Joost van den Vondel (1586-1679)

PALAMEDES OFT VERMOORDE ONNOZELHEID.

Treur-spel

DE VIERDE HANDEL.

OATES

O Chalcis! Die de strand bekleedt met praal van huizen,
en telkens zevenwerf hoort in en etmaal bruisen
Euripus pekelschuim, zo vaak met zand vermengd
hij uit d Aegese zee geweld van golven brengt
en steekt zijne hoornen op en komt uwe hoge muren
en Aulis havendiep en werzijds de overs schuren.
O, vaderlijke stad! Hoe luttel voelt ge nog
hoe Argos wrok en wraak en t Cephaleens bedrog
mijn ongerusten geest afmatten en vermoeien.
Hoe vrees en hoop in mij nu ebben, nu wer vloeien.
Ach vader Nauplius! Uwe afkomst is in nood
Men dingt hem na den hals. Hij worstelt met de dood.
Men toetst de lastering. Men schouwt hem vroom, en echter,
men gaat hem na, en stelt zijn vijand tot zijn rechter.
Hij, die de tong, de mond, en schild der vrijheid is;
zijn vrijdom nu ontbeert in zware vangenis.
Hoe kan Ulysses doch een wettig vonnis spreken?
Wiens haat niet lievers wenste als zich aan hem te wreken
van sedert dat hij sleept uitzinnig t ploegespoor
aan strand, doen Palameed het kind leide in de voor
waardoor hij zijne bruid Penelope most missen
om Sparten te geval de schandvlek uit te wissen
van Menelas bed. En namaals als de Thrax
hem afsloeg zijn verzoek en mijnen broeder straks
afveerdigde met graan, doen t schier was omgekomen
heeft d oude wrok allenks in felheid toegenomen.
Meer zaken ik verzwijg. Wat Tydeus zoon belangt:
dat s een soldaat die gants aan Agamemnon hangt
en van zijne handen vliegt. Maar weert vooral, o Grieken!
Dat doch de razebol dien niemand kwalijk rieken
of luchten mag en scharp twee woorden spellen kan
ter vierschaar niet en ga, nocht over zulk een man
nocht over zijne dan een onrijp oordeel stamer.
Zijn domheid wordt beren van onzen vogelramer
Thersites buldert uit wat Calches denkt of droomt.
d Onwetendheid die maakt hem stout en onbeschroomd.
Kortom: loftuiterij en baatzucht zien wij heden,
en loshoofds dommekracht den rechterstoel bekleden.
Dit wichelt mij niet goeds. Mijn broeder is verran.
Zijne haters meesters zijn. Hoe of dit wil vergaan?
Maar zie ik herwaars niet den groten Ajax treden?
Zijn aanzicht is vol viers, hij mort en schijnt t onvreden.
Best zoek ik heul aan hem. O zone van Jupijn!
Wat tijding brengt gij ons? Zal heden zonder schijn
van recht donnozelheid mijns broeders sneuvlen moeten?

AJAX

De nooit verdiende peen en straffe zal hij boeten
t en zij het wordt geschut.

OATES

                                          Wat zal ik best bestaan?
k Ben radeloos. Wat raad?

AJAX

                                          Mijn neef de Peleaan
te Lesbos wordt verlet. t Zijn d Ithakoise treken.
Men heeft met voordacht door d Atryden dit besteken.
Maar zonder dat, wij twee doorhieuwen met ons staal
s gevangens banden zelfs in spijt van logentaal
en valsheid, die doortrapt dit na haar wens beschikken,
en s vorsten brave ziel en wakkerheid verstrikken
met openbaar geweld. Zij willender me voort.
Foei, dat dus Atreus zaad de vorsten ringeloort!
Foei, dat zo groot een man voor zulk een snode vierschaar
betrokken plengt zijn bloed dat naderhand zo dierbaar
zal worden gewaardeerd als t klagen is te laat,
en Griekenland de lucht met luiden wergalm slaat
van klachten en gehuil, wanneer de vlechten hangen
en handen gaan in t hair. De tranen langs haar wangen
afbiggelen bedrukt en t schelmstuk wordt verfoeid.
Maar dat d aartswichelaar geveinsd hier onder roeit
met zijn doortrapte tong en koestert onze plagen
en bakert ons bederf dat s zonde te verdragen.
Dat in zo fel een brand hij voedende olie giet
dat een verlopen Phrygh gants Grieken doet verdriet!
Het lust me ditmaal eens zijn leven te doorlopen.
Zijn vader Thestor hiet. Wiens harsen had doorkropen
t half levende ingewand der dieren, zo hij ze,
en noemde zich een zoon van Phbus en Agley,
en lette op voglezang, op spook, en ijdle dromen,
op drift van God en geest, op t ruisen van de bomen
en s hemels aangezicht in t aldernaaste dorp,
t welk rookte bij het lek, ontrent een slingerworp.
Hier kweekte hij Calches brein en leerde hem deftig klappen
en grollen mengen in landnutte wetenschappen,
en ramen op een hair na d hairen van een dog,
de korlen van een vijg, de biggen van een zog
die rond en zwanger ging, na et maaksel van haar jongen,
en oefende zijn geest op drie- op zeven-sprongen,
en t wettelijk gebruik van woord- en letterkracht,
zeef, bekken, en gebeent. Vaak leidde hij hem bij nacht
op Idaas hoge kruin en starende in de starren
gaf diepe raadsels uit en liet zijn zoon ontwarren
verwarde vragen en ontstrikken knopen daar
een Godschalk Arabier of oud Egyptenaar
of Indiaans Branman om zweten zoude hijgen.
Hier prachte Calches me om nooddrufts eis te krijgen
en bedelde achter land gelijk hij was gewend
tot dat Laocon en Panthus hem in t end
verworven gunst bij t hof. Dit wist hij zo te smeken
door ijdel lof en door t oppronken der gebreken
dat hij verkoren werd aartswichelaar van t rijk.
Doen blies hem hovaard op. Doen achtte hij zich gelijk
een hailig van t outaar en die zo korts ging beedlen
hoonde alle tempeliers en bengelde s lands eedlen.
Zijn trotsheid borst terstond tot boze stukken uit.
Door gailheid hij ontmaagde een streng verloofde bruid,
den brugom te geval. Dit tuigt de grijze Nestor.
Den schimmen vloekte hij toe zijn ouden vader Thestor.
Eens anders bedgenoot, al t eerloos van gemoed,
tot schennis hij verzocht en maakte haar kuisheid vroed,
dat niemand Minos heeft noch Cerberus te vruchten
dat Styx en Acheron zijn moliken en kluchten.
Eurypilus bedekte het overige vuil
zijns meesters, tot zo lang hij bl gelijk een uil
van ieder-een verpikt most Ilium begeven.
Doen kwam hij al berooid in Griekenland gedreven,
aan Agamemnons hof en vlamde op t oud genot.
Uitgevende hoe hij s nachts, door inspraak van den god
Apollo, was vermaand uit Trojens slot en wallen
te vlieden om t ontgaan de dreigende ongevallen
die t stamhuis van Dardaan nu hingen over t hoofd.
Dit nam ons priesterschap zo in en t werd geloofd
van t volk. De faam ging voorts door alle steden strooien
hoe Calches had gezien den hogen burg van Trojen
verweldigd en de wacht in t sluimeren gedood
en vant Palladium Minervaas kerk ontbloot.
De Scese poort beroofd van wijlen konings assen,
t palais met vlam omringd, en t Griekse zwaard verrassen
de stad, van wijn en slaap bedolven, op haar feest.
Ja, tot waarteken nog, hoe zijn ontwolkte geest
de vijandlijke gon, op Ilium gebeten,
zag waren. Pallas, op de kruin van t slot gezeten
met helm en beukelaar, vast drilde haar taaie lans
en schudde haar pluim. Belloon die blies van t torentrans
en stak haar moordtrompet. De vader, heet ontsteken
door wraak, zelf de armen steef, en zenuwen der Greken,
verschafte hun moed, en dreef de gon op den Dardaan,
en op zijn wapenen met kracht en ijver aan.
Zijn wrede Juno met den aangegorden degen
de Scese poort bezetten en hiel alzins de wegen
en toepan veilig langs de zee en waterkant,
en riep met hese keel de krijgslien van de strand.
De vloot gaf drommels uit, den anderen tot bijstand.
Neptuin die schudde vast met zijner gaffel drijtand,
s muurs oude grondvest die zo diepe wortels schoot.
De priesterschap verbaasd en al bestorven vlood
om troost na d outers toe na Godgewijde drempels.
Maar al vergeefs helaas! Zij vonden alle tempels
verlaten van de Gon, van hailigdom het koor.
Zij wierookten te spa. Geen Godheid gaf gehoor.
Daar spookten met haar toorts de wrede razerijen
met slingerslangig hair. Men zag aan alle zijen
de stad ten val gedoemd. Zo raakte hij in zijne eer.
Wat Ilium ontnam, dat gaf hem Argos wer.
De veldheer most zijn tong tot grote kosten huren,
en zelf zijn wreedheid en moordadigheid bezuren.
In Aulis aldereerst, doen, op der vorsten be
en dwang, hij Iphigeen most hailgen Hecate.
Een burger die t mishaagde en aanzag met verwondren
most vluchten en bedrukt zijn huisgon nog zien plondren
door krijslin, heimelijk bij Calches opgeruid,
die ze nog dat dees straf ontstond door Gods besluit.
D Atryden weten t wel dat Thestors zoon een schelm is,
en evenwel vermits hij hun een stalen helm is.
Bij dees gelegentheid misbruiken ze zijn dienst
en boosheid tot hun wit. Maar op het ongezienst
zo zullen ze den boef en booswicht eens verschoppen,
gelijk de kinders doen hunne afgesleurde poppen.

OATES

Mijn broeder heeft den boef gekeken door en door,
van voetzool tot de kruin en kwam zijn lagen voor,
tot der Argiven heil, en hiel met kracht den teugel,
tot hij den enen voet arglistig in den beugel
en, door des veldheers heup, kreeg steun van stegelreep.
Nu doet hij t Dorisch ros eens draven na zijn zweep
en luistren wondergauw na et prikklen zijner sporen,
nu rijdt hij die hem re, en heeft alre gezworen
bij Palamedes dood. Wat raad? De tijd is kort
en hoe men langer draalt hoe t kwaad nog arger wordt.

AJAX

De radeloze neemt het reedste tot zijn voordeel
niet zo hij wil maar mag. Zo Nestor over t oordeel
mocht zitten, mogelijk viel t vonnis niet zo zwaar.
t Was winst genoeg indien wat tijds gewonnen waar.
Zo hem de vierschaar sloeg in endeloze boeien.
Achilles midlertijd die kost eronder roeien,
doplopendheid des volks mocht koelen, s veldheers haat
verzachten. Nauplius zo spreken voor zijn zaad
en wettige erfgenaam en treden ze onder ogen.
Oates! t Voegt u best te dingen voor uw bloed.
Ga Agamemnon aan en grijp hem in t gemoed.
Betuig hem hoe het strijdt met aller rechten orden
dat iemand, wie t ook zij, zal van zijn vijand worden
veroordeeld en verzoek ernsthaftelijk, dat hij
gedoog dat Neleus zoon met doverige drij
ter vierschaar ga. Misschien zal hij t uw be vergunnen
uit schaamte en ook om dat zeer licht drie rechters kunnen
vermeestren s vierden stem. Dits t naaste dat ik weet.

OATES

Ik spoei mij binnen. Och de Atrijden zijn te wreed!
Dies ben ik hopeloos, en vrees een droevig ende.

AJAX

Jupijn uw broeder vrije, en al zijn haters schende.

AGAMEMNON, OATES, LIJFKNECHT

AGAMEMNON

d Eubers krijten vast: wij maken t langs hoe grover.
Het moet er evenwel nu onder door of over.
Hier geldt geen aarzelen. De kans is al gewaagd.

OATES

Gij die als oppervorst de bijl van t leger draagt,
en zijt geboren tot het staf- en scepterzwaaien,
wilt door uwe heusheid doch ons onbenoegen paaien.
De rechters spannen vast de rechtbank en te gar
mijn broeder dreigen met het uiterste gevaar
van t leven, en, van ouds op hunnen vijand nijdig
en hatig dragen zich in t oordeel te partijdig.
Schut deze onbillijkheid en weert ze door uw macht.

AGAMEMNON

Gij spreekt te spa. De zaak is nu te veer gebracht.
De rechters zijn gelot. Hij zal ze erkennen moeten.
Maar vindt gij het goed, men zal tgeen streng schijnt wat verzoeten
met nog een vierde stem. Wij stellen t aan uw keur.
Kies die u best gevalt en draag ons iemand veur.

OATES

Dit ampt voegt Nestor best.

AGAMEMNON

                                          Mijn lijfknecht, zonder beiden
zeg Nestor aan dat hij in t recht den twist help scheiden
en voeg bij dandre drie zijn wijsheid, dat er niet
onbillijks in dit stuk uit toorne en zucht geschied.
Zij wanen ons het werk met listen t onderkruipen.
Maar t is de doodsnak. t Zijn d Eubers laatste stuipen.
De zaak is zo doornaaid en zo bezet in alls
hij raakt er eer niet af, t en kost hem zijnen hals.
De kling die moet er deur hetzij men t recht of krom schouwt.
Ja, eer de rechtbank zweeg, ik goot een tong van stom goud.
Dat honderdogig hoofd, die wachter, ben ik mo,
en Argos Argus haat al waar t maar om de koe
die tot den buik toe treedt in frisse klaverweide.
Ik zie ik zie den beul t zwaard trekken uit der scheide.
Den ouden hondsvot vast staan siddren voor den slag.
Daar let de grijze kop, s lands uitgediend gezag.

ULYSSES, NESTOR THERSITES, DIOMEDES, REI VAN PELOPONNENSERS EN ITHAKOISEN, CALCHES.

ULYSSES

Gij heren die te gar, op Agamemnons heten,
om Palamedes zaak ter vierschaar zijt gezeten;
U allen is bekend het grouwelijk verraad,
gebrouwen tot bederf van den gemenen staat.
En hoe de Euber vorst, uit Nauplius gesproten,
het toegezonden goud meinedig heeft genoten
van koning Priams spie, en listig omgekocht
vele hoplin, en zo t heir al meer en meer gebrocht
in t uiterste gevaar van onder Trojens wallen
vor t krieken van den dag te worden overvallen.
Dewijl de misdaad dan zo klaar en helder blijkt,
ontbreekt er dat er voorts een wettig vonnis strijkt,
en na et begangen stuk den schuldige doe boeten
zijn welverdiende straf. Gij, rechters, zult dan moeten
aanwijzen met uw stem wat hem wordt opgeled
die zich bewegen liet tot zo vervloekt een feit.
Dat Nestor zich verklaar.

NESTOR

                                          Ik wens, genadige heren,
dat wij door t oordelen nocht kwetsen nocht verzeren
den schoon gebloeiden staat, maar dat men liever hel
tot matigheid, als al te streng een vonnis vel.

THERSITES

Wat zet de grijze man? Gij suft o oude vader.
Geen strengheid is te hard. Het is een landverrader
een overgeven schelm! Vindt zulk een bij u heul?
Laat mij er me begaan en hailigt me tot beul.
Ik heb voor lang gewenst den booswicht aan te randen
en tot elks schouwspel hem te villen met mijn tanden.

ULYSSES

Thersites! Ho gemak en spreek op uwe burt.
Gij vader Nestor, dat gij t leger niet gesteurd
wilt hebben nocht gekwetst is lof en prijzens waardig.
Dat, acht ik, zal geschin indien wij, heel rechtvaardig,
afhandlen deze zaak, en laten t recht geschin,
en niemands bloed, nocht stam, nocht mogendheid ontzien.
Want, zo ge deze straf wilt zwakken door verschoning,
en door de vingers zien die t outer en de woning
uit goudzucht heeft belaagd, en dragen u als tolk
van zulk een schendig stuk: gewisselijk het volk
zal tzamenrotten en vergaren in vele hopen
en morren dat men laat de grootste schelmen lopen,
en die handdadig zijn aan klene zonden hard
ter straffe vordert en de go gemeente sart
en als bij d oren trekt. Het krijgsvolk zal ons honen
en roepen dat wij zijn aanzienders van personen,
of dat wij t met hem staan, die zulke netten breidt.

DIOMEDES

Daar dient wel opgelet. Hetgeen Ulysses zet
is niet dan al te waar. Laat dees zijn schuld betalen
eer dat we op onzen hals der hoplin ongunst halen.
Ik zie veel zwarighen en vind mij al bevreesd,
en ducht niet zonder ren dat duizendhoofdig beest
bij dees gelegentheid en onder Trojens vesten.

THERSITES

De vader die wordt kinds. Men houd et hem ten besten.
Wat uitspraak hoeft men hier? Hij brengt zijn vonnis me.

NESTOR

Om t heil van t vaderland, vergunt me deze be,
en bij u-zelven proeft, en overweegt mijn zeggen
of t ongeraden waar dEuber vorst te leggen
in eeuwige hechtenis, opdat men niet en maak
zijn overoud geslacht verblind door hete wraak.
Hij heeft een langen sleep van hooggeboren magen
zijn vader Nauplius, als wij in Aulis lagen,
zich in gedienstighen niet weinig kweet en bood
al wat hij bieden mocht tot redding van de vloot.
En Palamedes dienst ging boven elks vermoeden.

ULYSSES

Voorgaande deugden met een schelmstuk te vergoeden
is Grieken ongewend. En schandelijke daad
wist alle weldan uit. Voorlede vroomheid baat
geen mense die van aard verwisselt en verwandelt,
zich aan t gemeen vergrijpt en met den vijand handelt.
Noch reeks van oud geslacht nocht stam nocht adeldom
en wordt hier aangezien, noch buigt de wetten krom.
Want raakte dit in zwang en waar die dag geboren
wat zouder tegens staan? Zo liep de staat verloren.
En om in hechtenis te brengen Palameed
t heeft veel bedenkens in, en strijdt met onzen eed
voor-eerst die ons verbindt dat zulk een mens moet sterven
die schuld heeft aan verraad en al t gemeen bederven.
Daarna, zo kan geen plaats verzekeren genoeg
een vorstelijk persoon. Men tracht of spade of vroeg
naar zijn verlossing, en men zoekt de wacht te krenken.
Men houdt het vaderland in onrust en bedenken.
Men graaft de muren door of draagt hem in een kist
voor boeken uit. Men veinst, men hangelt, en men vist
om torens en om gracht, of eer men het kan rieken
krijgt een gevangen heer gelijk een vogel wieken.
En over zee en zand zweeft heen door dope lucht
als de Cecropische Dedael zich gaf ter vlucht
en van zijn vangenis waarin hij zat versteken,
ontbonden, past zijn leed en ongelijk te wreken
hetgeen hij waant en droomt dat zich is aangedaan,
en derf al wat hij denkt aangrijpen en bestaan.
Meer dingen ik verzwijg die stonden te bezorgen.

NESTOR

Ontsla u van die vrees door vaste en wisse borgen.

DIOMEDES

Wat borge is mans genoeg?

NESTOR

                                          Achilles geef zijn woord
en Ajax. Wel wat s dit? Wie komt ons hier aan boord?

THERSITES

Het is de go gemeent.

NESTOR

                                    O goddeloze treken!

THERSITES

Wat zegt gij? t Is het volk dat heeft er in te spreken.
Wat zet er t leger toe? Koomt geef uw oordeel dra.
Zal Palameed de landverrader sterven?

REI

                                                                Ja

CALCHES

Dat is de stemme Goods. Gij rechters neigt uwe oren
en stemt met uw gemeent of vreest der Goden toren.

ULYSSES

Men lever hem den volke.

DIOMEDES

                                          Ik stem t.

THERSITES

                                                            Thersites ook.

NESTOR

Argivische landouw, mijne ogen zien den rook
opgaan van uwen brand. En Calches ondertussen
die wiegt het volk in slaap, en niemand tracht te blussen
het vier dat in zijne as vast smeult en heimlijk smookt.
En die u hoeden zo. Die is het die dit stookt,
en uit bizondren wrok geeft voedsel deze vlammen.
Roemt op geen lange rij van oude-vaadrenstammen
op hoven schoon van bouw, noch steden trots van muur.
Men sloopt, men slecht, et al op deze onzalige uur.
Men velt gezwind ter ner wat langzaam is geklommen.
Gaat Grieken! Rukt om veer die zuil der vorstendommen,
den Atlas die t gebied met zijne schouders schraagt,
en onverwikkelijk dat groot gevaarte draagt,
die onlangs heeft gevrijd uw dierverpande steden.
Gaat Grieken! Smoort de ziel van uw gerechtigheden.
Verworgt uw trouwsten raad in zo veel ongevals,
uw vrijheids voorspraak. Rukt de tong uit zijnen hals.
Mijn ziele smelte aan lucht, en Pylus mijne benen
ontvange, eer dat ik hoor der Grieken val bewenen.

REI VAN EUBERS

Ach! Waartoe of der Goden onbescheid
befaamde deugde hier rust en vre ontzet,
en, zonder staf en aarzelen, doet gaan
zo steil een pad, zo wild en woest een baan,
door kreupelbos, door wegen, ruig begroeid
en onbestraat. Daar elke stap vermoeit.
een arbeidzaam hardvochtig man geteeld
om barrevoets geschoeid te gaan met eelt.
Daar vrouw natuur gezaaid heeft scharp gesteent
dat zweten doet zelfs reuzen langgebeend.
Daar me eenzaam dwaalt, daar zonder spoor of pad
voor t oog geen spits verrijst van vlek of stad.
Zo zwaar een weg van s Hemels hogen trans
dreef Junoos wrok den bastaardzoon haars mans
geweldig in t geklater van haar zweep
van kindsbeen af zijn grove krachten sleep.
Voor deerste proef t wicht met zijn handjes greep
twee slangen aan, die t fluks te barsten kneep.
De voster schepte haar doodverw, en zag stom
s kinds vuistjens zwart van adders om en om.
Zijn stiefmor stag raast op Alcmene beus
als zij hem ziet van Hydra, leeuw, en reus
van Diomeed, Busyr, en stier, en beer,
en Kakos moord met zege komen wer
en gespen tot verwondring zijner eeuw
om zijne borst de slang en fieren leeuw.
Geharrenast onvergeleken held
met die hij vreesde en moedig had geveld.
Wat gruwelijk, wat schrikkelijk gedrocht
lucht, zee, en aarde in t licht te voorschijn brocht
dat let gekneusd. Elk Hercles daden prijst.
waar Phbus glans verguldt s aardbodems lijst.
De faam zijn roem voert over alle zen
zijn godheid wordt kerkplechtig aangeben.
Van daar de zon de beide Moren verft,
tot daar ze daalt en in de baren sterft.
Maar endelijk zo breekt hij met zijn knots
ter poorten in des onderaardsen Gods
der schimmen rijk na boven openlag
t sprietoogt er al geslagen van den dag.
Van derwaarts hij opdondert onversaagd
en voor zich heen den zwarten rekel jaagt.
Viert kort en vlijt de kreten met zijne hand
waarmede hij fors den driekop lede aan band.
Met zweem de zon en t licht ontzonk zijn ziel
en als een kleed de nacht op t aardrijk viel
van schrik en vrees. Hij dreef den grouwel voor
en voerde hem zo de Griekse steden door.
Zo had de vuist van Hercules geklemd.
Men zag nu aarde en onderaards getemd
als hij zijn hoofd door s hemels nave stak
en onderschoorde het licht gestarrend dak.
Alcides deugd genoot dit tot haar loon
dat hij omhoog met d eeuwigheid der gon
omtogen werd, en slaande t hoofd omleeg
rook t wierook dat van d outers opwaarts steeg.
Alcmenaas zoon, die zulk een glorie kreegt,
wat baatet dat gij t aardrijk hebt geveegd
van ongediert van menigen tiran,
en dat de gon u bruikten tot hunn wan?
Als sedert uw vergoding dopperhel
na ouden aard wat grouwzaam is en fel
wer heeft geteeld en rokkent enkel kwaad?
Als t onkruid wer vertreedt het edel zaad?
Och, of gij nooit van ons gescheiden waart!
Och, hadt gij doch gestaakt uwe hemelvaart!
Zo zou onz borst niet zuchten na omhoog
noch tranendauw nerbigglen uit ons oog.
Zo zouden wij niet derven d oude vreugd,
noch treurig zien hoe d hooggemelde deugd
zo overvals beticht wordt en beklad.
Hoe t hailig bloed t meinedig zweerd bespat.
Hoe doppervorst en aller guiten tolk
dat edel brein ten rove geeft aan t volk
t welk opgeruid door vorst en priesterhaat
in zijn bederf met blijschap weien gaat.
Nu raast en woedt donwetende gemeent
en onze staat voorbochtig overleent.
Thans, als me ontwaakt en slaat zijn dolheid ga
komt na berouw en klagen veel te spa.
Thans, als s mans deugd na logens, mist en damp
opbeurt het hoofd en blinkt als s hemels lamp,
dan zal t gehuil betuigen wie hij was.
Maar te vergeefs bevochtigen zijne as.


[Derde handel][Inhoud][Vijfde handel]