Joost van den Vondel (1586-1679)

PALAMEDES OFT VERMOORDE ONNOZELHEID.

Treur-spel

VOOR-REDEN.

    Die tot staat, en ampten beroepen wezende, ijvert voor ít gemeen beste, zet goed en bloed in de weegschaal om het gemeen beste: want vermits de weg ter deugde, in zeker aanzien, steil en moeielijk valt, wordt hij van weinigen gezocht, veel min bewandeld; overzulks munten deugdelijke personagien voor andere uit, en worden van de gemeente geliefd en als aangebeden, zo lang de zelve van hare voogden en vaderen gezond oordeelt. Tegens de zulke kanten zich altijd die hun bizonder boven het gemeen welvaren stellen, en om alle hinderpalen weg te nemen, trachten bij alle middelen der vromen naam en faam hatelijk te maken; hetwelk dan, overmits hiertoe stof ontbreekt, niet kan geschieden, als met slinkse afwegen, tot geweld en valsheid, log en bedrog in te slaan. De mensen, die de meestendeel onervare zijn, en op mensen steunen, of nutshalven, of om zucht die zij den dezen of dien toedragen, of uit licht betrouwen, laten zich lichtelijk misleiden van geveinsde en bedriegelijke voorgangers, en nog lichter alser zaken onder gemengd worden, die ít hailige betreffen; onder welks momaanzicht de boze Heidenen (ik roer gene Christenen) wonderlijk hunne personagie hebben gespeeld, en tot nadeel van de vrome raadsmannen ende de lichtgelovige en wispelturige gemeente, treffelijke winsten gestreken. Evenwel, gelijk het der rechtvaardigheid als eigen is verdrukking te lijden, alzo is haar ook als enen troostelijken loon bijgeleÓd, dat hare onnozelheid niet onderdrukt blijft, maar bij alle eerlijke nakomelingen doorbreekt, en in waarden gehouden ende gevierd wordt. Onder de overoude kan hiervan getuigen de Griekse Palamedes, dien wij op het NeÍrlandse toneel brengen; want na dat hij zo schendig, onder het deksel van met den vijand gehandeld en penningen genoten te hebben, bij ít gemene volk hatelijk gemaakt, en door Agamemnon en Ulysses, tot ene onherhalijke schade en bederf van gants Griekenland vermoord was, zo heeft zijne onnozelheid en oprechtigheid, na het verdwijnen der logenen en lasteringen, hoe langs hoe meer, tot schande en verstrooiinge zijner beulen en moordenaaren, doorgebroken; even als de Zonne, dewelke, na het verstuiven der nevelen en dampen, wederom opklaart, en te voorschijn komt; gelijk dit veersken zeÓt, dat de Zeegod

Collectasque fugat nubes, solemque reducit.

Dat is:

Verjaagt de wolken, die zich dik te zaamí vergaren,
En weer met zonneschijn den Hemel op doet klaren.

En zonder dezen troost en beloninge zouden de vrome (die als pilaren nog de wereldse staten en gezelligheid der mensen staande houden, en onderschoren) dikwijls onder hunnen last, en in de aanvechtingen, die zij voor het gemeen beste lijden, bezwijken; daar zij nu, hierdoor gesterkt zijnde, nog menig-maal de stormen en onweren manhaftig ende met ene wonderbare standvastigheid uitstaan; gelijk wij hiervan een voorbeeld hebben aan den geduldigen Socrates, die, beschuldigd ende ter dood veroordeeld wezende, om dat hij vreemd van de Griekse Goden gevoelde, zich, na Xenophons getuigenis, met Palamedes aldus troostte en sterkte: Paramytheitai díeti me kai Palameedees, ho parapleesioos emoi teleuteesas. eti gar kai nun polu kallious hymnous parechetai Odyssťoos tou adikeoos apokteinantos auton. Dat is zeggen: Daarbeneffens vertroost mij Palamedes, die ene gelijke dood gestorven is als ik; want hij nu schoondre lofzangen verschaft als Ulysses, die hem onrechtvaardelijk om het leven brocht.

Overzulks is het gemene beste niet weinig gehouden in de geschichtschrijvers, poŽten en redenaars, die de beroemde helden hebben onsterfelijk gemaakt door hunne geschriften, zonder de welke zo vermaarde en loffelijke daden, met den grave, en ene eeuwige vergetelheid, zouden overstolpt blijven; daar nu hunne geheugenis en glorie nog vele dappere mannen uitlevert, en hen ter deugde aanprikkelt, wanneer zij overwegen, hoe

Indomita virtus colitur, & toto Deus
Narratur orbe; zo veel gezeÓd:
Voor díongetemde deugd men wierookreuken kweeket,
En van zo groot eení God de gantse wereld spreekt.

Als mijne Treurzangeres tochtig was, om iet wat treffelijks te rijmen, zo heeft ze Palamedes uitgepikt, eení man die bij Griekse en Latijnse schrijvers zo hoog geroemd wordt. Diogenes LaŽrtius getuigt in het leven van Socrates, dat Euripides, die wijze dichter en Goddelijke teurspeelder, zijnen Palamedes op het toneel brengende, die van Athenen hunne moordadigheid, gepleegd in het ombrengen van Socrates, bedektelijk aldus verweten heeft; Ektanetí ektanete tan pansophon tan ouden algunousan adona mousan. Philostrates, die het leven van Palamedes beschreven heeft, gedenkt mede in zijnen Ulysses dezelve woorden, en voegt er dit volgende nog bij: kai hoti peisthentees anthroopoo deinoo, kai anaidei logoo, tauta drasejan. Hetwelke wij in rijm aldus aaneenschakelen:

Gij hebt, o Griekse schaar! verstoord
Den zoeten nachtegaal vermoord,
Een zanggodin, in allís verzocht
En wijs, die geen verdriet aanbrocht;
En hebt, geblinddoekt altemaal
Door díonbeschaamde logentaal
Eens wreÍn tirans, vol bitterheid,
Bedreven zo vervloekt een feit.

Daar hebt gij een treffelijke getuigenis gehoord van dezes Vorsten wijsheid, heerlijk uitgedrukt door den Goddelijken bijnaam PANSOPHON: gelijk Xenophon, die Socratesí leerling en tijdgenoot geweest is, hiermede overeenstemt in ít vierde boek der gedenkweerdige zaken, daar hij Euthydemus doet spreken: Maar hebt gij niet gehoord van Palamedesí rampzaligheden, dien ze altemaal roemen, dat hij, om zijne wijsheid benijd, door Ulysses omgekomen is? Dezelve Xenophon, in zijn 10de boek van de Jacht, zeÓt, dat Palamedes, doen hij leefde, zijne tijdgenoten in wijsheid verre te boven ging. Zijne rechtvaardigheid ende onnozelheid blijkt niet minder als zijne voorzichtigheid, gelijk wij alrede hebben aangewezen; en Philostrates, in het leven van Apollonuis Tyaneus, doet Tespoin, een Overste der school-sophisten, in zijn gesprake van rechtvaardigheid, aldus spreken: Als ik bij mij-zelven overlegge ítgeen Palamedes voor Trojen, en Socrates te Athenen overgekomen is, zo dunkt mij dat de rechtvaardigheid bij de mensen kwalijk onthaald wordt: want deze, die de alderrechtvaardigste waren, zijn met de hoogste onbillijkheid bejegend, ja, alleen op vermoeden van boze feiten omgebrocht, als men buiten recht het oordeel over hen velde.

Virgilius, in zijn tweede boek van ∆neas, getuigtíer dit af:

Fando aliquid si forte tuas pervenit ad aureis
Belidae nomen Palamedis, & inclyta fama
Gloria: quem falsa sub proditione Pelasgi
Insontem, infando indicio, quia bella vetabat,
Demisere neci: nunc cassum lumine lugent.

Dat is:

Zo mooglijk koutsgewijze u iet ter oren kwam
Van Palameed, geteeld uit Koning Belusí stam,
Beroemd van naam en faam, die zonder schuld most sneven
En onder schijn van ít loos verraad bij hem bedreven,
Opít overschendig blijk ter grouwelijke dood
Van Grieken werd gedoemd, mids hij den krijg verbood:
Nu dees voor ís Hemels licht geloken heeft zijne ogen,
Betreurt de Griek zijn lijk, te spa met rouw bewogen.

Wij komen tot Ovidius, daar Ajax Ulysses dit te kauwen geeft:

Vellet & infelix Palamedes esse relictus;
Viveret aut certe lethum sine crimine haberet.
Quem male conviccti nimium memor iste furoris
Prodere rem Danaum finxit, fictumque probavit
Crimen: & ostendit quod jam praefoderat aurum.

Dat is:

Dí onzaalge Palameed met recht mocht wensen MeÍ,
Dat nooit Ulysses waar getogen over zee:
Hij zoŻ gewisselijk op dezen dag nog leven,
Of had, zo vals beticht, den geest niet opgegeven;
Wien dí overtuigde, en al te wrokkende Ithakees
Opdichtte ít loos verraad, en endelijk bewees
ít Gedichte schellemstuk: ontdekkende de gaven,
En ít goud dat hij íer zelf te voren had doen graven.

Voorwaar, na mijn oordeel heeft Naso dit geestig in zijne Transformatie te pas gebrocht, overmits dit aartsschelmstuk eigentlijk tot de herscheppinge of verschoppinge behoort. Dictys Cretenzer, die den Trojaansen oorloog zelf bekleed en in de Punische tale beschreven heeft, gedenkt in zijn tweede boek beide deze deugden van Palamedes met deze woorden: alzo is die uitnemende en in den leger aangenamen man, wiens raad nochte vromigheid nooit vruchteloos geweest waren, schendig omgebrocht, als hij besingeld was van zulke die het alderminst betaamde. Dat de Phrygiaanse Dares zeÓt, dat Palamedes door de hand van Alexander of Paris vechtende omgekomen is, verdient geen geloof, overmits hij hierin van het gemene gevoelen afwijkt. Roept men, dat Dares in den krijg tegenwoordig is geweest; wij stellender Dictys tegen. Het is ons genoeg dat Dares hem afmaalt: wijs, manhaftig en lieflijk, en dat hij getuigt dat de Argiven in den leger Palemedesí wetenschap, billijkheid, zachtmoedigheid, en goedheid betreurden. Daar is ook weinig aan gelegen, of weinige schrijvers meer verschillen in de maniere zijner dood: dat, na Pausaniasí zeggen, Ulysses en Diomedes hem verdronken, of, zo Dictys aantekent, dat die twee hem in een put stenigden. Immers, wat er van is, Ulysses en Diomedes worden na het algemeen gevoelen voor de schelmen gehouden, die dezen aanslag gebrouwen hebben; waarbij aanmerkens waardig is hetgeen Dictys getuigt, dat er waren, die zeiden: dat Agamemnon niet onkundig was van dezen aanslag, uit liefde die hij hadde tot het Veldheerschap, en omdat het meestendeel van palamedes begeerde geregeerd te wezen, en opentlijk uit zeiden, dat hem het opperste gebied toekwam. De zelve Dictys schrijft elders: dat alle de Griekse Vorsten Agamemnon vervloekten, en van hem afweken, om dat hij Apolloís Priester, Chryses, zijne dochter, die hij wellusts halve misbruikte, wigerde, en ook om dat Ulysses en Diomedes, niet zonder zijnen raad, let hierop, hadden vermoord Palamedes, die in den heire zo bemind en aangenaam was. Ook staat ons waar te nemen hetgeen Dares getuigt, dat Palamedes, terwijl het bestand was, den Vorsten meermaals aandiende, dat Agamemnon niet waardig en was Veldoverste te wezen. Maar of iemand zihc verwonderde, waarom Homerus dezen vader des vaderlands zo stilzwijgende voorbijgegaan is, die zal weten, dat de poŽet hiertoe noodzakelijk gedrongen was, om zijnen dolenden Ulysses niet te brandmerken; waarom Philostrates, in het leven van Apollonuis, wel te recht zeÓt, dat Palamedes gene grotere vijanden gehad heeft, als Ulysses en Homerus: vermits die hem lagen leÓde, waardoor hij gestenigd is; maar dees niet weerdig geacht heeft, met enen woorde zijnen lof aan te roeren. Wat onheil den Grieken, om en sedert Palamedesí dood, overgekomen is, gedenkt Dictys Cretenser in zijn zeste boek, Hyginius in zijn 116e hoofdstuk, Euripides in zijne Helene, en Electra, Seneca, de Latijnse Treurspeelder, in zijnen Agamemnon. Ik zwijge, dat Xenophon, in zijn tiende boek van de Jacht, uitdrukkelijk de Goden tot wrekers van dezes mans dood maakt; alzo, dat de Pelasgen met recht klagen mochten:

Impius ex quo
Tydides, sed enim scelerumque inventor Ulysses
Fatale agressi sacrato avellere templo
Palladium, cśsis summś custodibus arcis,
Corripuere sacram effigiem, manibusque cruentis
Virgineas ausi Divś contingere vittas:
Ex illo fluere, ac retro sublapsa referri
Spes Danaum, fractś vires, aversa Deś mens:
Nec dubiis ea signa dedit Tritonia monstris.

Dat is:

Maar sedert Tydeusí zoon die goddeloos bestond,
Met díIthakois, ťen tuk op schelmerijen-vond,
ít Palladium, bescheerd tot heil of ongelukken,
Uit Trojens Godgewijde en hailge kerk te rukken;
Na dat zí, op ít opperste geklommen van den borg,
De wachters hieuwen neÍr, en dorsten zonder zorg
Aangrijpen ít hailig beeld, en met bloedverwige handen
Aanroeren Pallasí pruik en maagdelijke banden;
Van doen af is vervloeid aller Argiven moed,
En díhoop die zeeg en ging te-rug door tegenspoed,
Hun macht gebroken is, en ís outers gunst geweken:
Minerve gaf hiervan geen twijfelachtig teken.

Na dat dees treffelijke man zo schendig van de Grieken vermoord was, zo hebben Achilles en Ajax zijn lichaam ter aarde gedaan, op den oever van ∆oliŽn, niet verre van Trojen, wij hebben in dit treurspel zijne uitvaart gehouden in BoetiŽn, in de kerk, daar het wijdberoemde en overoude orakel of de Godspraak was der Godesse Themis, aan wiens voeten wij hem een gouden pronkbeeld rechten; dan dit zal men de poŽtische vrijheid toegeven, alzo Philostrates zeÓt, dat die van ∆oliŽn hem ene kapelle hailigden, en een beeld toewijdden, an de gestaltenis eens manhaftigen en grootmoedigen mans, wien de inwoonders daarontrent, op zekere dagen des jaars te zamen scholende, offeranden toebrochten: zo dat de Mosopische treurspeelder wel te recht zingt in zijne Andromache:

Ou toi leipsana toon agathoon
Androon aphaireitai
Chronos ha díareta
Kai thanousi lampei.

Dat is:

De tijd en heeft nooit weggenomen
De naam, en ít overschot der vromen;
want na dat zij zijn overleÍn,
Zo blinkt hun deugd voor ieder-een.

Maar wij vallen mogelijk den Lezer verdrietig, met al te lang enen voor-reden en zeggen nog om kort te maken, dat indien den letter-kundigen hierin iet vreemds of ongerijmds voorkoomt, die zal weten dat wij ons daarin gedragen hebben na het letter-kunstig besluit, daarvan wettelijk tíAmstelredam bij enige dichters gemaakt: en wat de spelling belangt, alzo ons besluit daarvan niet en rept, en dit in elks vrijheid staat, zo hebben wij meest den gemenen sleur gevolgd, uitgezeÓd in weinige dingen, overmits wij tot nog toe nooit ons zelven daarin hebben konnen voldoen, ook achtende dat er zo veel niet aan gelegen is, als (met verlof) zich sommige wel inbeelden.