Joost van den Vondel (1587-1679)

HET PASCHA.

KORT BEGRIJP VAN DE TRAGE-COMEDIE.

Ter wijlen Moses de Schapen syns Sweers Iethro hoedt in Madian by den Berghe Horeb ofte Sinai, verschijnt hem de Heere in de ghedaente eens Enghels wt den vlammenden Bosch, ende stelt tot een Leydtsman, Herder, ende Verlosser over tíHuys van IsraŽl: Moses ontschuldicht sich om syn onbequame tonghe, dies verzelt hem de Heere met synen Broeder den schoontalighen ende Priesterlijcken Aaron. Dese twee Ghebroeders als Ghezanten van Gods hooge Majesteyt verzoecken de verlossinghe Iacobs aenden Koning Pharao met bevestinge vant eerste wonderteecken hun Slangwordende Roede: maer den hooghmoedighen Koning verstockt (zoo door ít ingheven ende goochelerije van syn Droom-bedieders ende Toovenaers, als door syns zelfs obstinaetheyt) verdruct de Hebreen meerder als voor henen: waer op volgden de thien straffen Godts, als roeden ende gheesselen van syne recht vaerdicheyt, dies hy bedwongen is hun te verlaten. Doch de Heere verstoct hem tot wterste straffe van syne hartneckicheyt, ende tot grootmakinge van synen heylighen Name, dat hy met syn Heirlegher, Ruyters, Paerden, ende Waghenen díIsraeliten achterhaelt aen ít roode Meir, daer de Heere syn wtverkorene drooghs voets door brenght wt tgheweldt Pharaonis, die hun op ít spoor navolghende, syn droevich Treurspel eyndight, ende alle hooghmoedighe Godt-verachters synen ondergangh als eenen spieghel voor ooghen stelt. DíIsraeliten verlost, loven (over hun triumphante verlossinghe) den Heere met Lof zanghen ende Danck-zegghinghen Luystert, toe, etc.


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001