Joost van den Vondel (1587-1679)

PETER EN PAUWELS

OPDRACHT AAN EUSEBIA

Eusťbia, nu trek, op Gods bazuinen,
Met mij, niet om den Jerichosen muur;
Maar om de stad, die, met haar zeven kruinen,
De donders tartte, en tergde alít bliksemvuur.
Nu leer met mij zachtzinnig orelogen,
En Rome zelf bestormen op zijn kracht;
Niet met geweld van schildpad, ram en bogen,
Waarmee het fel alít aardrijk tíonderbracht;
Maar met gebeÍn, en tranen, en twee tongen,
En wonderheÍn, en afgepijnigd bloed.
Wat Cesar dwonkí, heeft Christus dus gedwongen.
De doornekroon beschaamt den lauwerhoed.
Omhels dan dit paar helden, echte Vaders
Der Roomse Bruid, en Godverloofde maagd
Die, op het bloed van hun doorluchtige aders,
Meer moeds dan op Anchisesí afkomst draagt:
Die afkomst kwam den grijzen stroom oproeien,
En plantte daar, doorít zwaard, vervloekte
Díapostelschap, bekneld in ijzre boeien,
Verhief er ít Kruis, gezegend in Gods zoon.
Gij kust en leest de bla‚n die eeuwig leven;
De lelien met rozen overstrooid;
Spierwit satijn met martelinkt beschreven,
En bloedkoraal op sneeuw, dat niet ontdooit.
Daar ziet men druk het pad tot blijschap banen.
Daar puft de stank des kerkers ít welig hof.
Daar kiest uw lust geen perlen voor die tranen.
Daar veegt men kroon en scepter uit, als stof.
Terwijl de jeugd, met ijdelheÍn geladen,
Den ogenblik des levens wulps verkwist,
Leert díaandacht hier de tyranny versmaden,
En díijdelheÍn, nog ijdeler dan mist.
Zij leert er naar Gods strenge Ridders aarden,
Die ít hemelpad, op purper niet betreÍn,
Maar op de punt van spijkers, snee van zwaarden
Geklonken en geknarst door vlees en been.
Wat is ons vlees, dat toch inít graf moet rotten
Wat is het lijf, vermast van snode pracht?
Der wormen spijze, en voedsel voor de motten;
Een hindernis van ítgeen God dierbaarst acht.
Datís ít wezen uit zijn aangezicht gesneden,
De hemelse en in klei gevange ziel;
Die haakt te spoÍn, met wijde en wisse schreden,
Naarít zalig honk, waarop haar liefde viel.
Geen Labyrinth der wereld kan verwarren
Haar opzet, zo zij volgt den marteldraad
En ít licht der beide in bloed vergulde starren;
Waarvoor het kroost van Tyndar ondergaat.
De Tiber komt ten Apennijn afbruizen,
En schijnt verheugd, daar hij hun graven schuurt;
Gevierd van zo veel Keizerlijke huizen,
En Koningen, wier eer als Christus duurt.
Hoe dus? Ik raak geen aarde: mijne veder
Verrukt den geest naar díApostolise as.
Eusebia,
laat los. Gij trekt mij neder,
Die rede al uit den damp der wereld was,
En liet u, na mijn afscheid, hier geen beter
Geheugnis, dan Sint Paumels en Sint Peter.


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001