Joost van den Vondel (1586-1679)

PALAMEDES OFT VERMOORDE ONNOZELHEID.

Treur-spel

DE VIJFDE HANDEL.

BODE, OATES.

BODE

Vervloekte, afgrijselijke en derelijke moord
verfoeilijk schellemstuk. Waar heeft men ooit gehoord
van zulk een grouwel? Kan den hemel dat gehengen!
Wie zag doorluchtig bloed ooit schandelijker plengen?

OATES

Die neÍrlaag ons verhaal. Vertel van stuk tot stuk
mijn broeders uitgang en beklaaglijk ongeluk.

BODE

Zo fluks de rechters na veel overlegs, ten leste
hem gaven ís krijgsvolks grim en hevigheid ten beste,
teeg al de Pelopese en Itakoise schaar
naar ís opperhoofdmans tent en legerplaatse, daar
men Palamedes hiel verzekerd en gevangen,
en paap Eurypilus hem sterkte, om zijne gangen
te strekken na de dood, getroost en wel gemoed.
Met zo spreekt Calches: ĄGij die onzer aller bloed
en leven op een prijs gezet hebt, en u merklijk
bezondigd en misgaan aan ít wereldlijk en ít kerklijk;
de goedige gemeent die vordert u tot straf.
Uwí jongste tijd is hier dus breekt dit marren af.Ē.
díEubeŽr vorst die rees van daar hij was gezeten
en sprak: ĄO mannen die verhit zijt en gebeten
op mijne onnozelheid wat is dit voor eení wijsí,
dat veertigjaarge dienst en zo veel slavernijs
met stortinge van bloed vergolden wordt in ít ende?Ē.
Zij kreten: ĄLandverra‚r! Jupijn uwí meineed schende!
Gij hebt uwí vonnis weg!Ē. Hij zweeg en trad voor heen.
Zijní rechte zijde kwam dí aartswichelaar bekleÍn,
de slinke Eurypilus, en schenen zich tíerbarmen.
Een Cephaleens soldaat recht voor hem op zijne armen
ít kwansuis meinedig goud droeg in eení beukelaar.
Zo ging hij moedig en met voegelijk gebaar
bedrommeld en bestuwd van krijgsliÍn en van trossen
en vorderde zijn tred na Idaas hoge bossen.
Een heuvel rijst er aan den voet des bergs die schuin
groeit als een schouwtoneel. Van wiens verheve kruin
en toppunt, als de vloot werp ít anker in deze haven,
eení kerk, de zon gewijd, gesierd met rijke gaven
verstrekte eení baak in zee. Vermits de God die korts
voor dí ooster gevel braaf te prijk stond met eení torts,
wiens goude flonkervlam natuurlijk scheen te lichten,
en dag te zenden op der mensen aangezichten.
Nu leÓt dat schoon gebouw geschonden en ontsloopt
en dí hailge stenen hier en ginder opgehoopt
de vorige heerlijkheid bestenen en beschreien.
Onsí krijgsvolks moedwil in die godenpraal ging weien
en brandde en blaaktí et al. díAartswichelaar stond stom
en loeg om ít plonderen van Phebus heiligdom
en grenikte als hij zag hoe ít schuim der mensen vailig
een schouwspel maakte van den Phrygiaansen hailig.
Deze eertijds een gewijde en afgekeurde plaats,
nu een verspogen vloek, na ít woeden des soldaats.
Ten vadermoord gedoemd met grouwelijke woorden.
Vast grimmelt van het volk dat zwart van allen oorden
hier dringt en tí zamenschoolt. En Idaís steilheid leeft
van mensen, daar de berg een open uitzicht heeft
op dezen heuveltop. Ontallijkheid van zielen
in zijní cypressen en geboge takken krielen
en beven in de bla‚n. Wat isser een gewoel!
Een ieder heeft zijn wit. Dees draagt zich stil en koel
in ít wereldlijk beloop, noch weet wat hij zal wensen,
en om te kijken volgt slechts ít spoor van andre mensen.
Die braakt zijní gal en scharpt zijn tong gelijk een pijl
en bootst in ít spreken na den priesterlijken stijl
en scheldt en is vol viers en groeit in ís naasten schennis,
en wordt al heel bereÍn van ijver zonder kennis,
en dorst na íet edel bloed. Een ander ruim zo flauw
in tegenijveren. Uit vreze van het grauw
zich intoomt en met rouw het treurspel komt bekijken
en ít voorspel tot bederf der Europese rijken.
Een enig zwijger weegt de wereld in eení schaal
ís volks zotternij belacht en treurt om ís lijders kwaal.
De domme menigten hare handen tí zamenklappen
met dat hij als een leeuw grootmoedig aan komt stappen
en klimt den heuvel op eer dat hem iemand vergt.
En, staande op ít opperste na íet rijzende gebergt,
dat statig aanzicht wendt waarmeÍ hij onbezweken
plag in Mycenens zaal voor ít hailig recht te spreken,
en voor den Grieksen staat te dingen met zijn tong.
Het nieuwsgier volk door ís mans vrijpostig wezen hong
in twijfel of hij met den hals zijní schuld zoŻ boeten
dan of men door genade het vonnis zoŻ verzoeten.

OATES

Mijní borst die klopt en schrik mijne aandacht breekt en stoort.
Doch vaar gij niet te min met uwí vertelling voort.

BODE

Zo staande in ít openbaar, met opgerechten hoofde,
ĒO mannenĒ, zeid hij, ĄOf uwe heusheid nooit geloofde
al ítgeen de valsheid heeft van landverraad erdicht,
dat was mijns harten wens. ík Heb volgens mijnen plicht
gants vroom en ongeveinsd en opentlijk gehandeld
en sterf een oprecht Griek, gelijk ik heb gewandeld.Ē.
Uit had hij, als daarop van wederzijden hem
de priesters bij de goŰn verbaden met hunní stem
en steenden overluid. Na íet sluiten der gebeden
zo weken ze af verbaasd en gaven zich beneden.
Hij, met zijn dienaars hulp, getroost en wel te moÍ
bereidde zich ter dood, en tot de middel toe
ten halven lijve naakt, in ít uiterst van zijn lijden
zijní lijfknecht oorlof gaf die treurig trad ter zijden
na dí alderjongsten dienst. Daar stond de deugd, gesierd
met ware onnozelheid. Van ít lelijk ongediert,
begrenen en begrimd de beestelijke krijgers.
Van mensen nu vera‚rd in luiperden en tijgers
van reedlijkheid ontkleed bezeten van de wraak
en felste razerij, beving een grager smaak
na íet goddelijke bloed. Zij knarsten op de tanden
de gramschap zag men uit hunní dreigende ogen branden,
die gloeiden vreselijk, gelijk als kolen viers
en nu verkropt van toorne ontzind en vol getiers
en vloekens als den haat hunní krachten had geslepen
De grouwelijke beuls en duivels stenen grepen
en bliksemden met macht op dezen vromen vorst.
Ik zag den eersten steen afstuiten van zijní borst.
Den tweeden van den slaap zijns hoofds en hoorde klinken
den slag van ít bekkeneel. Ter-stond verging hem ít blinken
van ít eerlijk zilverhair. Dat achtbare gelaat
werd jammerlijk van bloed besprenkeld en begaad.
Met zeeg hij zwijmend neÍr. De godvergete boeven
die hagelden zo lang tot dat ze hem gants begroeven
en smoorden door ít gewicht van stenen meer en meer.
Gelijk als Bacchus rei ging razende te keer
den zoeten harpenaar (die vogelen kost lokken
en dieren en ít geboomt) met tortsen, stenen, stokken
en morzelden zijn vlees met allerlei geweer.
Zodanig was het end van dezen wijzen heer,
als ít reukeloze volk toevliegende op ging krabbelen
het bloedig puin en om de wrede stenen grabblen.
Des uit nieuwsgierigheid en die uit enklen haat
opdat zijní dolligheid en moordlust werd verzaad.
Veel dooptender in ít bloed de vocht bezwete doeken
en wrongen ít uit in wijn en zopen ít op met vloeken,
en noodden juichend tot dí onmenselijke feest
hunní spitsbroÍrs van die God en zelven tuimelgeest
gedreven en geraakt. Den hemel strook uwí zinnen
met troost om door geduld dat onheil te verwinnen.

OATES

Grootvader, legt ge dood in díafgrond, nochí gevoelt
uwí Godheid ít ongelijk uws naneefs? Koom, en spoelt
en was het aardrijk weÍr van de oude grouwelvlekken.
Uwí gramschap kost weleer den bergen kruinen dekken
en, tot uw broeders wraak, de mensen en het vee
(Doen Pyrrhe en haar gemaal niet zag als bare zee)
verdrenken en verdoen. Uw hoofd nu op wilt steken
en toon u log noch traag om straf en streng te wreken
u zelven en uws bloeds geleden smaad en hoon.
Koom, handhaaf uw geslacht en díoude sluierkroon
van koning Nauplius, opdat er door uw oordeel
nog blijk dat godenzaad heeft boven andre voordeel.

OATES, NEPTUYN

NEPTUYN

Mijn zoon, die ít broederlijk en deerlijk ongeluk
besteent, schep moed en toom en matig uwen druk.
Zijní dood, zo onverdiend als staat- en landbederflijk,
roept wraak en maakt zijní naam roemruchtbaar en onsterflijk.
De dappere Ajax en Achilles blijven stout
bewaarders van het lijk, tot dat men namaals houdt
zijne uitvaart, als zijne as met tranen wordt begoten
van Cadmusí borgerij, de schreiende Boeoten.
Wanneer de toeloop van ít bij hem verdedigd volk
zijní sterflijkheid verzelt ter onderaardse kolk
verwelfd met elpenbeen, verdekt met marmorzarken,
daar Themis antwoord geeft en in haarí kerk der kerken
het wierook voor haar smookt, dicht aan de voeten van
dí aanbedelijke Maagd, men dezen groten man
een goude pronkbeeld recht. De Griekse joffers bringen
en lenen tot deezí praal hare afgestreke ringen.
Alrede zie ik staan den hailig hallef naakt
vrijpostig als een held die voor de vrijheid waakt,
betekend door den hoed, bewaard zo zorrigvuldig
met dí ene, dí andre hand (aan Trojens goud onschuldig)
dí handvesten toevertrouwd ít gewijde parkement,
en zegels gadeslaat opdat ze niemand schend.
dí Eerwaardige Godes ís mans deugden schijnt te vieren,
en dekt zijní grijzen kop met hailige laurieren
terwijl hem vreeslijk lijf en leven wordt ontzeÓd
van ít grimmig ongediert op zijne onnnozelheid
(gemat van ouderdom en veertigjarige worstlen)
als op eení vetten roof met opgesttreke borstlen,
met manen vers geschud en muilen opgespard
gebeten en verhit. Zijn fiere moed die tart
ít vierspouwen van den draak, ene onrust zijner eeuwe,
het huilen van den wolf, het brullen van den leeuwe,
ít schuimbekkende everzwijn, het naar geloei des stiers,
het grijnzen van den beer, ít gebries eens tigerdiers
en ís luiperts tandgeknars. Zo leeft zijní faam de jaren
en eeuwen door in spijt der vadermoordenaren,
die Phoenix zijner tijd! En hoe de nijd mťer bast
hoe minder hij versaagt, hoe hoger dat hij wast.
ít Is billijk dat zijn roem en lof ten grave uit zwelle.
∆oliŽn hem wijdt en hailigt een kapelle
en jaargetijdig feest, en zet op ít hoogoutaar
zijn beeltenis met zang en deftig kerkgebaar.
De priesters met hun pracht en blinkende gewaden,
hem offrende, halen op zijne herelijke daden.
Maar groot is ít jammer en beschreÓlijk ít ongeval
ít welk om ťen vrome ziel gans Grieken treffen zal.
Groot is de ellende daar zijne haters zich in wikklen.
Mijn neef, uw vader gaat met geile minne prikklen
der koninginnen en prinsessen eenzaam bed
wier bruidegoms de krijg voor Trojen houdt verlet.
Wier poezelachtig vlees, door ít lang ontberen welig,
de wellust kiest voor schaamt en draagt zich overspelig,
en heelt zijní kitteling en lonkt, en streelt, en kust
en onderlingen brand met zoet omhelzen blust,
versmaadt der mannen trouw, om ít puik der jongelingen.
Onerelijke galm van spelen, dansen, zingen
door ít gulden welfsel rolt. En Venus strooiter ít zaad
om neÍrslag, bloed en moord en alderhande kwaad,
om tranen en gehuil te maaien en te oegsten
om vorst en vorstendom en rijken te verwoesten,
en ít dolende overschot met twijfelige stap
te zenden over zee, en zand, in ballingschap
zo verre en zo uitheems dat nieuwsgier ít volk komt gapen
en dut of ít mensen zijn of zeker slag van apen.
Achilles gramschap slacht Thersites met eení vuist.
De moord slaat Diomeed voor Trojen. ít Water bruist,
en raakt aan ít zieden als mijní grimmigheid verbolgen
haarí vinnen van zich steekt, waarop de stormen volgen
die Agamemnon in het keren met zijní vloot,
afeisen rekening van Palamedes dood
en ít bloed mijns bloedverwants, en pijnigen ít gewissen
des fellen moordenaars, die enkle duisternissen
met rode stralen viers en kromme bliksems ziet
gespouwen en doorkloofd. en met zijne oren niet
als schorre donders hoort en ijselijke slagen,
en drijft onwetende na Samos door de vlagen,
in ít eeuwig schuimend graf van Icarus, en looft
den zaligen Priaem voor ít hoog outaar onthoofd,
vergeet zijní zegefeest, en vangt vol schriks en bevens
met zijn gehoor ít gekraak van stevens tegen stevens,
van zijde tegens zijí, scheepskielen tegens kiel.
Des vaders Nauplius met zwart verkroopte ziel,
die op de EubeŽr kust ít weÍrkeren van de Greken
alreÍ geroken heeft, eení fakkel doet ontsteken,
en licht in zee van ít slot, dat steil en hoog gebouwd
op ís bergs verheve kruin van wederzijds beschouwt
een íbare zee, wier diepe en holle waatren woelen,
dí eilanden allezins en vasten grond bespoelen.
De stuurliÍn van de vloot, verlokt door deze toorts
zich geven derwaarts aan, daar ze al te zamen voorts
in plaatse van de nood en lijfsgevaar tí ontslippen
vervallen in ít gedruis der Capharese klippen
en ít luidende gehuil van zo verbolgen vloed
die stadig barnt en op de blinde klippen woedt.
Daar houdt gerechte wraak dí ontrampeneerde schepen
verlet door ít scharp gesteent, als van hare hand gegrepen,
of met eení dijk beweld van zand dat hallef drijft,
en door gebrek van vloed hen sloopt en stukken wrijft,
of, achter driftig, vůor gestrand op harde kaien,
of stoot ze aan splinters door den draaistroom in het zwaaien.
De schippers vloeken dí onherbergelijke reÍ
en haten ít droge land, en roepen om de zee,
wiens hese en schorre keel door ít naar gehuil der mensen
(dat ijdel en vergeefs met bedeloft en wensen
mijní gramschap paaien wil) wordt over ít vlak verdoofd.
Ulysses evenwel, en ít wrongkroondragende hoofd,
ontslippen dit gevaar, gespaard tot leider treurspel,
daar gener schipbreuk van ít voorspooksel is en ít veurspel.
ík Zie Clytemnestre alreÍ geveinsdelijk en blij
onthalen haarí gemaal, en Argos borgerij
haarí vorst met wŗre vreugd begroeten en ontvangen.
De lucht geslagen wordt met fluiten en gezangen.
De kerken gaan ter feest. De koninklijke zaal
wordt statig toegerust met overdaad van praal.
Banketten recht men aan, hoedanig, voor hunní tranen,
de jongste maaltijd was der blijde Phrygianen.
Het tafelbedde blinkt van ít Iliase paars
en ís purpers glans vermeert bij toorts en wassekaars.
ít Goud van Assaracus verzwelgt de Griekse wijnen
en godenlekkernij. De koppen vol robijnen
het sterfelijk gezicht en dí ogen scheemren doen.
ít Goud recht er wildbraad aan, en Pauw en Kallekoen.
Hij-zelf leÓt hoog en prat en munt door zijn sieraden
voor andren uit, met bonte en spikklige gewaden,
en draagt aan ít lijf de pracht en kleding van Priaam.
Zijne eegemaal bezweert hem bij ís verwinners naam
dat hij ít versiersel doch zijns vijands af wil leggen
voor beetre wisseling. Licht is hij te gezeggen
om ít handwerk aan te doen der lieve bedgenoot.
Onkundig van ít gevaar der korts aanstaande dood.
Verschrikt nocht siddert niet! Een balling om zal brengen
den vorst der koningen. Een overspeelder plengen
en spillen ít bloed eens mans. Zijn slachting zal geschiÍn.
Het jongste disgerecht zijní heer zal bloeden zien
Het rode vocht den wijn bespatten. ís Konings leven
van Argosí koningin ter neÍrlaag wordt gegeven.
Het aangetogen kleed dat weigert en ontzeÓt
zijn handen doorgang. Dies hij zwoegt en arrebeidt
en lucht zoekt, maar vergeefs. De schoten ruim van vouwen,
en zonder opening zijn hoofd besloten houwen.
De sufferds gants verwijfd hem in de lenden steekt.
Maar overmits de moed in ít kwetsen hem ontbreekt
het mes ten halven keert. De vorst begint te worstlen
en als in ít wilde woud het boszwijn, ruig van borstlen,
gegrepen van het net nochtans tí ontvlieden tracht
en alzins uitkomst zoekt en woedt met domme kracht
gants ijdel en vergeefs vermits het vol verschrikken
door ít woelen enger maakt de loze jagerstrikken.
Zo woelt en tracht hij ook bedompeld om het vals
en blindgeweven kleed te worpen van den hals,
en, in den wijden schoot en plooien ingewikkeld,
alom zijní vijand zoekt ankstvallig aangeprikkeld.
De dochter van Tyndaar al woÍnde en razend straks
verzelt den gruwelmoord gewapend met ene aks
en als men aan ít outaar op plechtige offerfeesten
vůor ít slachten met der bijl eerst merkt den nek der beesten
en stieren alzo mikt ze en wikt ze haarí felle vuist
dan ginder dan weÍr hier en neemtíet wis en juist.
Hij leÓt er toe de schelm! Weg heeft hij ít! ít Is geklonken
met dezen dwingeland wiens wreedheid heeft gedronken
ít Neptuniaanse bloed zo gretig en zo hels.
ít Hoofd, kwalijk afgehakt, hangt aan een lapken vels.
Hier vloeit het schuimend rood, daar grijnzen mond en ogen.
Cassandra, vol van God, ter zaal komt ingevlogen
en met haarí rozenhoed den lijke de uiterste eer
bewijst en kranst den romp. Zij gaat ze fluks te keer
met dí akse warm van bloed en dekt den zielelozen
met zijní geroofden buit die, vallende, de rozen
en frisse bloemen kreukt en verwt den marmorvloer.
ĒLeg!Ē roept de moorderes, !Ēleg daar, O koningshoer!
O schandvlek van mijn bed! O kranker van goÍ zeden!
Dat hebdij voor uwí lang gepleegde vuiligheden!Ē.
Het daatlijk juichende hof en vrolijke paleis
geeft nu eení naren galm en is vol moordgeschreis.
Electra zwijmt van schrik en ankstig voor haar moeders
verwoedheid bergt gezwind dí onnozelheid des broeders
door Phocius den oom. Zij zelve, in duisterheid
en vangenis bemuurd, een treurig leven leidt,
tot dí overspeelder haar, om achterdocht te schouwen
doet met eení akkerman als eení boerinne trouwen.
Ter tijd toe dat de wraak de moordenaars verrast
die als ze in Pallas kerk de grote goden vast
met blijschap offren om Orestes overlijden
besprongen worden en benard van alle zijden.
De smart geeft wapenen aan dochter en aan zoon
de moedermoord bespat het aangezicht der goŰn
die toornig en verhit om ít schendig kerkontwijen
dagvaarden staande voets de felle razerijen
met biezend slangenhair en ijselijk gegrim.
De neÍrslag knaagt hun ít hart. De moederlijke schim
gewapend met eení torts hen nastapt door den tempel.
Zij vlieden voor en zien de vloeken op den drempel,
zijn aller mense vloek om zulk eení grouwelmoord.
De daken stieren ze ongehuisvest altijd voort.
Dat leert na hailig bloed van godenkinders dorsten
tot in het derde lid! Ik ga den val der vorsten
en koningen voorbij.
Ik zwijg hoe Griekenland
veroorzaakt moord uit moord, en mengelt brand in brand
en uitroeit stam met stam, geslachten met geslachten.
Door schennis schennis boet, verkrachten met verkrachten
en aan ít gewijde slaat zijní vingers onbesuisd
en in zijní boezem wroet, terwijl Ulysses kruist
de zeÍn veel jaren lang van ít pekelschuim bedolven
gesmeten herrewaarts en derwaarts met mijní golven
gesold gerold door zoet en zuur door heet en koud
geweekt van ít nat, gebra‚n van hit en zoor van ít zout.
Nadat hij is ontslipt de Capharese lagen
de winden hem aan dí onherberglijke overs jagen
van ít forse TraciÍr volk, daar Hebrus koude vliet
zijn water loost en in dí∆gese baren giet.
Van derwaarts wederom na dí Africaanse kusten
daar zijn gezelschap zich ter neÍr wil slaan en rusten,
verlokt door ít lekker ooft. Dan naar Trinacria
in ít hol van Polipheem den Cyclops die te spa
zijn dronkenschap beklaagt, omdat hij nu in ít duiken
en ít rijzen van de zon eenogig niet mag bruiken
den zienelijken God en ít aangebeden licht.
Dan twee maal daar ∆ool zijní zetel heeft gesticht
en over buien heerst en breidelt dwarrelwinden.
Dan weÍr na Antiphaat ooit hongrig om verslinden
het rauwe mensenvlees waar hij ít bekomen kon.
Dan bij de toveres, een dochter van de zon,
die haarí verspieders fluks verscheppen kan in zwijnen
en dí Ithakois verlet drie-honderd zonneschijnen
tot dat ze in ít scheiden zich met Telegoon vertroost
in wiens schoon aanschijn zweeft en leeft haar boelschaps kroost.
Van derwaarts wendt hij ít roer naar dí Oceaanse baren
en daalt daar onderaardse en doodse schimmen waren.
Dan wederom zijn schip aan Circes oorden stiert
daar met lijkstacy hij Elpenoors uitvaart viert.
Van hier langs dí oevers der zoetzingende Sirenen
die onder navel vis en boven maagden schenen.
Ik zwijg hoe hij ít gevaar van Scylle en van Charybd
haarí draaisroom barning kolk en woest gesteente ontslipt,
de rotsen wit van schuim en grondeloze afgronden
en ít blaffende gehuil der blauwe en zeegroene honden
en landt daar PhaŽtuse haar vaders beesten hoedt
die ít hongrig scheepsvolk slacht wiens zonde Ulysses boet
met schipbreuk, als hij naakt, tot berging van zijn leven
na negen dagen bij Calypso komt gedreven.
Die, als hij is ontrukt de kaken van de dood,
hem zeven jaren stooft en koestert in haarí schoot
en leert den Griek met min te stoken en te lessen,
hoe zoet dí omhelzing is, en bijslaap de godessen
ter tijd toe dat ze eení zoon en schone dochter teelt.
Deze op de moeder trekt, die is zijns vaders beeld.
Na dat hij van haar scheidt (en zij ít niet kan ontzeggen)
en ziet PhśaciŽn met blijschap voor zich leggen,
ik mijnen drietand rep en breek zijní nieuwe kiel.
LeucothoŽ die bergt zijn half verzope ziel
de strand ontvangt hem naakt. Hier schuilt hij in de bladen.
De koninklijke maagd meÍdogende gewaden
verschaft den vreemdeling begaan om Peneloop.
Hij vindt zijne eegemaal ten laasten met eení hoop
verliefde vrijers, die vast na haarí kuisheid dingen
besingeld en omheind, en koomt ze stout bespringen
en stort hen overhoop en valt na lange ellend
in dí armen zijner bruid. Maar voor het dreigement
der heilge godspraak (die hem waarschuwt voor zijní basterd)
bevreesd, ontzinnig hij de grote goden lastert
en zich bezijden ís weegs in eenzaamheid versteekt.
Ter tijd toe Telegoon door Circes zorg gekweekt
belust tí aanschouwen eens het aangezicht zijns vaders
hem onbekend verwondt en doodlijk kweetst in dí aders
met een vergiftige en daartoe bescheerde doorn
waaraan de booswicht sterft en blust Neptunusí toorn.

OATES

Grootvader, vlucht ge uwí zoon en laat ge hem in dit lijen
getroost met woorden en met schone profecijen
en mart ge met uwí wraak? O vader! Wat zal ít zijn?
Het menselijk geslacht wordt welig. Op, Jupijn!
Den hemel wordt bestormd, beklommen van de boosheid
der nieuwe reuzen. Op, en bliksem hunní Godloosheid.

PRIAAM, HECUBA.

PRIAAM

Dit ongeluk is hem voor ons te spa beschoren.
Waar dit wat eer gebeurd, nooit hadden wij verloren
zo veelí beroemde steÍn tot nadeel van ít gemein.
Nu, Griekse wijsheid, loop en raaskal zonder brein.
ít Huis van Assaracus heeft zelve Pelops handen
den grootstten vijand der Trojanen aan zien randen,
en onder ít deksel van meinedig landverraad
zo schendig doemen. Vaart nu wel, O Grieksen staat!
O radeloze macht die in uwí degens strompelt,
droomt van geen Trojen meer. Waakt om niet overrompeld
te worden nochí verrast van Hectors schittrig staal.

HECUBA

Die zegen dauwt op ons uitís hemels milde zaal.
De goden tonen zich op heden goedertieren.

PRIAAM

Ik wil dat hof en stad op deze tijding vieren.

REI VAN TROJAANSE MAAGDEN

Trojaanse wijdberoemde jeugd
zingt Pallas lof en juicht van vreugd
en eert met kerkgebaren
haarí drempels en outaren.
De feestelijke schare dansí
en schuddí voor haar den lauwerkrans.
Dat maagdelijke pruiken
in groene olijven duiken.
En ít hair met zilver niet vertuid
nochtí paarlesnoer, maar als een bruid
den witten hals beklede
en dekkí na dí oude zede.
Dat AziŽn te zamen schoolí
ít zij die op dí oevers an Pactool
ít goud scheemren zien en blinken
of die Meander drinken.
Of treÍn CaÔsters boord, die wit
van langgehalsde zwanen zit
die in de zuivre plassen
haar blanke pluimen wassen.
ít Zij ít volk van Sagaris besproeid,
die dí ankers schuurt en bochtig vloeit.
ít Zij ítgeen verdreven balling
nocht voeder heeft nocht stalling
voor Griekse kleppers, en met druk
vlood herwaarts om Achilles juk
en heerschappij te schouwen
in veilige landouwen.
En voor CaÔcus Xanthus koor
en dí Iliase vesten voor
Lyrnes wiens zwakke muren
geen stormen en verduren.
Wekt hailgen galm, en huwt uwí keel
aan luit en zangerige veÍl.
Wilt heldre stemmen paren
met spel van wind en snaren.
En trekt met goddelijk geluid
de blijde ziel ten oren uit,
gelijk met maatgezangen
gij Paris gingt ontvangen.
Doen op het water rei aan rei
met vreugd ontmoette zijní galei
en welkom hiet van harten
de schone bruid van Sparten,
die Proteus brandde met haar min
en uitblonk als een zeegodin.
Zo Venus kwam bepereld
in ít parlemoer ter wereld.
En doen de schoonheid van Heleen
niet sterflijks maar eení zonne scheen
die sierlijk uitgestreken
het hoofd eerst op komt steken,
en in het zilver van den vloed
haarí goude pruike schittren doet,
en in ít kristal ít vergulsel
ziet spieglen van haar hulsel.
O dochter van den dondergod,
Minerve! Gij bewaakt het slot
van uw godsdienstig Trojen.
De vijanden verstrooien
en Agamemnon zuipt verwoed
zijn trouwste raadsmans edel bloed.
Het leger gaat zijní speren
nu tegens Argos keren.
Mycenen, van verstand beroofd
haar wijsheids bekkeneel doorklooft
en langs het veld loopt scharsen
met dí uitgetogene harsen.
Stads grootste vijand voor de poort
leÓt van zijn eigen volk vermoord.
Lof lof zij u godesse!
O strijdbre krijgeresse!
Voor u glamt ít vrolijke geschrei.
Voor u klinkt ruispijp en schalmei!
Voor u gehuwde vrouwen
en jonffers feestdag houwen
en met vermengde reien treÍn
na wit albast en marmorsteen.
De priesters op uwí drempels
ontsluiten alle tempels
zo fluks ít godinnebeeld genaakt
dat over Dardans stamhuis waakt,
de scharen na u tochten
en zijn met loof bevlochten.
Stokoude grijzerts, levens zat
hunní wens deelachtig, komen mat
u offerwijen brengen
en sidderende plengen.