Joost van den Vondel (1587-1679)

PETER EN PAUWELS

HET EERSTE BEDRIJF

SIMON TOVERAAR, ELYMAS

SIMON TOVERAAR.

Ik Simon Toveraar boor hier uit ísafgronds stoel,
Door ísaardrijks ingewand, te keel uit van den poel,
Waarin de Ridder spronk, die nederkwam te paarde,
En sleepte zo de pest van boven, onder díaarde.
Wat uur magít zijn? Mij dunkt, de sterren staan in keer.
De stille midnacht ronkt, en glijdt opít ronken neer.
Waar sammelt Elymas? Waar blijft mijn schildknaap achter?

ELYMAS.

Ik volg op meesters spoor, al valt mijn tred wat zachter.
De wereld leit nu stom, in haren eersten droom.
Waar ben ik, meester? Zeg, wat ruist hier voor een stroom?

SIMON.

De Roomse Tiber, trots op zo veel trotse werken,
Op Neroís nieuwe stad, die met driehonderd kerken,
En smokende outers, dient den groten Lucifar,
Die onverzoenbaar nog den hemel tarten dar.
Maar och, ik tsidder, och.

ELYMAS.

Gij deist, wat doet u ijzen?

SIMON.

Mij dunkt, ik zie dat langs dien doodsen schouwburg
Die eeuwig tuigen kan, en eeuwig tuigen zal
Van mijn geknakte heup, en onvergeetbren val;
En hoe ik, uit de lucht, naít zweven heen en weder
Voor Nero s voeten, plat geploft van boven neder,
Gaf ít Galilees gebroed, en des gekruistens naam
Gewonnen spel; inít end de hel mijn lesten a‚m
En ziel; opít handgeklap en schateren der scharen,
Mij tans nog toegedaan, met beelden, en altaren,
Gewijd tot Simonís eer. O schouwburg daar gij staat,
íK herdenk nu aan dien smak. Een koorts, een grilling gaat
En rijdt door al mijn leÍn, nu ik dees plaats genake.

ELYMAS.

íT hervoelen van die smart geeft sporen aan de wrake,
Die ons ter hel uit drijft, en uit den helsen gloed;
Om deze wraakkoorts eens te koelen, met het bloed
Der Hoofdapostelen, ons vijanden, en vloekers:
Om alít verlies betaald te zetten, met veel woekers:
íTwelk duizendkunstenaars des naren afgronds voegt,
Die zich aan u en mij volkomentlijk genoegt.

SIMON.

SamariŽn getuigt, doorít dorp van mijn geboorte,
Dat Gitton heet, hoe jonk, verloofd aan Plutoís poorte,
Ik daar de basterdjoon kreeg listig aan de koord;
Totdat een Flips mij trots kwam leggen boord aan boord,
En dreef de geesten uit, en goot op mans, en vrouwen
Zijn water. Straks begon mijn aanzien te verflauwen;
Dies was het ook gera‚n te mommen met die grijns:
Ik (om ons zwarte kunst te witten, met veel schijns
Van heiligheid) vond goed het hoofd te laten dompelen;
Zei zuchtende amen, op zijn vragen, op zijn mompelen;
Begaf me aan ísleraars zijde, en gaapte naar die stem:
Totdat de landsman ook kwam van Jeruzalem.
íKbeproefde schalk hun trouw met schatten te bekoren,
Om ít volk door wonderheÍn te leiden bij zijn oren:
Dan laas! ítwas al vergeefs, en moeite en list gespild:
Want Kefas voer mij straks al vloekende in den schild.
Zij togen voort. Ik kuiste, om d ogen te benevelen,
In schijn hun wondren na, en prediken, en prevelen,
En schoeide meesterlijk op enen zelven leest
Van Vader, of van Zoon, of dien onzichtbren Geest:
Om zo een ruimer weg naarít barnend hof te banen,
Voor kruisgezinde, en JoŰn, en mijn Samaritanen.
Want ieder houdt den trant, gelijk hij is gewoon:
En op wat spil mijn kloot wil draaien, hij draait schoon.
Mijn boel Selťne noemde ik moeder aller dingen.
Zij baarde díEnglen: om haar schoon gestalt vergingen
De muren van Priaam: zij was ít verdoolde schaap,
En Simonís hemels kroost. Zo wiegde ik elk in slaap.
Zij trad als Pallas: ik kon Jovis bliksem handelen;
Of gink, als watervoogd, droogvoets opít water wandelen:
Schiep weite en tarwe uit steen: brak poorten van metaal:
Keek voor en achter uit, als Janus: wist een zaal
Met koninklijk tapijt door schimmen te behangen;
Tíonthalen te banket, met spel en maatgezangen,
Mijn disgenoot; die (wat hij zag, of gade sloeg)
Niet zien kon, wie de spijze, in goude vaten, droeg
Ter tafel; noch wat hand de pezen streelde, en snaren;
Noch uit wiens mond de wind kwam in de fluiten varen.
Ik brocht SamariŽn in ít harnas, op de been.
Het heir schoolde aan den voet van Garizim bij een;
Om Mozes heiligdom te zien ten berg uit graven,
Daar hijít kwansuis begroef: maar daatlijk zag men draven
Den heilgen heuvel op Pilatusí ruiterij,
Die al mijn macht vertrapte, en vlamde felst op mij.

ELYMAS.

Maar gij ontslipte hem, en kwaamt inít end naarít westen.

SIMON.

Ik kreeg in mijn gewout deze oude en strijdbre vesten,
Daar allerhande slag, zoít Galilees als Joods
En Heidens, ondereen, mij aŠnbad, als iets groots,
Ja wierookte als een God; en zwarmde en zwierde, als muggen
Rontom mijn beelden; een inít midden van twee bruggen,
En een op Quirinaal. Maar Peter, uit zijn droom
Opschietende al verbaasd, komt hevig naar den stroom
Van Rome streven. Wij, voor dat gezicht, aanít schuilen;
Gelijk, voorít morgenrood, de vledermuis, en díuilen,
In een Cimmeries hol, of blinde moordspelonk;
Daarr nimmer zon noch maan, noch enig starlicht blonk.

ELYMAS.

Mij heugt uw vlucht van Rome; en ít ongeluk is ouder
Dan ít mijn, te Pafos; daar ik om den stedehouder,
Den schrandren Sergius, ook tegens Sauwels beet,
Weleer GamaliŽls scholier, die, fel en heet,
Mij schold een vrucht van Styx, doortrapt, en vals, en wrevel:
En, schuivende op mijn oog een nacht, en dikken nevel,
Kreeg zo het Cypers hoofd al smekende aan zijn snoer.
Men denkí, wat wraak ik toen dien wreden weiflaar zwoer.
Tot tuigen strekken mij zo veel getergde vloeken,
Gebraakt uit mijnen mond; zo veel vergalde boeken,
Gespogen uit mijn pen, die nergens spaart noch schroomt.
Den naam, die al ons vlucht zo kort houdt ingetoomd.

SIMON.

Ik, sedert Claudius bezocht de bleke scharen,
Hervatte ít werk, zo ras als ít puik der toveraren
Gedagvaard, werd ontbaald van Neroís hof en troon,
Die, zoet op toverkunst, Jupijn stak naar zijn kroon.
Toen most de maagre strot van Peterís kudde bloeden,
En blakeren. Ik groeide, inít bitterst van dat woeden,
En leerde elk wierookvat noch afgod te versma‚n,
En onder water door, en boven water gaan,
Omít martelen tíontvlien; en kon mijn list verbloemen
Ja, liet mij naar den naam van dien gekruisten noemen;
Wiens benden, op het punt van storten, en in last,
Om bijstand jammerden, schier dood, en afgevast.
Dees tweelingen, om mij de vleugels eens te korten,
Gewekt door dit gekerm en krijten, kwamen storten,
Een ieder uit zijn oord, als stromen, herwaarts aan.
Ik wederstond ze; maar wie kon hun wederstaan?
Zij deden mij de ziel, met bloed en galle, braken.
O spijt! ik voel, ik hoor mijn heupebeen nog kraken.
Ik stortte al tuimelend, met ziel en lichaam, neer
Ter aarde, en mijne ziel, geperst ten lijve uit, weer
Van díaarde in Plutoís poel: en blijft dit ongewroken?
Wij kregen last op nieuw Apostelmoord te stoken.
Op, Elymas, nu sla dien u met blindheid sloeg.
Hits Nero weder op: gij kent zijn aard genoeg.
Maar toef, waar blijft alít spook, gereed om op te trekken
íKzal stampen, dat het dreunt, en al den drommel wekken
Mijn leerkind, volg mijn stem. Op, geesten, klooft den grond
Der aarde. Sammelt gij? íKverdaag u met mijn mond.
Of stamp ik te vergeefs, met recht op u verbolgen?
Op, spoken, ítwas bestemd, gij zoudt uw leidsman volgen.

ELYMAS.

Zij komen. Díaarde loeit, en tsiddrend berst van een.
Nu braaktze zwavelvier, en rook, en stof, en steen.
Daar zijnze.

SIMON.

                  Wellekom, o nimmer slapende ikkers,
Zielmoorders, bloedra‚n, stokebranden, aartsverklikkers,
Trauwanten, die, gespitst opít schijnschoon vals en wreed,
Den god des afgronds dient, en stapt in zijnen eed;
Verblijdt u, want gij zult, met ons, uw kromme krauwels
Nu wassen, in het bloed van Peter en van Pauwels;
Die hier, in hechtenis en ketens, dag en nacht,
Vast morren, naar de lucht, gebeden zonder kracht.
Gij zult u heden met dien vetten buit vernoegen.
Dit zijn ze, die u staag uit íslichaams schorsen joegen,
En heersten over doŰn en spoken, zonder tal,
Niet eens in een gewest, maar stadig, overal.
Dit zijn de knevlers zelfs, die ons schriftuur verbrandden.
Dit zijn ze, dien gij sloegt in boeien en in banden;
Holpt geeslen, stenigen, verbannen, reis op reis.
Verspreidt gij u door stad: beveelt ons twee ítpaleis.
Bedrijft, gelijk noch korts, wat ongemeens, wat wonders.
Verwringt iet: breekt iet: speelt met hagels, bliksems, donders,
Verbaast, hitst op, deurspookt de kerken onzer goŰn,
Berokkent wat gij kunt. De kans stond nooit zo schoon.
Gij naar de Flamens. Gij naar priesters en Vestalen.
Gij naar vernuften, die op losse starren dwalen,
En drijven met den kloot des hemels nimmer moe.
Gij al uw best naar vee-en-vogelwichlaars toe.
O helden, laat u niet verbluffen van een sterker.
Gij holpt ít gehate paar in dien benauwden kerker:
Volvoert uw opzet nu, met onvergankbren lof
En steekt de horens, op, in spijt vanít hemels hof.
De hemel zelf verlaat zijn eigen afgezanten.
Gij sleet díApostelschap allengs, aan alle kanten,
Door zaag, of zwaard, of stok, of steen, of koord, of druk:
Een hoge dag voltooie alít vorige geluk.
Ik vlieg naar Neroís hof. Verspreidt gij u, bij driften.
íTlust Simon Simon nu, zo fijn als meel, te ziften;
Dat al de wereld zie, hoe reukeloos, hoe stout
De hemel kerken, op zo kranke zuilen, bouwt:
O dat geen macht zo groot verschijn, voor ísmensen ogen,
Waartegens ísafgronds macht en kracht niet op zou mogen,
De haan, vol slaaps, klopt nog de slapers niet aanít oor.
Ik strek een heldre maan bij duister. Datís u voor.

ELYMAS.

Wel meester, waar blijf ik? Wat oord wordt mij bevolen?

SIMON.

Nu, vraag niet. Volg mijn toorts, zo kunt gij niet verdolen.

PETRONEL, PLAUTIL

PETRONEL.

íTis meer dan tijd, om naarít gevangenhuis te gaan,
En komt Plautil nog niet? íTwordt spa: daar klopt zij aan.

PLAUTIL.

Doe open, PETRONEL. doe open, zonder schromen.

PETRONEL.

Tree binnen, moeder. Toef, ik zal hier licht doen komen.
Olympa, breng hier licht: waar blijft gij? Ė Nu, ga heen.

PLAUTIL.

Wel dochter, watís er gaands? wij spreken nu alleen.

PETRONEL.

Nu naar de Vaders toe, waar henen ik u leide,
Die niemand nader, tot verlossing van hun beide,
Kon kiezen dan Plautil, wiens ijver brandt als vier;
Nadien zij ít leerkind is van Pauwels; ik scholier
En dochter, naarít gemoed, van onzen Bisschop Peter.

PLAUTIL.

Tot noodhulp in gevaar verkoost gij niemand beter
Dan mij: maar dochter, hoe? wat durf uw jeugd bestaan?
O reukeloze jeugd, dit kan niet wel beslaan.

PETRONEL.

De jonkheid past wat stouts, en staat niet licht verlegen.
Bedaagdheid, rijp van brein, wil wikken, overwegen,
En waagt niet wichtigs, voor zijít wis en zeker ziet,
En ít stuk hebbe in haar macht maar neen, zo gaat het niet
In zaken van belank. íKmisprijs niet raad te vragen:
Maar altijd suffen, altijd wikken, nimmer wagen,
Bedrijft, bedijt ook niet.

PLAUTIL.

                                      íTis waar, doch wat kanít scha‚n,
Dat mijn zwaarmoedigheid den weg (wilít helpen) baaní
Ten kerker? Hindert het gevaarlijkheen te mijden?
Zij grijnzen, niet van een, maar schier van alle zijden,
Zo gruwlijk, dat mijn oog hier nauwlijks door kan zien:
Doch, zo gijít u getroost, in Gods naam, ítmoet geschiÍn.

PETRONEL.

Ai, zet geen zwarigheid, aleer ze wordt geboren.

PLAUTIL.

Gij wilt dan, eer wij gaan, wel eerst mijn inzicht horen?

PETRONEL.

Zeer gaarne, moeder: zeg, wat maakt uw hart bedeesd?

PLAUTIL.

Zij vreest niet ijdel, die bij tijds voorít uiterst vreest:
Want mist die tocht, gij helpt de Harders glad omít leven,
Hun kudde aan nieuw gevaar. Hoe menig zal er sneven,
Die nu nog veilig duikt.

PETRONEL.

                                      Wel moeder, vaar zo voort.

PLAUTIL.

Gij zijt nog jonk, mijn kind: maar ik heb nooit gehoord,
Hoe iemand uit dien muil des moordkuils zou geraken.
Hij slacht de hel, die weet van slikken, niet van slaken.
Dat Mamertijnse hol; of isít u onbekend?
íTis rotsteen, staal, metaal, al wat er klinkt ontrent:
Cimente muren, ijzre staven, kopre deuren.
Kan uwe tere hand die breken, buigen, scheuren?
Of draagt gij Samsonís kracht verborgen in uw haar?
Of meent gij, slechte maagd zo sluik van middel, daar
Te wringen oor e n muur waarin geen zon kan schijnen,
Als voor een halleve uur; en kwalijk zonder kwijnen
Vanít alverkwikkend licht? Zo isít er niet gesteld.
íTzijn dubble traliŽn: ítzijn werken voor geweld.

PETRONEL.

Beschrijf de kerker niet: datís tijd en tong versleten,
Voor mij, die menigmaal vervarsing, drank, of eten,
Of brief, of artsenij aan dees gevangens bracht.
Zijn maagdevingers teer; dit ijzertuig heeft kracht,
Die sleutels.

PLAUTIL.

                    Petronel, door wien of dit gelukte?
Wie was zo koen, die dit in was of potaard drukte?
Wie smeedde op vormen juist de rechte wederga?

PETRONEL.

Nu onderzoek niet scherp: dit baart min nut, dan scha.
Zeg op, wat vreest gij meer?

PLAUTIL.

                                              íTgebas der wakre honden;
Het wachthuis, daar ontrent; de schildwacht en de ronden;
Het volk, dat ísnachts langs straat te doen heeft bij geval:
En niet van enen kant, ik schrik van overal,
Voor mijn gedachten zelfs, en wat men niet zou dromen.

PETRONEL.

íKwil rond gaan in de zaak, zo hoeft gij min te schromen.
De honderd ogen, die den kerker gade slaan,
Ja bei de hoofden zelfs, Proces, Martiniaan,
(Door wonderheÍn verlicht, daar Peter opgesloten,
Hen met zijn eige hand, gezalfd heeft, en begoten;
Toen hij de bronaar sloeg in dien Tarpesen grond)
Begunstigen dit stuk, geen lasterlijken vond;
Nadien men ít Kapitool geen onheil poogt te brouwen.
Maar waarom bezigt men niet liever mans dan vrouwen
Of maagden? Blijven mans op zulk een aanslag thuis?

PETRONEL.

MariŽn houden stand bijít graf, ja onderít kruis,
Daar mannen angstig vliÍn, en nagels speer en doren,
Gelijk veel zwaarden, een Lievrouwehart deurboren.
En ofít mislukte, tíwaar gevaarlijker voor mans.
De maagden acht men minst; want wagen die een kans,
íTheet wijvenijver: ítgeeft geen omzien niet met allen.
Nu den Verlosser, eer wij gaan, te voet gevallen.
Gij zult op schildwacht staan, gelijk een halsvriendin.
Nu kniel, opdat men ítwerk aldus met God begin.
Verlosser, die, om elk te lossen, u liet vangen
En binden; en nu zit, aan ísvaders zij, behangen
Met enen mantel, rijk van Goddelijken gloed,
Waarvoor alít zichtbre licht zijn stralen strijken moet:
Gij Samson, die den mond des afgronds op kost sparren,
Dien roof ontweldigen, en slepen naar de starren;
Op ítgrimmig brullen vanít krankhoofdig hels gedrocht,
Dat, tegens uwe stem, een wijl niet kikken mocht:
O Heiland, moedig ons, om nergens voor te zwichten,
Verlos en redt die beide Apostolijke lichten,
Opít Schreien van uw Bruid Opít jammerlijk geklag
Van haar, die ongetroost dit pak niet dragen mag.
Ontruk uw hoofdkerk niet den steun der hoofdpijlaren,
De dragers van het dak, waaronder wij vergaren.
Begunstig onze hoop. Zoít anders is verzien,
Wij rusten in uw wil, die moet vůůr al geschiÍn.

PETER, PAUWELS

PETER.

O wakkerste van alle vogelen,
Die mij uit ísmisdaads doodslaap kraait,
En drijft, doorít klappen uwer vlogelen,
De zon aan, die zich oostwaart draait,
En lankzaam naar de kim komt rijden;
Terwijl ze alree bekommerd is,
Om díijzre traliŽn te mijden
Der Mamertijnse vankenis;
Die vasthoudt, in haar holle kaken,
Den weiflaar, dienít vanít harte kon,
Al willends wetends te verzaken
Den glans der onderdrukte zon;

Een zon, die aller blinden ogen
Genezen kwam: getrouwe haan,
Gij kraait, eer nog dees doek kan drogen
Alweer op elke wang een traan.
Gij morgenwekker, leert mij schreien
Gedurig, eer de morgenstar
De scheemring, voor dien glans, gaat spreien,
Waartegens ik niet opzien dar;
Waartegens ik niet op kan beuren
Dit romplig, schromplig aangezicht,
Díoogappels, week en blind van treuren;
Bezwalkt, beschaamd, en schuw vanít licht.
Heb ik hun nog niet uitgekreten,
Die waard zijn God noch zon te zien?
Heb ik mijn tong niet afgebeten?
Die, om gevaar en smaad tíontvliÍn,
Verlochende den rechten hoeder;
Verzwoer het al tíonnozel Lam;
Dat smetteloos van zijne moeder
Ter wereld, al de wereld kwam
In bloed en hartewater baden;
Zich offeren opít kruisaltaar.
O Paaslam, ik holp u verraden,
Inít onweer van die wrede schaar.
De kusser van ísverzoeners wangen
Verried maar eens der mensen zoen:
Mijn mond, nadat hij was gevangen,?
Verried, helaas! hem driemaal; toen
Hij vast bespot wierd, en bespogen.
Erbarm u mijner: zie omlaag:
Alziende Waarheid, straf mijn logen:
Verzwaar de ketens, die ik draag?
Wat woorden liet ik mij ontslippen!
Verzaakte ik zo mijn God, mijn heer!
Wat lastren schonden deze lippen!
Ik nok, ik berst, ik kan niet meer.
Mijn geest bezwijkt. Ik zijg ter neer.
Och, och, och, och, och, och, och, och.

PAUWELS.

Ai, meegevangen, staak dit nokken, staak dit stenen,
En laat mij sluimeren. Of zult gij eeuwig wenen,
Omít struikelen der tonge? om zo een woord, dat stil
De lippen los ontglipte, uit zwakheid, niet met wil?
Wat anders heeft de mond, wat anders ít hart gesproken.
Gij ziet, van hartewee, verkniesd, veroud, gebroken.
Dit kermen, nacht op nacht, verzwakt den ouderdom,
Versteurt den slaap, of maakt mijn nachtgebeden stom.
Ik schouw (want tranen uit berouw tot zuivring strekken
Van een bevlekt gemoed) u rein van deze vlekken.

PETER.

Mijn ambtgenoot, ik weet, ik rek uw taai geduld.
Te lang, doorít moeielijk vernieuwen van mijn schuld;
Zo menigmaal de haan aanít sluimrig hart komt kloppen.
Wat raad? mijn harta‚r berst, inít eerst allengs bij droppen,
Dan korter, drop op drop; dan giet ze beken uit:
En schrei ik niet, zo isít al eens of ít hart mij sluit.
Ai, medebroeder, laat mijn tranen ruim gaan weien.
Laat mij mijn doodvergrijp ophalen. Laat mij schreien.

PAUWELS.

Zo klagen ít hart verlicht, vaar voort met uwe klacht.

PETER.

De nacht vermaant mij weer aan ísHeilands jongste nacht;
Waarin díAartspriesters zelfs, schijnheilige ouderlingen,
En schriftgeleerden hem, met staal en stokken, vingen,
Door díopgeruide schaar, en dien Iskarioth;
Verkopende, om wat gelds, zijn meester, en zijn God.
Ik trof inít honderd, met den korten krommen degen,
Maar als vergeefs: elk vlood, en Simon stond verlegen,
Verlaten, en most zien, tot stervens toe bedrukt,
Hoe deerlijk Jezus daar zijn ogen werd ontrukt,
En steewaart in gesleept. íKzag om: elk was geweken.
íKhad nu door meesters last den houwer opgesteken;
En twijflende of mijn trouw hier mede mocht volstaan,
Volgde al beducht de torts en nachttroep achteraan,
Gelijk een dwalend lam al blatende den herder,
En tsiddrend voor den wolf; dan dichter, dan wat verder.
Helaas! zij sleurden ít Lam inít priesterlijke hof.
Ik zag dit, en verdroegít. Vergreep ik mij niet grof?
Och, och, och, och, och, och.

PAUWELS.

                                               Gij had u vroom gekweten.

PETER.

Ik stijg de trappen op, daar ít hof, op God gebeten,
Krioelt, en woelt, en galmt, en lastert, zo versteurd;
En KaÔfas kwansuis de kleedren rijt, en scheurt.
íKhoor spuwen inít gezicht, en klinken voor die wangen,
Waaraan zij ít doodzweet zien, bij rode drupplen, hangen.
Nu Christus, profeteer: wie klopt u voor den mond?
Een meisken, dat mij, in de voorzaal, zitten vond,
Stoof op: ditís ook vanít slag, die twist en oproer zoeken.
Ik schrik, verzaak mijn Heer, verdoem mijn ziel met vloeken.
Nog eenmaal, en nog eens; en daatlijk kraait de haan;
En Jezus ziet mij stijf met straffende ogen aan,
Die dringen in de ziel. Waar was ik toe gekomen!
Het hart wou op de tong, die liet zich nauwlijks tomen,
Wee mij, ellendig man! erbarm u mijns! o Heer.
Och, och, och, och, och, och.

PAUWELS.

                                              Mijn broeder, schrei niet meer.

PETER.

O Haan! de dag wou op: mij docht, mijn hart wou sluiten.
Ik gink beklemd omít hart, ten hove uit, recht naar buiten,
Mijn stille schuilspelonk ontvouwen mijn verdriet,
Inít eerst met stom misbaar: geluid slaan kon ik niet.
Ik sloeg voor deze borst; begon het haar te rokken
Uit mijnen vissers baard; verzuchtte, raakte aanít nokken,
Aanít roepen op het lest; lag plat opít aanzicht neer,
Zo koud, gelijk een vis, langsít Galilese meer,
Nog zieltoogt, op den kant des oevers, voor zijn sterven
Als die zijn element, het water, niet kan derven.
Ik schreeuwde: o waterbron des levens! help mij doch
Aan water: help mijn oog aan tranení is er nog
Wat hoops, wat levens, voor mijn ziel, in zilte plassen.
Maar neen, die vloekvlek is met tranen niet te wassen.
O mijn vermetelheid! wat heb ik mij beroemd
Van voorstand!
heilge dis, en spijs, die mij verdoemt.
O bloed, o drank, o kelk! hij spelde ít al te veuren.
O sleutels, wat poortier vertrouwt men íshemels deuren!
Gena, gena, gena. Toen schreide ik, vlaag op vlaag,
Mijn ogen rood en dik; en hardde ít schreien staag.
Laat tuigen van mijn rouw, om mijn bezweken ijver,
Die Starrebron, bijít hol; die zuivre en klare Vijver.
O Peter, was dat pal, gelijk een pijler, staan!
En kon een maagdeken een man inít veld verslaan?
íTviel makkelijker ít lijf, verkleumd van kou te warmen
Dan, met gevaar vanít lijf, uw meester te beschermen.
Och, och, och, och, och, och. Wat kan een ijdele schrik!

PAUWELS.

Gij zijt, Op verre na, zo schuldig niet als ik,
Die zelfs de klederen des stenigers bewaarde;
Daar Steven stortte met een hagelbui ter aarde,
En, van godvruchtig bloed, besprenkeld, paars en rood,
Mij lachen zag, wee mij! in zijn onnoozle dood;
Daarít lijk, halflevend, lag geplet van harde keien.
Laat Simon zwijgen: laat de bittre Sauwels schreien,
Wien Christus uit de lucht die gruwelen verwijt.
O Hoofd van ít Lichaam zelf, waarin gij sterft en lijdt!
O glans hadt gij een straal in mijn gezicht geslagen,
Eer bei deze ogen nog dien martler storten zagen.
Die Heilig bad voor ons, en steeg de wolken deur.
De stenen werden rood, mijn wreedheid hield haar kleur.
Mijn handen, hebt gij ook doornageld den Gekruisten?
Wee mij, wee mij, wee mij! Wie klinkt mij daar met vuisten
Zoo fel inít aangezicht? O nachtgeest, zijt gij dat?
Sla toe, íkverdien nog meer. Ik zit van bloed beklad.
Verneder dezen worm, eer hij zich verhovaardig.
íKvernoeg aan die gena; ben ik haar anders waardig.
Och, och, och, och, och, och, och, och, och, och, och, och.

PETRONEL, PETER, PAUWELS, PLAUTIL

PETRONEL.

Wat kermen hoort men daar? Wat wil dat stenen toch?
Wij naken het gevaar, en dienen niet te sammelen.

PETER.

Wie spreekt er?

PETRONEL.

                          Hoor, ai, hoor die ijzre ketens rammelen,
Mij dunkt, ik ken die spraak. Hou schildwacht in dien hoek.
Verneemt gij ronde, of volk, zo brem eens. Hou u kloek.
De maan komt op, wiens schijn mij luttel kan behagen.
Het licht is zelden vriend van heimelijke lagen.
Dat geldt, in Jezus naam.

PETER.

                                        Hoe gaan wij? slim, of wel?
Waar sleept men ons bij nacht? wie leidt ons?

PETRONEL.

                                                                          Petronel,
Uw dochter naarít gemoed. Ik bid u, volgt te gader,
Ai, oude Vader, volg; gij mede, o goede Vader,
In dezen achterhoek, en uit den maneschijn,
In schaduw van dien muur: dat zal wel veiligst zijn.
De schildwacht heeft den slaap vrij gulzig ingedronken.
íKverneem nog geen gewag. Ai, hoor dien wachthond ronken.
Voor dezen drempel. Lof zij u, EmanuŽl,
Die dit beleidt. Dit schijnt geen menselijk bestel.
Het zou niet hinderen, al schuilden wij wat verder.
O Jezus, u zij lof. O aller herdren Herder.
Nu Vaders, gunt mij, dat ik mijn verlangen blus,
Dees handboei eens ontsluit. Laat mij betijen. Sus.
Een dalende Engel zij mijn hulp, en medewerker.

PETER.

Gij draagt de sleutelreeks van kluisters, en van kerker.
Mijn kind, wat droom is dit? wat durft gij op u la‚n?
Wie vordert u tot zulk een zorgelijk bestaan?

PETRONEL.

De vijftig zielen zelfs, gezaligd van uw handen,
Ter stede daar gij zuchtte, omít knijpen dezer banden;
De Roomse kudde zelf, van Peterís staf geweid,
En al wat, nacht en dag, om zijn verlossing schreit,
En vast, en waakt, en bidt (daar zij ter sluik vergaren)
Dat díOpperherder wil zijn onderherder sparen,
Ten minste nog een wijl. Gedoogt dan, en gehengt
Te volgen, hand aan hand, daar Petronel u brengt,
Inít onderaardse hol, bij zo veel aangezichten
En kennis; om hen door uw wederkomst te stichten;
Te sterken in den strijd uw strijdende gemeent.
Mij dunkt, ik hoor alree, hoe ít hol van blijschap weent,
En galmt; terwijl gij schijnt twee starren in het midden:
Dies volgt mij, op mijn bede, of liever op hun bidden.

PETER.

Zo Jezus dit behaag, hij zende een Engel neer:
Hij sluit den kerker op, en helpí ons, als weleer.

PETRONEL.

God bezigt Engelen, of dienst van zwakke mensen.

PAUWELS.

Maar Englen weten best, ofít nut is, ítgeen wij wensen.

PETRONEL.

De mensen holpen u weleer ter goeder uur.

PAUWELS.

Uit geen gevankenis, maar van Damaskusí muur.

PETRONEL.

Uit een gevankenis, van vesten, dicht gesloten.

PETER.

Waar Christus staag gevlucht, zijn bloed waarí nooit vergoten.

PETRONEL.

Het hoofd most bukken, tot verheffing van zijn leen.

PETER.

De leden met hun hoofd zijn lot-en-kruisgemeen.

PETRONEL.

De kudde treurt, wanneer de herder is ontslapen.

PETER.

De vrome herder zet zijn leven voor zijn schapen.

PETRONEL.

Wanneerít de nood vereist, dan zwicht hij voor geen dood.

PETER.

De grootste Harder smeet zich willig in die nood.

PETRONEL.

De grootste Harder leert de kleensten ít kruis ontvluchten.

PETER.

Maar onder en aanít kruis daar bloeien schone vruchten.

PETRONEL.

Ontijdig kruis brengt wrange en bittre vruchten voort.

PETER.

íTis altijd kruistijd. Kruis is ít schoonst dat mij bekoort.

PAUWELS.

Ik roem in Christusí kruis, ja sterven is mijn leven.

PETER.

Wat heeft mijn vlucht weleer al ergernis gegeven?

PETRONEL.

Uw leven stutte Gods vervolgde en wankle schaar.

PETER.

Mijn nazaat, roept mij God, neem deze schaapskooi waar.

PETRONEL.

Als God u roept, dan kan de nazaat haar bezorgen.

PETER.

Waartoe dit uitstel dan? Waartoe gedraald tot morgen?

PETRONEL.

De kinders scheiden van den vader tijds genoeg.

PAUWELS.

De vader zag lang grijs: hij scheidt nu niet te vroeg.

PETER.

Díolijfberg zag ons van dien lieven Meester scheiden.

PETRONEL.

Díolijfberg zag ook, hoe bedrukt Zijn jongers schreiden.

PETER.

Wij scheidden evenwel, getroost en onbevreesd.

PETRONEL.

Zijn Engel troostte u straks, daarna de Pinkstergeest.

PAUWELS.

Die zelve Geest kan u ook troosten en verkwikken.

PETRONEL.

Nu is het vluchten nutst, totdat wijít kunnen schikken.

PAUWELS.

íTgeen nut en oorbaar schijnt, past straks een ieder niet.

PETRONEL.

Zich zelven reukeloos te werpen in verdriet?

PETER.

Men eert den Heiland zo, door tranen bloed en wonden.

PETRONEL.

Strooit rozen voor het zwijn: worpt perlen voor de honden.

PETER.

Wat roos, wat perlen heeft Gods wijsheid niet gestrooid?

PETRONEL.

Nog bleef de boosheid blind, hardnekkiger dan ooit.

PAUWELS.

Dat zal haar in den dag des oordeels overtuigen.

PETRONEL.

Uw kinders krijten, om uw lering nog te zuigen.

PAUWELS.

Zij zijn nu groot: hun dient geen melk, maar sterker spijs.

PETER.

Misgunt men ons die rust, inít hemels paradijs?

PETRONEL.

Zij hopen daar met u te rusten, zonder ende.

PAUWELS.

Wat houden ze ons dan hier, gebonden aan ellende?

PETRONEL.

Uit liefde, en een gemoed van droefenis bekneld.

PAUWELS.

Men moet ten hemel zo instormen met geweld.

PETRONEL.

De hemel staat alleen niet op voor martelaren.

PAUWELS.

Ons Voorbeeld kwam aldus den hemel ingevaren.

PETRONEL.

Hij had zijn midlaars ambt voltrokken hier beneÍn.

PAUWELS.

Wij hebben hier den strijd, ons opgeleid, volstreÍn.

PETRONEL.

Gedenkt ons andren dan, die hier nog moeten strijden.

PETER.

Wie triomferen wil leer strijden, sterven, lijden.

PETRONEL.

Zij strijden moediger, daar hoofden voor hen treÍn.

PAUWELS.

Wij treden nu vooruit: waartoe dan dit gesteen?

PETER.

Ga, dochter, en ontlast die naar uw komst verlangen.
Wij geven op een nieuw ons wederom gevangen;
Zoo raakt noch gij, noch wacht, noch niemand in verdriet.

PETRONEL.

Heeft dan mijn trouw vergeefs gelegenheid bespied?
Vergeefs het lijf gewaagd, om u het lijf te bergen?
Och vaders, vaders och, hoe kunt gij ons dit vergen?
Is Petronel, ja al de kudde u niet meer waard?
Ten minste volg mij na inít hol, daar ít al vergaart,
En wacht, en treurt, wat om uw uitkomst is verlegen:
En kan u niemands raad noch liefde daar bewegen,
Noch houden uit den muil vanít gapende gevaar:
Zo keert vanwaar gij kwaamt. O al te vierig paar,
íKhoor onraad, zo mij dunkt, van volk op straat of ronde
Ik bidde u om de vijf kwetsuren, de vijf wonden,
Om speer en nagels; om de scherpe doornekroon,
Gevlochten om het hoofd, van Gods verdrukten Zoon,
Bewilligt Petronel haar hartelijke bede.
Of (weigert gij te gaan) ik trek, ik sleep u mede.

PLAUTIL.

Isít hier nog dralens tijd? Het schemerlicht breekt aan.
Ik hou van veer de wacht, en kan uw spraak verstaan.
De leste ronde komt. Gij zult het stuk ontdekken.

PETRONEL.

De Vaders weigren mee te gaan: men moet hen trekken.

REI VAN GEKERSTENDE SOLDATEN
ZANG.

Voor Jezusí naam, en Caesarís Rijk,
Hetzij in sterven, of in leven,
Staan wij gereed, een iegelijk
Zijn eer en eigen Recht te geven,
Door schuldige onderdanigheid;
Gelijk wij Gode en Caesar zwoeren;
En, met een wettig onderscheid,
Ons tweederhande wapens voeren;
DíOnzichtbare, om de blinde macht
Des afgronds Christelijk te keren;
De zichtbare, om geweld, met kracht
Der armen, van ísRijks hals te weren;
Vanít Kapitool, en al den Raad.
Dit past een Christen Rooms soldaat.

TEGENZANG.

Diezelve Caesar zal wel haast
Ons nieuwe Ridderschap bestoken;
Opdat ze, van de dood verbaasd,
Jupijn met wierrook ga beroken,
En den gekruisten Vorst verzweer;
Haar hoop, en zekerste betrouwen;
Den Vorst, die díafgoon preekt ter neer;
En tempels leert van harten bouwen,
Waarin hij leeft door zijnen Geest;
Veel min gediend met goud, en marmer,
Dan met een ziel, die zucht, en vreest;
En keert den levenden beschermer
Haar aanschijn toe, haar rug Jupijn.
Waar zal dan Christusí ridder zijn?

TOEZANG.

Al stonden wij, met hele benden,
Gekerstend, blank inít harrenas,
En dat er slechts een schrede was
Inít midden, tussen moordellenden,
En ít heidens offren, naar den sleur;
Wij koren Christus voor den keur:
Wij lieten zijgen weer en wapen;
De pijlen, speren, zwaarden slapen,
En offerden, als tamme schapen,
Ons willig op, aanít weerloos Lam,
Dat stom van zelf ten outer kwam.


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001