Joost van den Vondel (1587-1679)

HET PASCHA.

TWEEDE DEEL.

PHARAO den koningh, TIPHUS ende SERAX, droombedieders ende toovenaers

PHARAO.

Den laestst gheleden nacht (wat hoef ick my te veynsen)
Heeft my belemmert swaer met veelderley ghepeynsen,
Ghelijc de groote kroon ghemeynelijc aenkleeft
De zorgh, die altijdts met veel zorghen om ons zweeft,
De zorgh, die s’Konincx hooft met heuren zwerm verduyselt,
En met een sterck gheblas steeds in syn ooren suyselt.
Wanneer de schaduw valt, en dat het sterflijc Dal
Snachts vleughelen bespreet zoo slaept den grooten Al,
De Son in Thetis schoot, t’ ghedierte met vermacken
In syne holen rust, t’ ghevoghelt in de tacken
Syn vlercken hanghen laet: maer s’Konincx Majesteyt
Doch nimmer rust omhelst, oft zoo hy wert verleyt
Door eenen zachten slaep, en d’ ooghen komt te sluyten,
Zoo waect syn zorghe noch, en sluyt syn ruste buyten,
Als hy int bedde swemt in Lethes stillen stroom,
Syn zorghen werden ijl verkeert in eenen droom.
      My docht in mynen slaep ick op den grooten waghen
Wert lancks het roode Meyrs schuymzandich strant ghedraghen
In volle wapeningh, en rustingh t’ eenemael,
Ghelijc wanneer de Moor ontziet myn bloedich stael,
Den Hemel was ghevaecht blau, helder, en azurich,
En Phœbus zach in Zee syn spieghel stralen vurich,
Het weder loech elck toe, men hoorden gheen gheruys,
Zephyrus nau verblies een golfken met ghedruys,
De schepen laghen stil, dat nau Neptunes ghilden
Voor t’windeloose weer een zeyl wtspannen wilden,
T’ ghespan van myne koets den breydel gaf ghehoor,
En telden, zoo het scheen, hun stappen op het spoor,
Als op het onversierst het Meyr bestont te bruyssen
Dat gheene kielen sich na t’roer en lieten kruyssen,
Den sturen Boreas begonst flocx wt der Zee.
T’ grijs-schuymich baer gheberght te brenghen op de ree,
Den Hemel wert bekleet met droeve duyster wolcken,
En t’ voorhooft vande locht omstort met swerte kolcken,
Een doncker nachtzeyl blint beschaduwde den dach,
Dat t’licht alsins verdween, oft zoo men schijnsel zach,
Wast blicxem wederlicht, dat met een slincx gheflicker
Jupijn van boven wierp, met eysselijc gheklicker,
Den donder dreunden met een dommelich gheklac,
Dat Sirt, klip, rots, en strant Neptunus gramschap brac,
Die met syn gaffel scheen den Hemel te beklemmen,
En t’ weder t’ Firmament int roode diep te swemmen,
De Tritons trompten op hun groote water-schulp,
Dat yeder Palinur de Goden riep om hulp,
De schepen steghen op ghenade na de Polen
En hadden t’ wijs-compas, en t’roer den wint bevolen.
De paerden zaghen nau ooc d’onweers stormen leep,
Den voerman hoefden toom, noch breydel, nochte sweep,
Sy vloghen even dul, een langhdurighe wijle
Als wt een Schijtschen booch den onbedwonghen pijle,
Veel snelder als de wint, veel snelder als de stroom
Schoof op vier raders den beslaghen Disselboom
Hot, hot, al breydeloos den waghen henen glipten,
Ontziende noch de kroon, noch Scepter van Egypten:
Wat ’s’ Konincx Koetser ooc ghebaerde oft luyde riep,
De redeloose vlucht al even swijmich liep,
Nu bin nu buyten spoors, al sonder wech te peylen,
Gheen schip ons volghen mocht met opgheblasen zeylen.
      Dus stoof den voortocht vast als eenen watervliet
Die vant ghebergbte valt, tot daer men Pharos ziet
Weerhoudeloos verbaest in hunnen loop ten vollen,
Ghelijc men eenen steen ziet vande klippen rollen:
Hoe t’grondeloose diep meer zants en waters spooch,
Hoe heftigher verschrict elck ros om zeerste vlooch,
Tot door het storm gheblas een Crocodille stranden
De grootste die hier oyt ghezien mocht zijn te landen,
Dicht aenden boort des strants, int minst van drijmael vijf
Cubiten
, over sterck ghewapent op het lijf
Met dobbel schelpen hert, t’hooft zeltsaem om aenschouwen,
Zoo eysselijc en groot dat het elck dede grouwen,
Scherptandich in den mont: zoo haest ons Iacht vernam
Dit zeltsaem monster, twelck heel heftich na hun quam,
Sy hunnen loop op nieus verdobbelden vervolghen,
De koetse mocht gheswint heur op het snelste volghen,
Alst koppel honden heet het Hirt volght op de hiel,
Tot dat een holliheydt den waghen wederhiel,
Waer door sy wt t’ghespan van hun gareelen raecten,
En krac, krac, tot tweemael den grooten waghen kraecten,
Die eyndelijc verswact niet wederhouden mocht
Met my stac op het strant de beenen inde locht!
Hier lach de dissel, ghins het speec en daer de raden,
Tot ick my smorghens van Morpheus vont verraden.
      Den droom bediet wat vremts (hoe wel hy omtijts hecht,
En met syn Iden als een schaduwe vervliecht),
Want onlancx zijn ghezien de dreyghende Cometen.
Verscheyden beeltsels ooc van bloedighe Planeten,
En tot drij nachten toe een gheestelijc ghespooc
Is voor mijn slaeps ghesicht verswemen als den rooc:
De Pyramiden van de Koninghlijcke graven
Drij malen zijn beweecht, een vlucht van swerte raven
T’Meyr opgheworpen heeft, grafvoghels die graf graf
Egypten dreyghen gruw met d’een oft d’ander straf,
De grootste Zarcken vande Tomben zijn ghereten,
En t’nare Kerck-hof heeft doods-beenders opghesmeten,
Isidis heyhich beelt, tot voorspel van ons leet,
Heeft eenen reghen vocht van bloedich sweet ghesweet!
Osiris na den Nyl heeft sich ghekeert verbolghen,
Ontwijffelijc hier na moet d’een oft d’ander volghen:
Ghy Sienders, my den gront van dese zaec verklaert.

TIPHUS.

Den Koningh zij hier in bekommert noch beswaert.

SERAX.

Den droom rijst wt een hert beslommert met veel zorghen.

PHARAO.
Hy rijst waer wt hy wil, wat isser in verborghen?
TIPHUS.

Gantsch niet grootmoghent Vorst.

PHARAO.

                                                      Nochtans den droom bediet
En wijst op tgheen daer na ghemeynelijc gheschiet.

TIPHUS.

Pilaer vant grootste rijc, de droomen zijn verscheden,
En eensdeels anders niet dan ydelheyt verbreden;
Ten anderen Prophetisch, Voorloopers, diens ghebaer
De komst boodschappen van de zuyver waerheyt klaer;
Ten derden, twijfelijc, en doncker int aenschouwen,
Daer niemant, dan die wil, t’gheloove op hoeft te bouwen:
Nu t’beelt van ’s Konincx droom, ten aenzien onghewis,
Van yl, en twyffel tsaem in een versmolten is,
Zoo datter niet en waer yet zekers wt te ramen.

SERAX.

Belanghende t’ghespooc met dees voorteeckens tsamen,
Ten deele schijnet wel tot quaet te zijn gheneycht,
En acht wy werden van de Goden dus ghedreycht,
Om dat wy zuymich zijn, en werden lancx hoe sloffer
Int heylighe ghesmooc en dienst van onsen offer,
Om d’ander Goden straf t’ ontslaen en maken quijt
Op den Altaren die den Priesters toeghewijt
Bevolen zijn van outs, den Koningh tot een teecken
Van boet, hun heylich doe het offer-vuyr ontsteken,
Op dat den Hemel (die ons dreyghen schijnt met wee)
Syn stael mach wederom bekleeden met der schee,
En d’offerhanden als een zoeten reuc ontfanghen,
Wechnemende de straf, die toornich schijnt te hanghen
Ons allen boven t’hooft: dat ooc den Koningh weer
De Godsdienst, die allencx vervallen meer en meer
Is in het gantsche Rijc, op nieus mocht wederbaren
Gheheel opt oud ghebruyc van over vele jaren,
Dat ooc des Heylichdoms Hoochtijt by yeder mocht
Devotich zijn gheviert, en alles wederbrocht
Wert op den ouden voet, etc.

MOYSES ende AARON tot PHARAO.

MOYSES.

                                              Groot Koningh vande stranden
Des Nyls, den Koningh die den Scepter voert in handen
Van Hemel, Aerde en Zee, die uwen glantz verdooft,
Der Koninghen Monarch, en aller Princen Hooft,
Heeft ons ghezonden hier.

PHARAO.

                                          Wiens Scepter of wiens Kroon is
Ontzienelijcker als den Rijcx-staf Pharaonis?

MOYSES.

T’onsterflijc wesen zelf, de Heere Zebaoth.

PHARAO.
Wie kenter neffens my een grooter Heer oft God?
Breyt sich myn Heerlijcheyt niet wt aen alle kanten?
AARON.

Van een Almachtich Heer wy beyde zijn Ghezanten,
Van God die synen Troon op s’Hemels vout pilaert.

PHARAO.
Regheert hy in de Locht, ick heersch hier op der Aerd.
AARON.
Hy is die s’Hemels loop stiert op de hooghe Polen.
PHARAO.
Ick denck ghelijc de Nyl omdraeyt de water-molen.
AARON.
Hy is den Donder-god, en t’blixemende licht.
PHARAO.
Den Donder is myn stem, den Blixem myn ghezicht
AARON.
Syn Godlijc woort beweecht de blauwe Firmamenten.
PHARAO.
Het Aerdrijc schut en beeft van myne dreyghementen:
Wat ist dat ghy verzoect? Ziet wien ghy rebelleert.
AARON.
De God van Abraham op Pharao begheert
Dat hy van t’ joc ontslae en buyten de limiten
Egypti trecken laet de slaefsche Israeliten,
Dat sy hem moghen doen een offerhande, vrij
Vant Heydensche ghezicht, die hem behaeghlijc zij;
Daer Horeb t’voorhooft berght ten Hemel inde Wolcken,
Dus oorloft nu t’vertrec aen al d’Hebreeusche volcken.
PHARAO.
Ghenade, o Iupiter! Wie zijt ghy die zoo licht
U hielen teghens my den grootsten Koningh licht?
Help Isis, en Osir! Ick sweere u by de sickel
Saturni, dat ghy t’hooft zult steken aenden prickel:
Wie isser die sich derf opwerpen teghens my?
Dwingh-volck, Kroon-dragher van de grootste heerschappij:
Ick sweer by t’hooch Toneel van myn rechtveerdich leven,
Ghy hebt u eyghen roe my mde hant ghegheven:
Als teghens synen Heer de Slave sich opwerpt,
Nootzakelijcken moet de roede zijn ghescherpt,
Het lastich joc verswaert, den hals hem overwoghen,
En syn hardneckicheyt ghebroken en gheboghen,
Den stouten hoochmoed van syn vleughelen ghekort,
Hoe t’ bedde sachter is, hoe hy veel tragher wort,
En hoe men hem meer rechts en voordeels zal aenbieden
Hoe hem veel meer te kort sal duncken te gheschieden:
T’is weelde die u jeuct, al langh ghenoech verschoont,
Best dat men u verdruc en houd in d’ ou ghewoont,
De roede is vanden neers en eerst in t’vuyr ghesmeten,
Nu ’t langher niet en smert de stramen zijn vergheten,
Ghelijc den gladden henghst die op den stal verkoelt
Syns Heeren sporen niet in langhe en heeft ghevoelt,
Noch toom, noch breydels dwangh, alreede quaedt om temmen,
Te noo laet synen Heer weer op den zadel klemmen,
Het steyghert en het briescht, van weelden onghesont;
Nu schort u ooc t’ ghebit van ijser inden mont,
T’is best dat men u weer dees ziecte doet wtsweeten,
En voor een vette sop gheeft slaghen voor u eten:
Gaet henen int gareel, gaet henen bout en slaeft,
Ick wil dat ghy den wech van u vertrec op-graeft.
AARON.
Wy zijn de Boden Gods, dus laet u niet verrucken,
Hoort ghy syn stemme niet, syn hant die zal u drucken,
Daer light de Roede tot een teecken opder eert,
Ziet hoe sy in een Slangh lichamelijc verkeert,
Sy krunckelt en sy kruypt: indien by u ons spreken
Niet eene pluym en weecht, ghelooft ons by dit teecken,
En looft Israels God, die u t’gheloof versterckt,
En door dees wonder-daet zo krachtelijcken werckt:
Gheloofdy ’t niet omt eerst, ghelooft dan met den and’ren,
Het tweede als in root bloet het water zal verand’ren,
De Visch versterven zal in der Rivieren stanck,
Die God de Heere slaen zal zeven daghen lanck.
SERAX.

En dynen lieven God vertoont hy sich zo brave,
Om dat hy in een Slangh verandert uwen Stave?
Is dit syn hoochste konst? Loopt, met u Meersche loopt,
En uwe kramerij al elders duer verkoopt,
By ons en gheldtse niet, gaet, gaet, vendtse aende dwasen.

TIPHUS.

Meynt ghy den Koningh zoo in d’ ooren wat te blasen?
Meynt ghy dat onsen Prins zoo lichtlijc is ghetrootst?
Wy hebben ’t al te dick voor ooghen hem ghebootst:
En of ghy schoon in bloedt verkeert de Vlieten stormich,
Wy zullen t’water ooc couleuren ghelijcformich.

AARON.
Ghy toovert, ick herschep, ghy met den schijn bedriecht,
Den schijn, wiens wesen als een schaduwe vervhecht,
U goochel-konst en is maer forma en figure,
En t’mijne lijffelijc verandert van nature:
Want ghy door Satan werckt, en ick door kracht ghewis
Van Gods almachticheyt, die niets onmogh’lijc is:
Schort dees hartneckicheyt, en wilt syn stemme hooren
Die weder desen Staf maect als hy was te vooren.
PHARAO.

Waer toe dit langh sermoon? preect elders al u best,
En Pharaonis eer niet door eens anders quest:
Gaet boodschapt den Heebreen, myn hand is veel gheringher
Voor desen hun gheweest als nu myn kleynste vingher.
Ick voel, ick voel, het joc is hunnen hals te licht,
Dies ick drij dobbel moet verswaren hun ghewicht,
Met Schorpioenen wil ick hun voortaen kastijden,
En alle roeden t’vuyr en uwen God toewijden
Tot eender offerhand. Den Koningh is verleydt
Die d’ ondersaten meynt tot sich met zoeticheydt
Te trecken meer en meer, en ziet hy niet te veuren,
Sy sullen syn ghebiedt van hunnen halse scheuren,
En stellen t’Rijc in roer, en roepen tza wel aen,
Laet ons den swaren last van ’s Konincx Kroon ontslaen,
Wat roert oft gaen ons aen syn inghestelde Wetten,
Een yeder breec de boey en schakel van syn ketten.

MOYSES.
Verheft u herte niet, want ’s Heeren straffe dra,
Volght u alree ghelijc de schaduw t’lichaem na,
Der berghers tzoppen die sich in de locht verheffen,
Afgrijsselijc men ziet de slincxsche blixems treffen:
Heer Koningh, luystert hoe Gods gramschap wederschalt,
Verschuylt, verschuylt u, eer den Hemel op u valt,
Twijl u Gods goetheyt noot, syn straf komt met vertraghen
Naer den godloosen toe, maer komt met sware slaghen
Op der Tyrannen kop: dus wt den grootschen tret
Vws obstinaetheyts wijct, en van u stout opzet,
Haelt flocx de zeylen in, ghy moocht hem niet ontslippen,
Oft ghy hem schoon ontvlucht, zoo raecty op de klippen
Van uwen ondergangh, en oft ghy u verschuylt,
Int alderhelschte diep, int donckerste ghekuylt,
Gheen duysternissen daer syn ooch u niet zal mercken,
Gheen schilden moghen u voor synen schicht bevlercken,
Alsins vint ghy u inde kaken opghespert,
Van syn rechtveerdicheyt, en inden strick verwert
Van synen grimmen toom, die altijdt na der zielen
En na den lichaem u zal treden op de hielen
Van u versteent ghemoedt: wat baet doch, kroon oft Staf,
Als hy u kroone breect, die u den Scepter gaf
Met synen stercken arm, dus neemt tot gheen verschooningh
V troelelende macht, die steeds den hoochsten Koningh
Moet onderworpen zijn, want Gods almoghentheyt
Belacht, eylaes! den trots die u omhelst en vleyt
Met een vermomt ghelaet.
PHARAO.

                                          Waer toe dees langhe rollen?

SERAX.

Heer Koningh, laet den zot t’hert met syn tongh wtbollen.

TIPHUS.

Wat worpt ons Pluto op?

AARON.

                                        Volght tijdelijc den raedt
Des Heeren, die u met ons stemme wecken laet
Wt desen diepen slaep, ontwaect, eer u te spade
De helder Son begheeft het licht van syn ghenade.

PHARAO.
Help Aerde! wonder ist, dat ghy’t u niet en belght,
En dees Trotzeerders in u swerte keel verswelght:
Past flocx het groot ghewelf van Meniphis Hof te ruymen,
Eer s’Konincx gramschap als een zee beghint te schuymen,
Hy heeft syn planten swaer op ’t Aertrijc neer ghezet,
Verstapt hy, elcken tret een Koninghrjc verplet:
Zoo ghy den blixem zoect, Iupijn is hier te vinden:
Dus wacht u wel den Leeu syn keten te ontbinden,
Schuym-boeven van myn Rijc, gaet bootschapt den Heebreeuw
Dat t’glas verloopen is van synen gulden eeuw,
De laetster ure is langh gheslaghen aen de Wijser,
En in Pharaos Hof is synen Kerf-stoc ijser:
Gaet henen maect hem kont wien dat u syn verstant,
Den stoc om hem te slaen gaf in syn rechterhant
,
Gaet brenght dees blijde maer aen al d’wtheemsche Slaven
Dat langh voor hun vertrec den wech is opghegraven:
En ist dat uwen God niet vast en zit gheschroeft,
Hy doe syn boodschap zelf, indien hy yet behoeft.

Binnen.

MOYSES.
Syn hert is onbeweecht veel grooter als de rotzen.
AARON.
Wie dorst den Hemel doch oyt obstinater trotzen?
MOYSES.
T’hert light hem veel te hooch gheschoten inden krop.
AARON.
1020 Hy worpt den steen die hem zal vallen op den kop.
MOYSES.
Hy heeft God opghewect met syn grootmoedich baffen.
AARON.
Tza gaen wy, want door ons zal hem de Heere straffen.

Binnen.

CHOOR.

      Steenen Pharao wilt swichten,
Want syn schichten
Haelt den Hemel wt den tros:
Pyramiden wacht u spitsen
Voor syn flitsen:
O daer gaen syn pijlen los!

      Nylus schreyt nu al bedolven
In syn golven,
Om de visch die in syn kruyc
Sterft, om dat de waterbaren
Aldus varen
Bloedich over syn parruyc.

      Vorschen, Luysen, Wormen krielen
Waer syn hielen
Den Egyptenaer verzet:
Heptapolis groot gheweste
Ooc met peste
Doodelijcken is besmet.

      T’ vluchtich voghelken met ijlen
Van heur pijlen
Onversiens wert achterhaelt,
Dat syn vleughels aende sterren
Uyt gingh sperren,
Inde baren nederdaelt.

      T’ lockich Schaepken sterft int bleyten
En de Gheyten
Vallen voor den Herder-stoc,
Waer de Bouwer ploecht al wacker
Ziet hy ’t Acker-
Vee begraven onder t’joc.

      Nu druct hun de hant des Heeren
Weer met zeeren,
Met onreynich puyst ghedoornt,
Menschen ende beesten woelen,
En bevoelen
S’ Hemels grimmecheyt vertoornt.

      Nu dreycht hun den Aether vierich,
Al wraeckghierich
Met syn kromme blixems root,
Nu laet hy Egypten vallen
Van crystallen
Een diluvie inden schoot.

      Nu zoo dreycht hy hun afgrijsich
Met een ysich
Donders dommelich gheklac,
Nu jaecht God met haghels ronden
Om hun zonden
Al d’Egypters onder t’ dac.

      D’Eyc en schijnet nu den Elfen
Niet t’ omhelsen
,
D’ Aerde droef en onbespreedt.
Mist heur rancken en heur noppen,
Mist heur knoppen
En heur groen gheschildert kleedt.

      Nu beschaduwt hy hun banen
Met Sprinckhanen,
Die voorts rooyen t’ eenegaer
Al de vruchten die sy zaeyden
En afmaeyden
Inden schoot vant ronde Iaer.

      Nu houdt Phœbus sich ghescholen
Inde Polen,
En vertrect syn blonde hooft,
T’ licht van synen gulden Waghen
Hy drij daghen
Hunnen Horizont berooft.

      Noch blijft desen Koningh trotze
Als een Rotze
Die gheen golven en ontziet,
Als een klippe die ghedurich
Klieft azurich
T’ schuymsel van Neptunes spriet.

      Want God in syn stoutheyt krieghel.
Tot elcx spieghel
Heeft verstoct syn steenich hert,
Niet om met een welbehaghen
Hem te jaghen
In s’doodts stricken al verwert,

      Maer om straffen syn voorleden
Godloof heden,
En om Israel bequaem
Stof te gheven om te zinghen
Zonderlinghen
D’ eer van synen heyl’ghen Naem.


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001