Joost van den Vondel (1586-1679)

PALAMEDES OFT VERMOORDE ONNOZELHEID.

HET INHOUD.

Palamedes, de zoon van Nauplius, Koning van Euboea, was door zijne langdurige en getrouwe diensten en zonderlinge wijsheid en voorzichtigheid, in zulk een aanzien en grootachtbaarheid gekomen bij de Griekse vorsten ende de koningen-gebroeders, dat er zonder zijnen raad niet werd besloten, ja, dat men de gewichtigste zaken op zijne wakkerheid en ervarentheid liet aankomen en berusten. Maar alzo hij gestreng en onbuigelijk was, in ít voorstaan van der Vorsten en Steden hoogheden, handvesten, en gerechtigheden, zo kon hij ít zo nauw niet mikken, of Agamemnon liet zich dunken dat zijne eer door dezen man ůf enigszins gekwetst, ůf niet na behoren gevoorderd werd, waardoor hij enen afkeer van hem kreeg; hetwelk de Priesters en wichelaars, en in-zonderheid Calches, gewaar wordende, zochten dien onlust bij Agamemnon te voeden, alzo zijlieden zich in zaken die den Godsdienst en hunne hoogheid en hailigheid betroffen, niet weinig gekwetst hielden. Palamedes evenwel liet niet na den Myceensen koning te begunstigen in al hetgeen wat hij behoudens eer en eed vermocht; gelijk hij dan beneffens andere goede diensten bevorderde, dat hem het opperste beleid des Trojaansen tochts werd opgedragen, en met gemene stemmen Veldheer gemaakt. Sedert geviel ít, dat Ulysses (om van den optocht ontslegen te zijn, nochte de tegenwoordigheid zijner gemalinne Penelope te derven) zich zot veinzende, de strand ploegde: waarover hij achterhaald werd van Palamedes, die Telemaach, des ploegers zoontjen, in de vore leÓde; hetwelk de vader vermijende te kwetsen, zo is de schalkheid daardoor openbaar geworden; waaruit Ulysses, van dien tijd af, mede oorzaak nam om hem te haten. Namaals, als Ulysses na ThraciŽn gezonden was, om graan voor ít leger te halen, en ledig wederkeerde, werd Palamedes derwaarts geschikt, die, met geladen schepen afgeveerdigd en, het heir spijzende, prijs inleÓde. Hierdoor is Ulyssesí wrok in ene doodlijke vijandschap veranderd, en heeft, om zich te wreken, den gesteurden Agamemnon (die nu ůf na meerder gezag, ůf na díopperste Hoogheid stond) nog wijders, zo door zich-zelven, als door Calches en andere, misleid en opgehitst; voorgevende dat de EubeŽr niet anders voorhad als de Argolische heren te verschoppen, en Achilles tot de eer van ít veldheerschap te verheffen en in te dringen. Na dat nu door deze onenigheid, gedurende het bestand, de vorsten en hoplieden hierover gedeeld waren, en allerlei achter denken onder het lichtgelovig volk was uitgestrooid en de domme gemeente geblinddoekt, en bekwaam gemaakt om logen voor waarheid, en valse voor oprechte munte te ontvangen, zo brouwen Ulysses en Diomedes, met kennisse des Veldheers, enen aanslag, om glimpelijk en onder schijn van recht, Palamedes van kant te helpen; hetwelk aldus toeging: men bracht door Agamemnon te wege, dat Palamedes van legerplaats verwisselde. íS anderen daags daarna, als Ulysses zekeren schat van goude penningen begraven had, ter stede daar Palamedes eerst zijne tenten spande, zond hij enen Trojaen, zijnen gevangen, met enen brief, om dien heimelijk te bestellen aan Palamedes: maar de bode werd bij Diomedes, die op hem paste, onderschept, om hals gebrocht, ende in vollen krijgsraad gesleept, daar de brief gelezen werd: waarin Priam vermeldde van het gezonden geld, en hem steef tot het voorgenomen verraad. Het meestedeel der vorsten, ziende ís vijands hand en zegelring (die konstig nagebootst waren), hielden het verraad voor waarachtig, te meer, alzo zulke geruchten lang onder het volk gemompeld hadden: enige twijfelden; enige wisten beter; en alzo hierover twist rees, zeide Ulysses, men zoude zulks niet eer geloof geven, voor dat men het stuk hadde nagevorst, en de penningen, daar de brief af vermeldde, bij den verdachten gevonden. Dit werd zo besloten, en de schat ontdekt zijnde, werd Palamedes in hechtenis verzekerd. zijne doodvijanden stelde men over hem tot rechters, doch ter bede werd Nestor hun, om welstaans wille, nog toegevoegd. Als zij nu vast over ít oordeel bezig waren, kwam Calches, vergezelschapt met het bij hem opgestookte grauw, ende de krijgslieden, den welken men dezen beschuldigden (na dat de gemeente zijne dood gestemd had) overleverde, die hem als enen openbaren verrader uitleidden ende stenigden. Oates, de jonger zoon van Nauplius, met rouw getroffen door ít verhaal van het deerlijk ombrengen zijns broeders, valt klachtig aan Neptuyn, den Zeegod: die, het hoofd ten golven uitstekende, hem vertroost met de ere, die het onschuldige lijk volgen zal, en voor ogen stelt wat plagen en ongelukken Griekenland en den Vadermoordenaren over ít hoofd hangen. die van Trojen vieren over de dood van hunnen vijand Palamedes. Het toneel is in en buiten het Griekse leger, voor en om Trojen.