Joost van den Vondel (1587-1679)

HET PASCHA.

VIJFDE ENDE LAETSTE DEEL.

FAMA, oft tí blasende Gherucht.

Tí heyr-legher Israels (dat God zelfs had gheleydt
Onder syn vleughílen wt díEgyptsche dienstbaerheydt,
Dat God snachts voorghingh in een vierighe Colomme
En sí daechs in eene Wolck) Pharao wederomme
Had eyndlijc achterhaelt, en met syn oorlochs-heyr
Omringht tusschen tí gheberght en tusschen tíroode Meyr,
Dat met de Sonne quam de duysternis verrasschen,
Sich spieghelden verbaest in zoo veel harrenasschen,
In zoo veel yser-blau, dies riepen sy, ten helpt,
Wy blijven tzamen hier in droefheyt overstelpt,
Wy zijn besloten van tí gheberghte vande baren,
Van zoo veel oorlochs-volck en toegheruste scharen:
Ha Amrams sonen snoo! die ons zoo onbedocht
Vervoert, hier op een graf en kerck-hof hebt ghebrocht:
O salich waren wy in arbeyt en in slaven
Eer in Egyptenlant ghestorven en begraven
:
Verraders vanden Rey en tí Legher der Hebreen,
Een yeder wreec sich zelf en worp den eersten steen.
      Ghelijc de Reysighers (als in dí azure golven
Van eenen waterbergh bedect wort en bedolven
Het vlottich schip, wanneer sich Boreas verheft,
En tí golvich driftich hout met groene baren treft)
Den Schipper dreyghen vast, zoo voor de stuere winden
Hy tí opgheblasen zeyl wil strijcken noch ontbinden.
Díeen met een bleec ghelaet na tí leven vast de doot
Afschildert, dí ander klaecht dat in Thetidis schoot
Hy vint syn duyster tombe, en díander dat syn leven
Ontijdelijc hy moet den baren overgheven,
Dat ondertusschen heeft den Zeeman al ontrust
Ghenoech te doen eer hy dí een stilt en dí ander sust;
Zoo ooc in desen storm dí Israelijtsche Hoeders
Aaron en Moses beyd vertroosten hun ghebroeders,
En roepen, Mackers denckt dat uwen Koningh leeft,
Die midden in sí doots noot de syne tíleven gheeft,
Tí is eenen vasten gront, en twijffelt niet zoo wancker,
Vest u gheloove op hem, en worpt der hopen ancker
Op Gods almachticheyt, die tí steyl gheberghte kan
Tot dalen platten, en verdrooghen díOcean:
Den jonghsten toont hoe hun den Hemel is te goede,
En slaet met syne doode en levendighe roede
Het woeste baergheplots dat sich verdeylet stuer,
En wederzijden maect een roo robijnen muer,
Een schutsel van crystal, en nemet syn afscheytsel
Zoo wijt dat midden blijft een guldich zant plaveytsel,
Een drooghen vloer gheschelpt, waer op dees Leytslien voor
Tí gansch Legher volghen doen hun stappen op het spoor.
O zeldsaem wonderwerck! wie zal ick best ghelijcken
Israel die zoo haest een plaetse vint om wijcken,
Als by de watervloet, die stroomich op ghehoopt
Een leegher diepte vint en snellijcken verloopt.
      Terwijlen dus dí Hebreen (spijt tí wesen der natueren)
Vast dweerssen dese straet van crystalijne mueren,
Roept dí een, de Zee is drooch, en tí water even vocht
Hanght ick en weet niet hoe tot boven inde locht,
En dí ander krijst, wats dit? tíroo meyr schijnt opgheblasen,
Thetis ciert heur parruyc in dese spieghel-glasen:
Waer toe met schepen meer ghevloten over tí nat,
Wanneer men doorgaens vint zulck eenen drooghen pat?
Waer toe dient doch tí compas en dí opghespannen zeylen,
Oft grondloos diep-loot om de diepten met te peylen?
Dus in verwonderingh treet vast tí heyrlegher voort,
En vindet sich droochs voets van dí een op dí ander boort
Behouden op het strant, dies Pharao verbolghen
Verkiest den zelf den pat om flocx hun tí achtervolghen
Met al syn wapentuych, met al syn krijchs ghewelt,
En is nau int ghebiet van tí zandich Zeeusche velt
Oft den Hebreeuschen God beghinnet sich te belghen,
Die om hun in een graf te zamen te verswelghen,
Een slincx onweder van den Hemel nederworpt,
Dat tí slibberich gheberght weer in syn holte slorpt,
Dat yder over hooft en hals int diepste sobbelt,
En komen door tí ghegolf eens eyndlingh opghebobbelt
Met eysselijc gheschreeu, half levende half doot:
De dooden zijn alree meer als der golven vloot:
Dí een roept Osiris, o! helpt my te boven klemmen,
En dí ander, help Isis, op dat ick t mach ontswemmen,
Dí een is met tí harnas swaer ghezoncken inden gront,
Dí een hout sich aende Koets, of aende wielen ront,
En dí ander al verbaest, om boven tí water wacker
Noch tíhooft te houden op, grijpt synen naesten Macker
En zincken beydegaer: de Zee die altijt woelt,
Wat noch te boven drijft voorts inden afgrond spoelt.
Den Prince vanden Nyl, die in syn Koetse deftich,
Wert voorts ghetrocken van sneeu witte hengsten heftich,
Vervloect de troubel Zee, de golven zout gheswint,
Den Hemel en de locht, de blixems en de wint,
En om ontijdlijc noch de bleecke doot tí ontvlieden,
Derf hy den dullen storm tí hooft even dapper bieden,
En stijcht de baren op, en krijschet, oft ghy schuymt,
Voor desen gaffel spits de wech en tí strant opruymt,
Ick ben Neptunus zelf den God van dese stranden,
Ontziet myn blauwe spriet met drij ghescherpte tanden:
Ghy bruyscht, ghy swalpt, en krielt, ziet wie ghy rebelleert;
lek bent, die op het diep van uwen stroom laveert.
Den Ocean en past op vloecken noch op schelden,
Syn dreyghementen dweers en moghen hier niet ghelden;
Na dat hy zevenmael met tí woest ghetuymel vocht,
Syn voorhooft heeft gheberght ten wolcken inde locht,
En weder zevenmael ghedaelt is inde vesten
Vant grondeloose diept, hem eyndelijc ten lesten
De vochtigheyt verswaert, ja alle hoop berooft,
En in heur grimmicheyt delft over hals en hooft.
Ick gheef te dencken voorts, de Hebreen diet aenzaghen
Hoe hunnen vijant lach zoo kortelingh verslaghen,
Hoe God zoo lichtelijc den pratten hooghen moet
Pharaos had ghedempt vertreden onder voet,
Oft niet een yders tongh van vrolijcheyt ontspronghen,
Den drijmael hooghen lof des Hemels heeft ghezonghen,
Als sy aenschouden vrij van sí Konincx wreetheyt straf,
Dat hun verlossingh werdt Pharao tot een graf,
Diens korten ondergangh, diens droevich treurspel even
En onversienste doot hun strecte tot den leven.
De winden en het Meyr goetjonstich wierpen ruyt
Dí Egyptsche wapeningh weer aenden oever wt,
Wierp harnasch schudt en sweerdt juyst den Hebreen in handen,
Daer sy eerst werden met ghedreycht van hun vijanden:
Dit heb ick zelf ghezien, dit heb ick zelf ghehoort,
En deyl tí een yeder voor de zuyver waerheyt voort,
Veel wijder als men ziet Son, Maen, en Sterren blincken
Zal ick dees nieuwe-maer met myne tromp doen klincken.

Binnen.

HYMNE OFTE LOF-ZANGH
VAN DEN
ISRAELIJTSCHEN REYE.
I.

Nu zinght, nu speelt, nu reyt en danst,
  Nu looft den Heer der Heeren
Die ons met díoverhant bekranst,
  Vlecht hem een kroon van eeren,
Hy is die al de banden van
  Ons slavernije breken kan
En onsen rou in vrolijcheyt verkeeren.

II.

De Heer ghedenckt aen syn verbondt
  Over syn wtverkoren,
Looft hem met ziele, tongh, en mondt,
  Die Israel staet voren,
Die Jacobs Huys in dienstbaerheyt
  Onder syn schaduwe bespreyt,
Prijst synen Naem, en wilt nu vreucht oorboren.

III.

Hy is den God van Abraham,
  Isac en Jacob machtich,
Die nu tot Koningh salft den stam,
  Den stamme Iuda krachtich,
Die ons na tí zoet beloofde Landt
  Gheleydet door syn stercke handt
Om heerschen int landt Canaan eendrachtich.

IV.

Int Landt daer melck en honieh vloeyt,
  Daer de Iordaen beneven
Stroomt, die wt zoo veel beecxkens groeyt
  Van tí steyl gheberght verheven:
Daer als de baren vander Zee
  Oft tí zant der stranden nu alree,
Tí zaet Israels doet syn vijanden beven.

V.

Looft desen Krijchshelt onvervaert,
  Die paerden, ros en waghen,
Tí ghewapent heyr met schut en swaert
  Heeft mannelijc verslaghen,
Met den verstocten Koningh trots,
  Bout op dees klip en stercke rots,
Die niet en swicht voor stormen en zee-vlaghen.

VI.

Den root-schaerlaken mantel breyt
  Van tí roode Meyr hy scheurde,
En heeft gult-zandich gheplaveyt
  Een effen straet waer deur de
Hebreen ontweken hun misval,
  Tusschen twee mueren van crystal
Daer Pharao den laetsten zucht betreurde.

VII.

Pharao die ons op de hel
  Vervolghde met syn scharen,
Tí zee-water stormich overviel
  Met tí swalpen vande baren:
Die tívoorhooft berghden int ghestert,
  In den afgrondt vernedert wert:
Speelt síHeeren lof op harpen en op snaren.

VIII.

Pharaos wimpelen ontdaen
  En zach men niet meer swieren,
Noch tíbloedtzeyl van syn oorlochs vaen,
  Noch al syn roo banieren,
Syn wapens en gheslepen stael
  Zonck met syn rustingh altemael:
Wilt hem opt plat van syn Altaren vieren.

IX.

Bout al u hoop op desen Steen,
  Bout u gheloove vaste
Op den Monarche der Hebreen,
  Die Pharao verraste,
Die des Tyrans voornemens schort,
  Den hoochmoedt van hun vleughels kort,
En met syn stercke schouders ons ontlaste.

X.

In koper, steen, noch yser hart,
  Alleen niet dees weldaden
En prent, maer schrijft ooc in u hert
  Gods goedtheyt vol ghenaden,
Die ons sí doots muyle heeft ontruct,
  Groen Palm en Myrte tacken pluct,
Kroont, ciert, en vlecht u hooft met Lauwerbladen.

MOYSES doet syn offerhande ende spreect:

Dwijl Israel ontruct is wt syn slaefsche banden,
Zoo stijch ten Hemelwaert ons herte met tíghesmooc
Van desen Altaer, als een lieffelijcken rooc
      Ontvanght o Heer! ontvanght dees heylighe offerhanden.
Ontfanght dees offerhand tot een danckbarich teycken,
Oft schoon den teeren mensch niet anders wedergheeft
Dan tíghene hy (eylaes) van u ontfanghen heeft,
Syn swacke sterffelijcheyt niet hooghers mach bereycken.
      Ghy zijt de volheyt zelf, de spruytende fonteyne
Die overvloeyt van tígoede: o mensch! die niet en hebt
Yet goets, als tgheen ghy wt dees zuyver borne schept,
En zijt niet van uzelfs als stof en asch onreyne.
      Wat offert ghy den Heer? niet anders als den lof der
Oprechter lippen vroom voor syn weldadicheyt,
Twelck God veel meer behaecht als boc, stier, kalf of gheyt,
Een danckbaer hert is hem den aenghenaemsten offer.
      Tíis God dieít al wt Niet heeft door syn woort gheschapen,
Die ít wonderlijc gheheel ghegheven heeft den eysch,
Ghewelft, ghebout, gheciert, ghelijc een schoon Palleys,
De Stieren hooren hem de Kalveren en Schapen.
      Niets isser zoo gheringh of tí is van hem ghevloten,
Hy hevet al ghemaect, o groot is uwen lof!
Dieít al hebt rijckelijc ghebouwet zonder stof,
Zoo ghy in uwen raet verholen hadt besloten.
      Heer, dit bekennen wy noch eenmael met verlanghen,
Wat wy op den Altaer in vyer en vlammen root
Ontstecken, is ghevloeyt wt uwen milden schoot,
Ja hebben ziel en lijf van u, o God! ontfanghen.
      Den offer komt u toe, die, Heer, verteert tot asschen,
Neemt dat u toebehoort: den Altaer toebereyt
Alleene zij tíbewijs van onse danckbaerheyt,
Dat ghy ons aenschijn vande tranen hebt ghewasschen.
Dat ons ghemoet u vyert inwendich na den gheeste,
En dat ons herte brant, ghelijc als in sí vuyrs gloet
Opt heylighe ghesteent ons offerhande doet,
En dat wy uwe Wet betrachten aldermeeste.
      Zoo dicwils als het bloet der boeken zal besprenghen
Des Altaers hooghe plat, zal ick ghedencken aen
Hoe wy de straffe hant ws Enghels zijn ontgaen,
Waer door ghy tzamen ons wout wt Egypten brenghen.
      Ick zal ghedencken hoe om Pharaos verdiensten
Al dí eerstelinghen van gheheel Egyptenlant
Van menschen en van vee door uwe stercke hant
Gheslaghen werden van den meesten tot den minsten.
      En hoe ghy ons verlost hebt wt de tyrannije
Van desen Koningh, die om syn hartneckieheyt
Met synen hoochmoet nu int Meyr begraven leyt,
Waer door wy zijn ontboeyt van al ons slavernije.
      O Heer, bereyt den wech, en trect noch voor ons henen,
Ghelijc ghy tot noch toe ghedaen hebt goedertier,
Des daechs in eene Wolck sí nachts in een vlammich vier
Waer in ghy my ooc zijt op Sinai verschenen.
      Vertzaecht voor onse komst de stoute Philistinen,
Quetst hunnen preutschen moet, o Heer, blijft onsen borght
En onsen schut, op dat wy moghen onbezorght
Gheraken door de dorre Arabische woestijnen.
      Op dat wy eyndelijc eens moghen triumpheren
Int Lant van Canaan, en dat wy uwe Wet,
U offerhanden daer reyn zuyver onbesmet,
En ons beloft voldoen, tot uws naems prijs en eeren.

Binnen.

CHOOR.

SíHemels goetheyt die voorhenen
Ons Voorvaders heeft beschenen
   Is hier opt Toneel herspeelt,
   En na tíleven afghebeelt.
Tijt noch de verghetenissen
Hoort wt ons ghemoet te wissen
   Dees weldaden overgroot
   Neerghedaelt wt sí Hemels schoot.
Doch wanneer wy zien veel milder
Wat den Goddelijcken Schilder
   Hier met naect af conterfeyt,
   Raect dit in verghetenheyt,
En vertoont sich veel gheringher,
Wanneer dit ons met den vingher
   Wijst opt ware wesen blij
   Van dees Hemel-schilderij:
Op een grooter weldaet leerlijc,
Die door Iesum Christum heerlijc
   Ons zoo rijckelijc beschijnt,
   Dat de schaduwe verdwijnt:
Want wanneer de Sonne luystert,
Tí manen-zilver wert verduystert,
   Tí bleecte voor het helderst swijct;
   Tí minste voor het meeste wijct:
Om den zin hier van te mellen
Díeen wy teghens díander stellen.
   Nu het Rijc Egypten is
   Oft beteyckent
duysternis,
Daer in sware slavernij e
Jacob onder dí heerschappije
   Pharaonis met gheklach
   Droevelijc in boeyen lach:
Maer door tíGoddelijc verweyre
Werden sy door tí roode Meyre
   Tzaem verlost wt dees spelonck
   Als den Pharao verzonck
Met syn schilden, en syn swaerden,
Met syn ruyters, volck, en paerden:
   Even laghen wy verstrict,
   Leelijc ins ons bloet verstict,
Onder Satan, Hel en Sonden,
In sí Doodts banden vast ghebonden,
   Maer door sí levens klaer Fonteyn
   Onsen Salichmaker reyn,
Als hy in het laetst der daghen
Aen het Cruyce wert gheslaghen,
   Werden wy door syn bloet roodt
   Vrij van Sond, Hel, Duyvel, Doodt,
Door syn goetheyt vol ghenaden
Afghewasschen ons misdaden:
   Niet verlost als Jacob bloot
   Van een tijdelijcke doot:
Maer door desen Samson leeuwich
Vrij van dí Helsche pijnen eeuwich,
   Van Gods onvergancklijc wee,
   Van het sweert dat wt der schee
Boven tí hooft ons dreychde grammich,
Met den brandt des afgrondts vlammich.
   Israel troc al ghelijc
   Naer een aerdsch vergancklijc Rijc,
Dat maer voor een tijt mocht bloeyen,
Maer naer ons ghebroken boeyen
   Ons de Heere roept tot hem
   In het nieu Ierusalem.
Loopt dan ijverich gheneghen.
Hebben wy door Christum kreghen
   Een en wegh ghebaent en plat
   Naer de schoone Hemel-stadt,
Daer doot, siecte, strijt noch tranen
Ghelijc over der Iordanen
   Ons meer zal ontmoeten wreedt,
   Alst den Israliten deed.
Die zoo vlijtich hun bewesen
In het wterlijcke wesen,
   Ooc om slachten tí zuyver Lam,
   Tí welck terstont een eynde nam,
Als den Godlijcken Messias
(Daer den anderen Helias
   Syn verkoren Ionghers vroet
   Op wees met den vingher zoet,
Alder schatten kleynoot koffer)
Doen die quam, en synen offer
   Als Hooch-priester dede spa
   Op den Bergh Calvaria.
Doen hy teghens Satan kampten,
Alle Priester-dienst en ampten,
   Eynden met het Paesschen-feest,
   Als den Ioden Iaerlijcx meest
Posten dorpels noch bestreken
Met sí Lams bloede, tot een teecken
   Hoe God hun bevrijdde weerdt
   Voor den slaenden Enghels sweerdt.
Voorspel tí welck ons leert ten besten
Hoe dat inden alderlesten
   Dach der daghen int ghericht,
   Voor Godts toornich aenghesicht
Iesum Christum ons zal vrijden
Door syn heylich bitter lijden,
   En met tí root onschuldich kleydt,
   Van syn droeve sterflijcheyt,
Ons onreyn melaatsche vlecken
Voor des Heeren aenschijn decken.
   Eet dan gheestelijcker wijs
   Noch dit Lam, der zielen spijs,
Met een bitter sausse spijtich
Ware Israelyten vlijtich
   Laet de kracht van syne doodt
   V noch zijn een Hemels-broodt.
Weest omgordt, en staet al reede
Om te wandílen na den vrede,
   Met den Staf alzoo ít behoort
   Van des Heeren heylich Woort.
Opgheschort, omgort op vordel
Met der liefden bandt en gordel.
   Ooc aenmerct hier alghemeen
   Dees twee Leyds-lien der Hebreen,
Moses (onbespraect voor Pharons
Aenschijn) hoeft des Priesters Aarons
   Reden-rijcke tonghe vocht:
   Doch gheen van dees beyden mocht
Isac brenghen eyndelijcken
In Canaans Koninckrijcken:
   Onder welcke schorsse duyct
   Alsmen desen bast ontluyct,
Dí onvolkomen swacheyt teder
Vander Wet, te korten leeder
   Om int Hemelsch Vaderlant
   Op te stijghen wt den brant,
Wt den brant der zielen sweerdich,
Wt Gods toornicheyt rechtveerdich,
   Daer ons Christus als ghezeyt
   Heeft behouden wt gheleyt.
Want in Christo woont bequamich
Zelf de volheyt Gods lichamich,
   Tí Evangelische Verbondt
   Vloeyet wt syns wijsheyts mondt.
Der ghenaden fonteyn-ader,
Ons Verbidder by den Vader.
   Israel vertroc op hoop,
   Maer voor ons heeft al den loop
Christus tí Hooft van syne Benden
Langh te voren gaen vol-enden,
   En met tí Cruys ghetriumpheert
   Boven Hemelen en eerd.
Laet dit plaetse by u grijpen,
Laet dit Godlijc zaeyssel rijpen,
   Zoo zal tí uwaerts sí Hemels gonst
   Vloeyen WT LEVENDER JONST.


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001