Joost van den Vondel (1587-1679)

INLEIDING TOT HET PASCHA

„Wanneer wij,” zegt Van Lennep, „dit eerste voortbrengsel van Vondels tragische Muze toetsen wilden aan de regels, die ’t zij Aristoteles, ’t zij een nieuwere dichtschool den vervaardiger van een drama gesteld heeft, dan zeker zouden wy ons verwonderen over het gunstig onthaal, dat het by zijn verschijning genoot, en over den lof, die er zelfs door mannen van kunde aan werd toegezwaaid. Maar het is niet naar zoodanigen maatstaf, dat wy het Pascha te beoordeelen hebben. Veeleer moeten wy, in de eerste plaats, vragen: wat heeft de schrijver willen leveren? – en hoe heeft hy zich van zijn taak gekweten?

Het antwoord op de eerste vraag vinden wy in de Voorrede. Zijn doel is geweest „eene oude Historie wederom te ververschen ende voor alde Werelt op ’t Tooneel te stellen”: en zijn wensch „dat het met soodanighe vruchtbaerheydt ghelesen werde, dat het ghedije tot prijs van den heylighen ende ghebenedijden Name Godts.” – Uit deze woorden en uit de ontwikkeling van des schrijvers meeningen en bedoelingen, zoo als wy die in de Voorrede vinden, blijkt genoegzaam, dat hier niet te denken valt aan een dramatisch werk, gelijk de Schouwburgen ze thands opvoeren en waarvan het voorgewende doel leering, het hoofddoel doorgaands niet veel meer dan bloot tijdverdrijf is. Het Pascha is veeleer te rangschikken onder de zoogenaamde „Mysterie-spelen”; het is de voorstelling van eene dier merkwaardige gebeurtenissen, in de H. Schrift vermeld, en waarin Gods macht en leiding meer byzonder openbaar zijn: en wel een zoodanige voorstelling, welke zich niet bepaalt noch by een dor verhaal, noch by een bloot aanschouwlijk maken van het voorgevallene, doch waarby dicht- en redekunst (toen nog onafscheidbaar van elkander) haar bystand bieden om op het gevoel en op het verstand van hoorder en lezer te werken, en hem, door aandoenlijke schilderijen, beschrijvingen, vermaningen, dialogen, zangen, te boeien, te vermanen, te stichten: waarby al de omstandigheden, die het bezongen feit vergezeld hebben, in een helderder daglicht gesteld, en de lessen die er uit af te leiden zijn, uitgebreid en ontwikkeld worden.

Maar behalve het doel door den Schrijver in zijn Voorrede opgegeven, had hy er nog een, waarvan hy niet uitdrukkelijk gewach maakt, doch dat daarom niet te minder ontwijfelbaar is, het zinspelen namelijk op de verlossing der Nederlanden van het Spaansche dwangjok, eene gebeurtenis, nog versch in ’t geheugen liggende, en die reeds het voorwerp van menige dichterlijke uitboezeming geweest was. Het stuk, welken naam hy daaraan ook geven mocht, waarover nader, was in den grond een gelegenheidstuk, en hieraan mag grootendeels de opgang, die het maakte, worden toegeschreven. Wanneer ook wy het uit dat oogpunt beschouwen, wanneer wy het stellen naast de voortbrengselen van andere, in hun tijd zeer geziene, ja zelfs gezachvoerende Leden der Brabantische Kamer, b.v. naast die van Colevelt, Kolm, enz., en het dan vergelijken met de mysteriespelen, die voor Vondel of zijnen leeftijd opgevoerd zijn geworden, dan zullen wy vertrouw ik, niet kunnen nalaten een meer gunstig oordeel over zijn eersteling te vellen: – vooral, wanneer wy in aanmerking nemen, dat hy in de oude Letterkunde nog een vreemdeling was, en dat hem van de nieuwe, waarschijnlijk, buiten de spellen der Rederijkers, geene dramatische voortbrengselen bekend waren dan die navolgingen uit Spaansche en Italiaansche stukken, waarvan de vorm en samenstelling reeds toen zijn van nature klassieken aanleg tegenstonden, en welke hy wijs deed niet tot voorbeeld te nemen.”

In alle uitgaven wordt het Pascha gevolgd „Verghelijckinge vande verlossinge der kinderen Israels met de vrijwordinge der vereenichde Nederlandtsche, Provincien.” Ook in deze uitgave volgt het gedicht op het treurspel. Naar aanleiding van dit gedicht zegt dr. Leendertsz, terwijl hij het in dat opzicht niet met Van Lennep eens is: „Is dan het Pascha een politieke allegorie? Geenszins. Tevergeefs zal men ook maar een enkelen regel zoeken, waar de dichter meer aan Nederland dan aan Israël gedacht heeft. Vondel wilde niets anders schilderen dan de verlossing der Joden uit de Egyptische slavernij, om aan te toonen, dat God de zijnen niet verlaat, dat Hij de verdrukten te hulp komt, al moeten zij om hunne zonden eerst de beproeving lijden. Maar evenals zijn kunstenaarsgeest werd medegesleept door het echt tragische in den Pharao, zoodat deze eigenlijk de hoofdpersoon in het treurspel wordt, zoo moest hij ook wel getroffen worden door de Overeenkomst in de geschiedenis van Israël en Nederland. Wel was dat geen splinternieuwe opmerking: integendeel werd de vergelijking tusschen die twee volken zóó vaak gemaakt, dat het haast een gemeenplaats was. Maar juist dientegevolge is deze overeenkomst hem misschien eerst volkomen bewust geworden, nadat hij zijn schildering van de verlossing der Joden voltooid had. Doch toen greep zij hem zoo machtig aan, dat hij ze in een „afzonderlijk gedicht duidelijk uiteenzette.”

Wij vestigen nog even de aandacht op Van Lennep’s beschouwing van het eerste Deel:

„Alvorens wy van dit eerste Deel afscheid nemen, mogen wy niet nalaten onze oplettendheid te vestigen op de menigvuldige anakronismen, welke wy er in aantreffen: tot welke rubriek van anakronismen Wy mede mogen brengen, de talrijke fouten, welke de dichter begaat by het schilderen van zeden, gewoonten, godsdienst en wat meer zij van dien aart. ’t Is waar, van de fabelkunde der Egyptenaren was, toen het Pascha geschreven werd, hier te lande nog maar weinig bekend, en het is Vondel niet zoo zeer kwalijk te nemen dat hy er slechts een verward en duister begrip van had, en daarom enkele reizen van Izis, Oziris of Serapis, maar meer algemeen van de personen der Grieksche en Romeinsche mythologie gewaagde. Met dat al „een dichter,” zegt Bilderdijk in zijn Aanteek. op Huygens, „moet alles verstaan,” en wie zijn stof uit een bepaald tijdvak en by een bepaald volk zoekt, mag in zijn voorstelling niet te pas brengen wat niet in dat tijdvak of by dat volk t’huis behoort. By ons afkeuren mogen wij echter niet vergeten, dat de dwaling, waarin Vondel verviel, door het noemen van Grieksche en Romeinsche godheden in een stuk, dat in Egypte onder de Faraoos voorvalt, nu veertig jaren geleden naauwlijks zou zijn opgemerkt, toen mythologische benamingen als die wy in het Pascha aantreffen, van Ceres, van Lethe, van Phœbus, van Neptunus, ) van Palinurus, werden beschouwd, het burgerschap ook in onze taal te bezitten en bloote synonymen te zijn van: de Aarde, de Vergetelheid, de Zon, de Westewind, de Zee, een Stuurman in ’t algemeen, enz. En dat Vondel zelf, althands meermalen, die benamingen in gemelden zin opneemt, blijkt daaruit, dat hy b.v. Mozes, die zeker niet aan Ceres geloofde, echter van haar spreken laat als van de godin van den oogst.

Maar wat anakronismen zijn van erger natuur, is het vermelden van een poolster, die zeker in Egypte niet gezien kon worden, van een compas, ’t welk Vondel weten kon, dat eerst eeuwen later was uit gevonden, van twelf Joodsche stammen, ofschoon nadenken hem by zijn bybelkennis geleerd zou hebben, dat de naam van Joden d.i. afstammelingen van Juda, eerst na de Babylonische Ballingschap een algemeene volksnaam is geworden. Dan ook zelfs over deze en dergelijke grove misslagen mogen wy onzen Dichter niet te hard vallen, wanneer wy op de kunstgewrochten letten van andere dichters in zijne eeuw, die het dikwijls nog zoo naauw niet namen, of van schilders, wanneer zy de krijgsknechten van Pilatus in de wapenrusting der zestiende eeuw afbeelden, Hollandsche windmolens te Bethehem plaatsen, of in een voorstelling der besnijdenis aan Simeon een bril op den neus zetten. Zelfs zien wy hoe later een man als Racine zich niet vrijwaart van een onnaauwkeurigheid, nagenoeg gelijk staande aan de hierboven ’t laatst aangehaalde van Vondel, wanneer hy Joab laat zeggen tot Abner, den Veldheer der koningen van Juda:

Wy willen dus toegevend zijn en geen te streng gericht houden over feilen, die Vondel zelf op lateren leeftijd zeker met strengheid veroordeeld heeft.”

In later tijd heeft Vondel zelf het Pascha verloochend en „den nacht der vergetenisse toegedoemt.”

„Ofschoon,” zegt dr. Leendertsz, „Vondel in het voorbericht zich op „D’oude wijse Heydenen” beroept en wij heel wat namen uit de oude mythologie hooren, is toch directe invloed der klassieken in dit drama niet aan te wijzen. Blijkbaar had hij zijn kennis daarvan nog grootendeels uit de tweede hand. Grooter is de invloed geweest der Fransche literatuur. Dat hij daarmede, met name met de werken van Du Bartas, goed bekend was, en ook het Fransch beoefend had met denzelfden ernst, die hem altijd en overal kenmerkte, blijkt uit de opdracht van het Pascha.”

„Deze draagt tot opschrift: „Epistre à monseigneur Jean Michiels van Verlaer, mon singulier Amy.” Deze vriend was, evenals Vondels zwager, „koopman in syden laekenen” en woonde eveneens in de Warmoesstraat, In 1608 had hij van Philips Willem van Pranje het slot te Haarsveld gekocht.”


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001