bits
zich in het statig mengt, tot stijving van geboden
en zielentuchtiging, onsterfelijke Goden! U zij lof.
Dat gij uwe ere wreekt, en straft ze, die vermetel
opdragen t kerkenrecht den wereldlijken zetel,
die al te zeker staan op t slibberig en steil,
en schroeven t hailigdom ten dienst van burgerheil.
Dat Palamedes ons nu muilbande, en tot spot maak
t gezag der tempeliers, de zekerheid der Godspraak:
dat hij op t outer nu zijn nieuwe grouwlen zet,
en wuft en onbesuisd onze outerklen besmet.
Nu zal hij leren, wat het inheeft dus tontijde
zijn vingeren te slaan aan t priesterlijk gewijde.
Wij staan met Goden in onbrekelijk verbond.
Al wie ons wederspreekt, die wederspreekt Gods mond.
Wij zijn afdruksels Gods. Onsterflijkheids gezanten.
Wij zijn gehuld, gezalfd tot Jupiters trawanten,
en voeren zijn levrei, en maken zijnen stoet,
en door ons hailigheid men Godheid spreken moet.
Wat wereldlijke macht ons stout derf tegenwroeten,
diens zetel zijgt, en staat op waggelende voeten.
Ons wenken bliksems zijn en donders ieder woord.
Wij zijn een muur om t rijk, de sleutels van stads poort,
de fakkels, om een land in lichten brand te stellen.
Gesard, wij geven aan d uitbraakselen der Hellen
en vloeken vrijen toom. En geen Monarch zo gauw
zijn heir brengt op de been, als wij het woeste grauw.
Daar komt Eurypilus. Wel zoon, mijn zinnen hangen
in twijfel, tussen vrees en hartelijk verlangen.
Hoe is het spel vergaan? Is t boszwijn eens gejaagd?

EURYPILUS

O eer des Priesterdoms, men heeft te recht gedaagd
den vijand onzes naams, na dat men opgegraven
had in zijn legertent, dontvange Troische gaven.

CALCHES

Mijn hart van blijdschap zwelt, en geeft den geest meer bots.
Mijn ingewand ontspringt, nu eens die vijand Gods
ten lesten is betrapt door dIthakoise strikken.
Het noodlot dit bestuurt, geen menselijke beschikken.

EURYPILUS

Maar of die schalke nog dit lijfsgevaar ontsprong
door zijn ervaren brein en slibbergladde tong?

CALCHES

De zaak en lijdt geen last. Wij zullen t zo bestellen
dat zijn doodvijanden en haters t oordeel vellen.
Na dat men t oude en langvergeten uit den hoek
gehaald heeft, en doorzocht wel nauw zijns levens boek,
van dingen die hem zijn ontschoten door de jaren.
En waar de logen geldt, daar zal men waarheid sparen,
en geven t vals een schijn van oprecht en een verf
van bloedbad, van verraad, van lin- en land-bederf.
Zijn vonnis boven-aan zal in het voorhoofd voeren,
hoe dat hij driest bestond het hailige aan te roeren,
en brak met enen band s rijks banden altemaal.
Het heir verwarrende met een gedeelde taal,
bezwangrend een gedrocht en Hydra van geschillen,
van nood, gebeurlijkheid, van moeten, en van willen
en eist in dit geschrei, dat slechts zijn bovenzang
allen zo zijn gehoord, door kerk- en priester-dwang.
Ja wetten gevende, waarna dat d outerknechten,
een hemels Godvrij volk, zich zouden moeten rechten.
En steef het onderscheid van nodig en van nut,
en strekte, door gezag, der nieuwigheden stut,
afslaand een wettige verzameling van papen,
en brengend om zijn tent vreemd krijgsvolk in de wapen,
zelfs buiten s veldheers last, en duizend dingen meer.
Maar gaan we binnen, want de raad vergadert wer.

PALAMEDES

O nacht wiens donker kleed beschaduwt alle mensen,
zo wel die heerlijk(490) zijn, als die om nooddruft(491) wensen.
Wat boosheid dekt ge doch met dikke duisternis
wiens lagen of bedrog uw naarheid gunstig is?
Men vordert me in den raad; hoe derf ik mij vertrouwen?
Het is op mij gemunt: daar is wat kwaads gebrouwen.
Men mompelt allerleids. Men strooit een vals gerucht.
Mijn vrienden zijn bezorgd. Men raadt me dat ik vlucht.
Hoe kan een vroom gemoed (gij kentet Hemellieden),
dat niets en is bewust, verstaan tot eerloos vlieden?
Hoe kan een edel hart verzwelgen dat men zegg:
Die droop voor schellem door, voor Trojen in t beleg,
noch dors, gedagvaard, niet zijn zaak voor recht bepleiten,
vermits hij was berucht van schandelijke feiten.
Neen Palamedes, blijf en ho nog liever stal,
al schiet men pijlen uit, gedopt in bittre gal,
zo brandmerk door uw vlucht, uit ijdele vervaarnis,
uw magen tot verwijt, uw vijanden tot vreugd.
Maar beur uw voorhoofd op, en toon dat ware deugd
als d eedle pallemboon, geen last te dragen weigert,
en tegens t zwaar gewicht der lasteringen steigert.
Het onverbreeklijk recht van t oude Griekenland,
d handvesten ooit geschat een dier en heilig pand
de gulde vrijheid die vast treurt en slaat aan t kwijnen,
ik reis aan reis, dus lang, heb tegens t ondermijnen
der bozen voorgestren. Ik blijf haar schutsheer
nog, en voorspraak tegens list en uitgemaakt bedrog.
Zo lang een druppel bloeds zal uit mijn aders leken
zo lang mijn zuivre tong kan zuivre waarheid spreken.
De macht ontbreekt me niet om dit gevaar t ontgaan.
Jupijns manhafte zoon, zijn neef de Peleaan
erbieden zich om strijd met hoge en hailige eden
te keren s veldheers grim en ongerechtigheden,
en mijn onnozelheid in spijt van logentaal
en ziedend-hete wraak door wapenen en staal
te vrijen wettelijk. Maar als ik t overwege;
t is beter dat ik lij dan dat ik mijne zege
met burgermoord bevlek en om hun onverstand
Griek tegens Griek en standers tegen standers kant.
t Is beter dat men ziel verdelge van der aarde,
als t euvel uitwas met den schitterende zwaarde.
Van dat men mij verkoor tot aller vorsten mond,
en als verdediger aan ons gebied verbond,
met diergezworen en verstond ik zo ik t huiden,
hoog nodig voor den staat (hoe schendig zij t misduiden),
en tot verzekering der vorsten in t gemeen,
nog oordeel dat t gezag op t heiligdom alleen
den sceptren toebehoort en vorstelijke banden,
en dat geen tempelier zijn vingers en zijne handen
zal schenden aan dien toom en teugel als een recht
en hoogheid aan s lands staat onscheidbaar vastgehecht.
Het is van aanvang ook bij alle bondgenoten
eenparig zo verstaan, verdedigd, en besloten,
zo drijf k dan niet nieuws of zeldzaams (zo ment noemt),
maar t priesterdom dat slinks het wereldlijk verdoemt.
Genomen ik waar stom en liet dien teugel slippen,
tot wroeging mijner ziele en schennis mijner lippen,
zo niet te duchten staan gewetens scharpe dwang
waaraan gekoppeld is der steden ondergang?
Na et bannen van de deugd, na et grouwelijk bestormen
van raadhuis en van kerk na et endeloos hervormen
van tempel tempeldienst en wat aan t outer kleeft.
Wat raadsheer is zo jong die t niet en heeft beleefd?
De kerkers galmen nog. De kussens en de zalen
ontbloot van grijzen raad het roken van de palen
beschreien hun geweld en t zwaard van bloed bespat.
Hunn dolligheid die spookt en rookt van stad tot stad.
Het hailig parkement, met heerlijk was bezegeld,
betuigt hunn razerij te woest en ongeregeld.
Vergevet mij indien mijn vromigheid, gesart
na zo getrouw een dienst, uw zeren raakt te hard.
De Goden zullen, tot gerechtigheid bewogen,
de klare waarheid eens doen blinken, als de logen
van dIthakois gesmeed, van Calches tong gevijld,
gelijk een damp verstuift en als een rook verijlt.
Men maakt den veldheer diets om ons als kaf te wannen,
als waar men tegens hem met ijver ingespannen.
Daar niemand bet als ik zijne eer gevorderd heeft
hoewel getrouwe dienst mij kwa beloning geeft.
t Is waar: Ik duldet nooit noch zal het niet gehengen
met mijn bestemming dat me onordentlijk ga mengen
t bizonder en t gemeen, twelk groot geschil verwekt.
Het opperste gezag, als hij te velde trekt,
is met gemenen raad zijn scepter opgedragen.
Niet om t bizonder recht der vorsten te belagen,
en deze macht zo wijd te strekken datter en
t bizonder eigendom zo smelten in t gemeen,
en, als een dwingeland, zich in den zetel zetten,
en schenden de van ouds bezworen Griekse wetten.
Hoe kan ik schaamteloos dat onrecht met hem staan
en tegens eer en eed mijn vaderland verran?
t Bezetten mijner tent met meerder tal van wachten
geen wettig voedsel geeft tot allerlei gedachten,
vermits het is geschied door Ajax wijzen raad.
Ik was alre gebrocht in veler hoplin haat.
Men zag nocht hoorde niet als bliksemen en dondren,
men mompelde van moord, bloedstortingen en plondren.
Wat vorst vermag dit niet? Wat raakt het iemands kroon
dat ik voorzichtelijk verzeker mijn persoon?
Dit maakt geen staat in staat gelijk zij lastren darren,
noch strekt niet om het heir door tweedracht te verwarren,
maar wel tot enigheid, dewijl mijn lijfwachts eed
noch tegens t algemeen noch s konings hoogheid streed.
Dat wij de schatkist van s lands middelen uitputten,
waardoor zich t weerloos heir niet langer kan beschutten,
ja, loopt geen klein gevaar van droeve nederlaag,
tenzij men met Priaam zich schandelijk verdraag
is logen en verzierd. t Zo waarheid bet gelijken
waar dit gestrooid om hen die eerloos zich verrijken.
Maar daar en deert het niet. t Is niet zo zeer om mij.
Men tracht den vrijen staat te kwetsen door mijn zij.
Men roept tot slaafsen dienst het vrijgevochten Grieken,
en trekt bedektelijk slagveren uit zijn wieken.
Men gaat de vroomste na opdat men t recht verstom.
De Godsdienst strekt een grijns en t schelmstuk gaat voor mom.
Wat kaal is en berooid tot Agamemnons voordeel
de zaken handhaaft. Niet uit wetenschap en oordeel
maar puur uit eige baat. t Geraas, t gedrang, t gewoel
is om den Hailig niet, maar om den hailgen stoel.
Ik zal gedagvaard dan voor Agamemnon treden
en tegenwoordig zelf den lozen raad bekleden
en uitstaan met geduld het zij ook wat het zij.
Koom lasters logentaal! Ik ken mij zelven vrij.
Koom overjaarde wrok! Koom lang gedreigde wrake!
Ik steun op mijn gemoed en op mijn goede zake.
Ik stap mijn dood te moet. Zij strek t gemeen tot baat
als ik mijn bloed vergiet ten offer voor den staat.

PALAMEDES, AGAMEMNON, NESTOR, DIOMEDES, ULYSSES

PALAMEDES

Ik ben op uw ontbod, beheerser van Mycenen
en overste van t heir, hier in den raad verschenen.
Wat onraad drijft u op en dagvaardt ons bij nacht?

AGAMEMNON

Gij, Palamedes, waart van over-lang verdacht.
En t kwaad vermoeden groeit als of gij met de Phrygen
hadt heimelijk verstand.

PALAMEDES

                                      Donnoosle te betijgen
was ooit geringe kunst en zotte kinderklap,
daar t overtuigen is ene hoogre wetenschap.
Wij hebben niet gemeens met dat meinedig Trojen.

AGAMEMNON

Hoe koomt gij dan berucht?

PALAMEDES

                                            Dat, vraagt hen die dit strooien
tot schennis mijnes naams.

AGAMEMNON

                                        Gemeenlijk, wilt zo gaan,
waar iemand wordt belast daar is een weinig aan.

PALAMEDES

Zo maakt de lastering dan vrome luiden schuldig?

AGAMEMNON

Dat volgt niet. Maar t geroep is nu z menigvuldig
in aller krijgslin mond, en zelfs in Priams stad,
zo dat men vast gelooft daar hapert dit of dat.

PALAMEDES

Onzeker landgerucht moet logen zijn of waarheid.
Dat elk t bedenken schorte en wacht op meerdre klaarheid.

AGAMEMNON

De staat en lijdt het niet. Het leger loopt gevaar.

PALAMEDES

Wat eist dan doppervorst, dat ik de waarheid spaar
en logentaal verdicht en valse strikken breide
mijn eige ziel verworg, en zo van hier verscheide?

AGAMEMNON
Spreekt waarheid. Meld ons fluks wat in dien boezem steekt.
PALAMEDES

Een vroom en oprecht hart dat ware deugden kweekt.
Dat nooit en was gekrenkt door koninklijke giften.

AGAMEMNON

Gij zoon van Nauplius men zal uw woorden ziften.
U-zelven niet bedrieg noch haal geen zwaardre straf
uw misdaad op den hals. Men heefter tijding af.
Heeft Paris met een glay u niet aan boord gelegen?
Ziet! Daar hij staat verstomd! Hij heeft er op gezwegen.
Hij zet zijn doodverw! Hij besterft in t aangezicht!
Het kwaad geweten wroegt! Het schellemstuk beticht
zijn eigen meester. Zo zo zal ik t kluwen krijgen
wij hebben t end alre. Hij staatet toe met zwijgen.

PALAMEDES

Niet schellems sta ik toe, nocht ben in t minst bewust
van meineed of verraad, nocht innerlijk ontrust.
Neen, Agamemnon, neen. Maar ben al heel verwonderd
om dees beschuldiging die in mijne oren dondert.
Ik merk, uw valsheid dingt na mijn onnozel bloed.
Dat moogt ge storten. Maar t vrijsprekende gemoed
uitblussen nimmermeer. Mijne onschuld t hoofd zal heffen
ten golven uit, ofschoon haar lasterbuien treffen.
Is t om mijn dood gedaan. Zo, spaar deze ijdle ren.
Koom koel uw moed aan mij, en leid me daatlijk heen.

AGAMEMNON

Hij maakt zich zelven t zoek. Ja, derf den koning tergen.
Ontkent t bekende feit en waantet te verbergen.
Wij moeten strenger gaan. Voorts brengt de pijnbank hier,
en parst de waarheid uit met water en met vier.
Het is hardnekkigheid. Brengt herwaarts haire koorden
en rekt hem kruisgewijs. Hij past op niemands woorden.
Wij hebben dat wel eer halssterkere verleerd.

PALAMEDES

Dats strijdig tegens recht.

AGAMEMNON

                                        Geen oorlogsvorst zich keert
aan iemands recht of wet. De vorsten vol en dronken
d handvesten nu en dan de Griekse steden schonken.
Hij neemt ze die ze gaf den volke in eigendom.
t Is herengift; een heer die eist ze wederom.
Indien ze ons dienstig zijn wij willen dat ze spreken
maar zwijgen zo ze ons t hoofd met tegenstribben breken.

PALAMEDES

Men heeft er dan vergeefs vaak oorlog om gevoerd.
Vergeefs t aanpalend rijk zijns nabuurs om beroerd
en ijdel op gestoft? Uw vader in zijn leven
sprak dikwijls: Waartoe t recht in parkement geschreven
met letters rood van goud, gestarkt met heerlijk was
wanneer geen burger ooit deszellefs vruchten las,
noch deel had aan t genot. Och overheerde Argiven!

AGAMEMNON

Wij staan op s vijands bom. Mijn willen, mijn believen
is aller Grieken wet. Acht iemand mijne stem
een krachtelozen galm, mijn degen geeft ze klem.
Nu antwoord op ons vraag. Hier geldt geen tegenstreven.

PALAMEDES

Ik ben, heer koning, u nooit antwoord schuldig bleven.

AGAMEMNON

Voorts, rand den booswicht aan. Gij pijnigers, komt voort!
Wat voer ik woordenstrijd met dezen schelm. Hij hoort
noch luistert na mijn ren. Voorts legt hem t vier wat nader.
Daar is niet aan verbeurd al sneuvelt de verrader.

PALAMEDES

Gij heren, ziet voor u! Ik ben in uwe macht.
Gebeurt me leed of smart, dat is geweld en kracht.
Gij moogt met luid gebaar de ruime locht vervullen
maar denkt daar levender die t van u eisen zullen.
Belijdenis door pijn uit iemands mond geparst
wordt zelden vast geloofd, en schoon gij t heelt, het barst
ten dikken muren uit. Hij overtreedt de palen
van billijkheid die zo waant iemand tachterhalen.

NESTOR

Indien het u gevalt, o veldheer, gaat met mij
opdat we ons onderling bespreken aan d een zij.

AGAMEMNON

Wat zet de vader goeds?

NESTOR

Ik zal, grootmachtig koning,
van u niet bidden tgeen mag dienen tot verschoning
van meineed of verraad. Is hier de minste schuld
hij draag verdiende straf en penen met geduld.
Maar dat gij niet en tracht door pijnigen en rekken
een misdaad uit den mond van dezen vorst te trekken,
tot kwetsing van de grootste en van t bizonder recht
des vorstelijken naams, en zo u zelf bevecht.
Men heeft ook op dit stuk nu lang genoeg gedrongen.
Misschien is t giftig spog van bitse lastertongen.
Maar isser anders iet men legge hem dat te last
en geef zijne onschuld plaats.

AGAMEMNON

                                              De booswicht die is vast,
o roem van Neleus stam! Het schelmstuk zal ons scheiden.
Wij vonden t goed hem zo een weinig om te leiden.
Maar of hij t loochnen dorst, al waarder blijk en schijn,
zou dan de pijnbank niet ons jongste toevlucht zijn?

NESTOR

t Geen blijkt dat spreekt van zelf. Wie vuil is moet zich schamen.
Daar vele tekenen een zaak bestemmen tzamen.
Men neem zo kort een weg als me immer nemen kan.

AGAMEMNON

Sleept hier den doden spie. Wat dunkt u van dien man?

PALAMEDES

Het is een zielloos lijf.

AGAMEMNON

                                    Dat is t niet dat we vragen
is t niet de spie die vaak het leger kwam belagen?

PALAMEDES

t Waar mooglijk.

AGAMEMNON

                            t Is hij zelf die dikwijls was gewend
te duiken in de schuw van Palamedes tent?

PALAMEDES

Mijn aangezicht dien mens met kennis nooit aanschouwde.

AGAMEMNON

Uwe ogen zagen hem doen gij hem toevertrouwde
t geheim van brief aan brief, of als hij van Priaam
u schriften brachte en groete in s grijzen konings naam.

PALAMEDES

Mijn hair moet als Megeer van zwarte slangen krielen.
Mijn schimme namaals drage alleen tgeen alle zielen
in donderaardsen poel van Dis is toegedoemd.
Mijn naam die zij een vloek waar dat hij wordt genoemd.
Of, als Prometheus moet ik t leverpikken lijen
indien ik kennis heb aan dees verraderijen.

AGAMEMNON

Spaar uw meinedigheid, o boos verraders hart!
Hoe dat gij hoger zweert hoe dieper gij verwart.
Lees zelf den lozen brief van s konings ring verzegeld
getekend met zijne hand, en vloek niet ongeregeld.

PALAMEDES

Het schrijven is Priaam nocht Hector niet verbon
noch strekt mij tot geen vlek. Gij kentet, goede Gon,
die veer zijt van t bedrog, in uwen troon gezeten
hoe zuiver dat ik ben, en heilig van geweten.

AGAMEMNON

Nu, Diomedes, tuig.

DIOMEDES

                                Wat eist men voor bescheed?

AGAMEMNON

Tuig wat u wedervoer als gij de ronde deedt.

DIOMEDES

t Was over middernacht, de bleke starren vielen.
Eerst ging ik strandewaarts bezichtigen onz kielen,
maar alles was in stilt. Doen namen wij ons pad
na Ida, tussen t heir en tussen s vijands stad.
Van derwaarts hoorden wij t geruis van iemands voeten,
en hielden stal, belust wat of ons zoude ontmoeten:
of spook of dier of mens. t Gerucht kwam nader aan.
Mijn oor begerig ving het ritselen der blan
van t lis en t groene kruid. Bij schemerschu ten lesten
zo worde ik hem gewaar (het dienden Griek ten besten)
en roep: Wie daar? Hij zwijgt en rukt gezwind voorbij.
Ik volg met blank geweer en kwets hem in zijn dij
en vat hem na den kraag. Hij duikt, en of het God gaf,
in t duiken ik den spie steek botteling den strot af.
Met sneuvelt op het veld de schelm en loze dief..
Men rukt zijn boezem op en vindt er dezen brief
waaruit de boodschap blijkt en wien hij was gezonden.

AGAMEMNON

Tot meerdre zekerheid om alles te doorgronden
zo heeft men nagevorst wie deze lagen brouwt.
Wie schelms genoten heeft het vijandlijke goud
en t loos geheim ontdekt. Ulysses, doe ons open
en toon waarme men tracht den krijgsraad om te kopen.

ULYSSES

Ik bidde ontschuldigt mij.

AGAMEMNON

                                        Voorts, open ons den schat,
opdat de zake blijke eer iemand ons bekladt.

ULYSSES

Daar ziet ge, o vorsten, t goud tot ons bederf beschoren,
wiens glans het oog verblindde, en schendig kost bekoren
de vaak beproefde trouw tot zo vervloekt een feit
als ooit is in Euroop bejammerd en beschreid.
t Meinedig Troje voedt met zulk een lokaas wolven
en tigers in ons heir. Dit heeft men opgedolven
daar Palamedes korts zijn leger had gespreed.
Ach! Dat een grootse ziel zich zelve dus vergeet!

AGAMEMNON

Te hoog hij t goed waardeert, die t ijdel werelds goed schat
als waardig om een heir te stellen in een bloedbad.

PALAMEDES

Ik hoor, ik denk, ik zie. Jupijn gij kent mijn wit.
Zo deedt ge, o Themis, ooit, die voor zijn voeten zit,
wiens Godspraak ik bezweer in deze mijn verklening,
dat ze in Boeotin van mijne oprechte mening
getuigenisse geef, zo lang haar Godheid spreekt
en langs hare heilge kerk Cephisus stroomt en leekt.

AGAMEMNON

Wij nemen t voor bekend. t Verraad is ons gebleken.
Ga voorts in hechtenis tot dat er wordt gestreken
een vonnis over t feit. Leg af t meinedig zweerd.
Ontwapent hem terstond. Wat draalt gij? Ik begeert.

PALAMEDES

Dit s openbaar geweld.

AGAMEMNON

                                        Scheidt dezen van de vromen
door scharpe vangenis laat niemand bij hem komen
tot dat hij t rechte loon na zijn verdienste ontvang.

NESTOR

Een die niet denken derf is wonder blode en bang.

REI VAN EUBERS

Alre het dun gezaaid gestarnt
verflauwt en niet zo vierig barnt.
De schaduwe is aan t overlenen.
De nacht het opgeeft. Voor zich henen
de morgenstar drijft s hemels heir.
De voerman van den Groten Beir
opdat hij zijne beurt verwissel
die vlucht met omgekeerde dissel.
De goude Titan rijst alre
met blauwe paarden uit der zee
en schittert over bos en duinen
en Idaas bladerrijke kruinen.
O wellekome morgenstond!
Gij voert hm spelen in den mond
van endeloze zalighede
die rustig, lustig, wel te vrede
beschouwt wat ons nature geeft.
Wat schoonheid in haar aanschijn zweeft.
Wat godlijk wordt door alle haar leden
van t diep verwondren aangebeden.
Die in een liefelijke streek
bij t ruisen van een zilver-beek
zijn landhuis sticht en boerse woning
wat is dat een gezegend koning!
Die niet en vlamt op idel lof
en zijne lusten met zijn hof
vernoegt, en indrinkt met zijne oren
den vooglenzang die zich laat horen
als d uchtenddauw langworpig let
bij druppels hier en daar gespreid,
op rozebladen, vers ontloken.
Wanneer zich opdoen duizend roken
en duizend kleuren voor het oog
van bloemen als een regenboog,
als Iris bruilofs-kleed geweven,
een schilderij die zwijmt na et leven.
Hij plant, hij poot, of hij verzet
belaagt de vooglen met zijn net
of overlenende met ijver
de spartel-vis trekt uit den vijver
met zijn gebogene hangelro.
Of, is hij zulke spelen mo,
hij spant zijn paarden in vor t dagen
en gaat met honden t knijn belagen.
Of rijdt, bij klaren zonneschijn,
door wegen die gestrengeld zijn,
als voormaals der Cretensen doolhof.
Hier bloeit een afgetuinde koolhof.
Daar lacht een beemd een klaverwei,
omsingeld met een bomenrei,
Men legt de koeien-uiers wakker.
Hier zwoegt en ploegt men op den akker,
en ginder hoopt men p t gewas.
Daar zaait men boekweit, ginder vlas.
Hier groeit en bloeit het weeldig koren
omheind met stekelige doren.
Daar spoeit een speeljacht over t meer.
Hier rookt een dorrep. Ginder veer
een slot wil in t verschiet verflauwen
en hoger op t gebergte blauwen.
Ver dwaalt hij van dit leven af
dien donrust nagaat tot in t graf
die tot den avond van den morgen
geknaagd geplaagd wordt van de zorgen.
Van zorge, die niet rusten laat.
Die slaaf wordt van een vrijen staat,
en tot gemene best zal ramen,
en brengen zo vele hoofden tzamen.
Hij wordt gebeten van de nijd
hoe vroom en eerlijk hij zich kwijt.
De tabberd, ik beken, t is eerlijk,
en t kussen deftig en raadsheerlijk.
Maar och wat is t een lastig pak!
Wat moeite nestelt onder t dak
daar ieder vlamt na hoogre stoelen
en allerlei gebreken woelen.
Die ramp vermijdt mijn burgerboer
hij drinkt uit goud nocht paarlemoer.
Geen aconith nocht spog van draken
t welk t hert de ziel doet kwijnend braken.
Ook schuilt hij voor de ponjerts vrij
die achter de tapisserij
den man van staat het lijf ontzeggen,
en zijne voorspoed lagen leggen.
Geen vreze maakt hem t leven zuur.
De gunst des volks dat wispeltuur
en wuft nu strookt, nu stekt, zijne heren,
hij zonder hertzeer mag ontberen.
Van t bedde hij niet wordt geklopt
half suizebollend, nocht men stopt
zijne hand vroegmorgens niet vol schriften.
Men zal zijn ommegang niet ziften.
Zijne huisgon niemands wrok bespiedt.
Men mat hem door veel aanspraaks niet,
noch zit beschanst in zijn pampieren
die door de slaafse zinnen zwieren.
Hij siddert niet voor s priesters stem
die al zijn vuilnis veegt aan hem,
en scheldt zijn landsheer voor een bengel
en veinst zich Gods gezant en engel.
Door zo veel klippen gevaars
door t onweer dat de wichelaars
met lastertongen wekken stedes
drijft dafgesloofde Palamedes.
Zijn schipbreuk ziet men te gemoet
tenzij Neptuin zijn wettig bloed
verschone en aangebeen om bijstand
de zee bezadig met den drijtand.