Joost van den Vondel (1587-1679)

PETER EN PAUWELS

HET TWEEDE BEDRIJF

CORNELIA, AARTSOFFERWICHELAAR

CORNELIA.

Aartsofferwichelaar, hou op van meer te spellen,
Uit zo veel tekenen, als gij ons komt vertellen,
Met die daar buiten staan. Ons gruwt van dit verslag.
Al wat men, nu te nacht, en ook voorhenen, zag
Op díaarde, of in de zee, of aan de lucht, gebeuren:
Beduidt verandering, en komt den godsdienst steuren.
Met enen ít ganse Rijk, de wijde wereld door;
Tenzij men ít slangenest en nieuw gebroedsel smoor;
Eerít met vergiften tand den hiel der priestren tarte,
En aanvlieg. Maar wie trekt den godsdienst nu ter harte?

AARTSOFFERWICHLAAR.

Dat komt op Caesar, ít hoofd der heiligheden aan.

CORNELIA.

Zo lijdt de godsdienst last, en kan niet langer staan:
Want hoe zou die inít Rijk der Koperbaarden bloeien?
De derde oudgrootva‚r dorst ísAartspriesters macht besnoeien;
Vererende eerst aanít volk den priesterkeur; waarmee
Zijn heilloze afkomst nu, op des Hoofdpriesters stee,
Vast pronkt; en stadig uit om díouters te verdrukken,
Betoont, tot ons verdriet, dat hem der oudren nukken
Nog zitten in den aard; wanneer hij ít oud geloof
Verdelgt; het heiligdom den krijgsliÍn geeft ten roof;
Ziet koor noch kerken aan; acht alles onverboden;
En smelt in krijgsoudij de goude en zilvre goden,
Ja díopperschutsgoŰn zelfs, met al wat Rome stut,
En sterkt. Al wordt de buik der schatkist uitgeput,
En ít schamel volk den rug, door schatting, ingereden;
Hij durf aan overdaad hun zweet en bloed besteden,
Ook ít priesterlijke goud, gespaard in tijd van nood.

AARTSOFFERWICHLAAR.

Mevrouw Cornelia, zijn moedwil, al te groot,
Beschaamt Salmůneus zelf. Wie kan dien hoogmoed temmen?

CORNELIA.

Die durf wel in de bron van Mars den vader zwemmen,
íTgewijde water daar ontwijden, door de smet
Van zijn onzuiver lijf, geplaagd inít kranke bed.
Maar wat ontziet zich een, die raad omlaag durf zoeken,
Door toverofferand, bij ongoŰn en bij vloeken
?
Die godloze, overtuigd in zijn verwaten geest,
Trad huiverig te rugge, opít Eleusijnse feest
,
Van die geheimenis, zo ras hij hoorde roepen:
Vertrekt, misdadigen: vertrekt, besmette troepen.

AARTSOFFERWICHLAAR.

íTvalt lankzaam, eer de plaag des hemels op hem druip. Ė
Maar opdat midlerwijl dees pest niet dieper kruip
Inít ingewand des staats; en glip door al de leden
Vanít Rijk; isít nodig ít hoofd van zulke nieuwigheden,
Aanít groeien dag op dag, te plettere te treÍn:
Gelijk Pilatus dat, inít hoofd der Joodsche steÍn,
Vermorzelde op een rots; hoewel die vruchtbre droppen
Nu grimmen, als een oogst, met giftige adderskoppen.
íTis nodig, dat er een, uit onzer aller naam,
Den Vorst hierom begroet.

CORNELIA.

                                          Maar wien acht gij bekwaam,
Om, met dit noodverzoek, den troon te voet te vallen?

AARTSOFFERWICHLAAR.

Wie meer dan u, mevrouw, of iemand van u allen?
O onbesproke ziel, en Moeder, zonder dat;
Die het Trojaans altaar bewierookt, met uw vat,
Hetwelk voor Vesta smookt; haar godheid aangenamer
Om u, die toegank hebt in haar geheimste kamer,
En wie ít Palladium alleen wordt toebetrouwd;
Om u, die ít eeuwig vier met voedsel onderhoudt,
En, nacht en dag, bewaakt: Voogdesse der Vestalen,
Uit welker aangezicht de kuisheid met haar stralen
Díonzuiverheid beschaamt, en ontuchts geilen nacht:
Uw lippen hebben ít hart des Vorsten in haar macht.
Uw woorden binden hem, gelijk vergulde schakels;
En Nero hoort uw stem, als goddelijke orakels
Hij schonk u ít recht, om naarít Olympisch feest te gaan.
Het bijl-en-bondelrecht blijft voor uw haarband staan.
De Burgemeesters zelfs, de Schouten en Raadsheren
Gaan uit den weg voor u. Woudt gij u eens verneeren,
Tot troost des priesterdoms; dat nergens heul aan vindt,
En strooit zo vruchteloos zijn klachten in den wind;
Dit eerloos rot zou zich niet langer durven reppen.
DíAartspriesters zijn alleen de goden, die u scheppen:
Dies ga ons tsamen voor, en roep uw Vader aan.

CORNELIA.

Noemt gij hem vader, om dat vaderlijk bestaan;
Dat vaderlijke hart aan Rubria bewezen?
Zo maakí ons Vesta straks vrij vaderloze wezen.
Hoe lang isít, dat het oog van zijn bedorve ziel
Op deze Rozemond, ít godvruchtig schepsel, viel?
Daar zij te kore kwam, met neergeslagen ogen,
En kaken, rood van schaamt; de zinnen opgetogen
Tot moeder Cybelee; haar godverloofde mond
Gepropt van lof; het hart van niemands min gewond,
Als van díaltaargodin, voor wie men haar zag knielen,
Met zulk een nedrigheid, dat alle nonnezielen
Ontstaken, door die vlam des ijvers, en dat vier,
Uitstralende uit gebaar, gelaat, en hemelzwier
Van haar; die nu niet scheen op díaarde te verkeren,
Maar in een gloed van geest en godheid te verteren.
De schaker vatte dit. Hij streek ten tempel uit,
En zwoer die witte duif te plukken, als zijn buit.

AARTSOFFERWICHLAAR.

Ai, moeder, krab niet op de wonde van dit lijden.

CORNELIA.

Zij kwam, ten hove ontboŰn, gerust den berg oprijden;
Niet dromende wat leed haar straks gemoeten zou.
Wat doet die schaker? Och, hij past op Vestaís trouw,
Noch sneeuw vanít nonnekleed; op spansel, riem, noch banden;
Maar smakt haar op het bed, met godvergete handen,
En rust niet, voor hij blust zijn vlam; en draagt nog roem
Opít schriklijk gruwelstuk, het zengen van ons bloem.
Laat tuigen, van haar weer, zijn opgekrabde wangen;
Het haar des koperbaards. Die booswicht gink zijn gangen.
Minerve, Veste, en wat ooit lust in kuisheid schiep,
Getuigen, hoe ze om hulp den hemel tsamenriep.
Ik rep van díandre niet, die ziende hem bewogen
Omít schoon gezicht, van spijt, een priem stak in haar ogen
Getroost veel liever ít licht te derven van de zon,
Dan hangends hoofds te gaan voor een verkrachte non.
Och, och, zwijg stil. Och, zwijg. Wat noemt gij hem een vader,
Dien nonneschender, dien altaarvloek, dien verrader!

AARTSOFFERWICHLAAR.

Geweldenaar, dat kan niet ongestraft vergaan.

CORNELIA.

Hem kwam, in onze kerk, noch korts een tsidderinge aan.
Díontheiligde godin scheen neder, uit den hogen,
Te dalen, en ontsteld te waren, voor zijn ogen,
Bezoedeld van die maagde-en-tempelschenderij:
Want waar hij gaat, of staat, het brein is nimmer vrij
Vanít wroegend schellemstuk. Wat stoft hij op den stamme
Der JuliŽn; door wien, daar Troje stond in vlamme,
Ons heiligdom van Veste, ons huisgoŰn zijn gebergd.
Waar heeft Anchisesí zoon de goden ooit getergd?
Vlood díeerste vanít geslacht, toen ít oude Troje rookte;
Hij zij de lest, die ít vier inít nieuwe Troje stookte.
O tempelen der goŰn, vergaan in rook en stof,
Waar sliep de bliksem, dat die ít godloos hoofd niet trof ?

AARTSOFFERWICHLAAR.

Vergeet uw leed, mevrouw: laat ijdle klachten varen,
En kom in nood te hulp ons haardsteen en altaren.
Verzelschap mijnen sleep, naarít hof van Caesar toe;
Opdat men zo ít gevaar van erger brand verhoe;
Nadien de hemel schijnt ontsteken, en verbolgen.

CORNELIA.

Ga voor. íK zal in karos u, met mijn maagden, volgen.

NERO, AGRIPPA

NERO.

Wat ofít verbolgen weer van dezen nacht beduidt?

AGRIPPA.

De luchtgoŰn borsten met hun gramschap teffens uit.

NERO.

Op hoge heuvels felst, en díallersteilste werken.

AGRIPPA.

Jupijn schept lust doorgaans te dondren op zijn kerken.

NERO.

Bestormt de godheid ítgeen haar zelf wierd toegewijd?

AGRIPPA.

Het zwanger aardrijk gink in arrebeid van spijt.

NERO.

Het steende, en kwam inít end al tsidderende aanít baren.

AGRIPPA.

Uw kamerdeur sprong op: gij zaagt iet gruwzaams waren.

NERO.

íKheb den Samaritaan, in mijnen droom, gezien.

AGRIPPA.

Wat komt díontruste geest, in Caesarís hof, bespiÍn?

NERO.

Den schouwburg, daar hij plofte, afgrijselijk vervloeken.

AGRIPPA.

Of zijn geknakt gebeente en dorre schenkels zoeken.

NERO.

Hij had het nog gelakn op ít Galilees gebroed.

AGRIPPA.

Gebroed, ítwelk hem, bij nacht te Rome, waren doet.

NERO.

De wraakzucht laat dien geest niet in den afgrond slapen.

AGRIPPA.

Die bezigt hem, als een van zijn getrouwste knapen.

NERO.

Hij vond nochtans geen trouw bijít vliegend drakenspook.

AGRIPPA.

Dat blies, als Etna, fel, ten neus uit, vier en smook.

NERO.

Het voerde hem om hoog: wij zagenít met ons allen.

AGRIPPA.

Het voerde hem zo hoog, om laag te laten vallen.

NERO.

Zo tuimelde Ikarus, te stout inít stout bestaan.

AGRIPPA.

De GalileŽr wonít van den Samaritaan.

NERO.

Dat prevelen had kracht, nog meer dan toverrijmen.

AGRIPPA.

Toen streden twee genans, en Sijmen wonít van Sijmen.

NERO.

Die dode Sijmen eist den levenden van mij.

AGRIPPA.

Datís díoorzaak, raam ik recht, van al dees spokerij.

NERO.

Vernoegt die aan geen straf van kerker, en van keten?

AGRIPPA.

íTis negen maanden leen, dat hij heeft vast gezeten.

NERO.

De boei en kerker zijn beletsels van veel kwaad.

AGRIPPA.

íKgeloof niet of hij zaait al zittende zijn zaad.

NERO.

De kerker wordt bewaakt van wakers, en soldaten.

AGRIPPA.

Zo nauw niet, of ter sluik wordt iemand ingelaten.

NERO.

De wakers tsidderen nochtans voor ons gebod.

AGRIPPA.

Wat durven krijgsliÍn niet, uit gunst of om genot?

NERO.

Of Sibyllisten nog te zamen durven scholen?

AGRIPPA.

Zij nestelen bij nacht in kelders, kuilen, holen.

NERO.

Daar steekt de middagzon hun niet te heet opít hoofd.

AGRIPPA.

Zij groeien nochtans aan: ít verboŰn wordt liefst geloofd.

NERO.

De ganse wereld lacht om zulke razernijen.

AGRIPPA.

Zij zelfs belachen elk, inít bitterst van hun lijen.

NERO.

Dat jongste lachen kwam daarna op schreien uit.

AGRIPPA.

Nog werd hun dolheid eer gesteven, dan gestuit.

NERO.

Heeft iemand lust aanít kruis het lijf te laten doemen?

AGRIPPA.

Het kruis is ít enig heil, waarin zij durven roemen.

NERO.

Vergeef hun vrij dien roem inít aangehaalde kruis. Ė

AGRIPPA.

Mevrouw Cornelia komt hier naar ísVorsten huis.

NERO.

Zij zoekt gehoor. Ik zal haar op den troon verbeiden.

AGRIPPA.

Ik zie een kuisen sleep van nonnen haar geleiden.

NERO.

Ook Priesters, Flamens, vee-en-vogelwichelaars.

AGRIPPA.

Het schijnt, zij hebben ít hoofd vol onweers, vol gevaars.

NERO.

Zij kraaien onweer, eer het onweer is geboren.

AGRIPPA.

De Moeder stapt vooruit. Verwaardig haar te horen.

CORNELIA, NERO

CORNELIA.

Der goden Moeder neem den Vorst in haar gena.

NERO.

Die zelve wake om u, mevrouw Cornelia.

CORNELIA.

De godheid van Jupijn, en Juno met Minerve|
Verletten Caesar, dat hij lang de starren derve:
Dat Rome lang geniet zijn tegenwoordigheid;
Waarvan de Raad en ít Volk niet zonder tranen scheidt.

NERO.

Uit liefde en trek tot Raad, en Volk, en burgerijen,
Bemin ik hen, die ons den hemel zelf benijen,
(o Ten beste vanít gebied. Sta op met dezen stoet,
n spreek vrij overend. Wat pijnigt uw gemoed?

CORNELIA.

De slaperige Nacht, van mankop overladen,
Was ruim ten halven wege, en reed met zachte raden,
Die nimmer kraken, stil en knikkebollend neer;
Als wij het eeuwig licht, met geurig voedsel, weer
Verkwikten, naar den plicht, waarin wij nooit ontbraken.
íTvergulde koorgewelf, vol weerglans, scheen te blaken
Van díonverzuimbre vlam; en niemand look een oog,
Maar zong, of las, of bad, en sloeg ít gezicht om hoog.
Wat beurt er ií Een gedruis komt kruipen door den drempel,
En spookt, en dwarrelt vast, rontom den wakkren tempel.
Een lucht, die recht naarít vier, haar keer allengskens nam,
Verwaait in ít eerst, doorklooft daarna die klare vlam,
En slorpt ze opít lest; als had een geest dien gloed gezopen,
Wij Nonnen, op dat spook, aanít schreeuwen, voort aanít lopen.
De tempel galmde naar, opít maagdelijk gekerm.
O Moeder Vesta, neem uw dochters in uw scherm.
Valt hier, op sluimeren of slapen, ít minst vermoeden;
Aartspriester, straf ons vrij met angelen en roeden.
O schendig lasterstuk! Och schreit vrij overluid.
Mijn kinders, och, och, och, ons heilig vier ging uit.

NERO.

Ik houde u buiten schuld. Het spookte in Vestaís koren
Alleen niet, maar Jupijn liet zich daar boven horen.
íTonblusbaar vier lag, meer dan eenmaal, uitgedoofd.

CORNELIA.

De bliksem trof Minerve en Jupiter opít hoofd,
In hun gewijd gebouw; gink dal en heuvel strijken;
Verzengende al de stad, of meer dan veertien wijken;
Verbrande ítworstelperk; ontsloot Augustusí graf.
Het heerlijk zegebeeld viel onlangs elders af.
íTgelauwerierde hoofd van Nero smolt tot klompen.
Natuur, naít zwangergaan, brocht hoofdeloze rompen
En dubble hoofden
voort. Een joffer baarde een slang.
íTgetroffen aardrijk schudde, en dreunde, inít bree, in ít lang
Van hier in Azien, en smeet de steen ter aarde.
De zon verborg haar glans; ítwelk duisternissen baarde,
En ons liet dolen, op het midden van den dag.
Een offerrede stier, daarít vier opít outer lag,
Versmeet het zout, en meel, met wreveligen horen;
Ontvlood des priesters bijl; en, loeiende van toren,
Werd veel hollens veer vanít outer neergeveld:
Een ijslijk voorspook, dat geen lichte rampen spelt.
Het dier, met hoofd aan been, huilt oproer, leert ons waken.
De zee, met storm op storm, afgrijselijk aanít braken
Van zeegedrochten, joeg de vissers doots van strand.
De schouwburg loeide, en ít hof. De hemel stond in brand,
En gloeide, meer dan eens, van langgestaarte starren,
Die met haar bloedig haar den staat vanít Rijk verwarren.
Augustusí wagen (als bewust van enig kwaad)
Raad Hiel in de renbaan stand, voorít aanzicht van den Raad
Die díelefanten zag verbaasd staan, en verslegen.
Van Alba kwam het bloed bij beken neergestegen.
De bliksemstraal, gelijk een gulzige Harpy,
Beroofde ísVorsten dis van zijne lekkerny:
Al tekens, die doorgaands van kwaad tot erger neigen,
En, met een grimmig oog den zuivren godsdienst dreigen,
Metenen Caesarís stoel; tenzij men eens ontwaak,
Met Flamens ga te rade, of volg gods wichelspraak;
Die, uitgeleerd op klank en merk van íshemels letter,
Het lichaam dezer stad wil zuivren van dien etter,
Waaruit een stank verrijst, die allen goŰn verdriet;
Wier gramschap blusbaar is, indien men voor zich ziet.

NERO.

Wat zuiveroffer zou dees vesten kunnen vagen?

CORNELIA.

Dit Galilese rot, grondoorzaak aller plagen.
Men vang dat offer straks van zijne hoofden aan:
Hoewel ít gerecht vandaag behoorde stil te staan.

NERO.

De heilge Claudius, mijn vader, heeft de Joden
Met hunnen aanhank, streng en hard, de Stad verboden:
Wij, tegens ít Christens schuim, de Vloeken opgeprest,
En stads gestichten brand, met godloos bloed, gelest.
Door dat weerspannig bloed, gemengd met kool en assen,
Zijn alle vlekken rein en zuiver afgewassen.
De goden brouwen ons, omít magere getal,
Een deerlijk overschot, geen wijder ongeval.

CORNELIA.

Een ongedoofde kool, waar onder winden stoken,
Gaat vreselijker aan, naít smeulen, en naít smoken.
Geen zorgelijker brand dan een verborgen gloed.
De minste vonk, wanneer menít allerminst vermoedt,
Verdelgt een grote stad. Geen euvel staat te vrezen
Zo zeer, als ítgeen men slof verwaarloost te genezen,
En dikwijls komt om lid, ja om het ganse lijf
En leven van den mens. Dees aanhank trekt zo stijf
Het snoer van zijnen droom, inít bekkeneel begrepen;
Dat die inít eerst het volk allengs met zich zal slepen,
Daar na Augustus zelf, en zo den helen staat.
Dees kanker kruipt al stil inít hof, en in den Raad.
De keurebenden gaan niet vrij van zulke koortsen.

NERO.

Men diende zich van hun bij nacht in stee van toortsen,
En brandde schoon er uit dien stokebranders-aard.
Gij zijt, voor ijdel spook, en schijn en schim, vervaard.

CORNELIA.

Zij dreigen ít bloeiend Rijk met Joodse wichlerijen
Vanít wonderlijk beloop der wereldheerschappijen,
Verbeeld door zeker beeld van vierderlei metaal;
De voeten slechtst van stof, gemengd uit leem en staal;
En hoe een kleine steen, maar zonder hand gereten
Van enen berg, dat beeld te pletter hebí gesmeten,
En groeide tot een berg, ja tot een wereldkloot.
Wat Rome hoopt of niet, hun hoop is ruim zo groot.

NERO.

Een kranke troost, indien ze ellendig zijnde, iet hopen.

CORNELIA.

Zij hebben al het Rijk, zo wijd het paalt, doorkropen,
En stad en land alom in rep en roer gebracht;
Als haters van de goŰn, en ít menselijk geslacht.
Zo scheldt hen Azien, de Nijl met al zijn goden,
En al het onrooms bloed. Zo schelden hen de Joden,
En Grieken; en wat, van Jeruzalem tot hier,
Ons kerkzeÍn viert, en volgt; ook Moor en Arabier.
Dit zijn ze, die ons goŰn en Caesars diensten weigeren,
En halssterk naar de lucht, als nieuwe reuzen, steigeren.
De priester van Jupijn heeft, met gekransten stier,
Dees GalileŽrs geviert
. Diane trilde schier,
Inít hollende Ephesus, op haar gewijden drempel.
Athenenís grijze school noch Pallasí wijze tempel
Zijn nauwlijks van die smet gelaten ongeschend.

NERO.

TíAthenen staan de school en kerk nog overend.
Wie bouwt vanít slechte brein ons dus een werelds wonder?

CORNELIA.

Hoe slecht menít acht, hier duikt wat groots, wat heerslust onder.
Geveinsde ootmoedigheid is dubble hovaardij;
Die walgt vanít laag, en vtamt op macht, en heerschappij,
En rijkdom, onder schijn van alles te versmaden;
Terwijl al Krezusí schat haar schatzucht kan verzaden
Noch stoppen; zee noch land die scepterzucht bepaalt.

NERO.

De zon van Rome is tot die laagte niet gedaald,
Dat enig licht zich, aan de lucht, durf openbaren,
Opít godlijk spoor, waar langs August kwam opgevaren.
Ook staat ons noodlot vast, en schiet een schot hiervoor.

CORNELIA.

De Nazarener zaait bedekt de wereld door
íTverwaten zaad, den oogst, die tíeffens op zal komen.
Een oude wijveklucht, verzieringen, en dromen
Geraken inít geloof. Het lichtgelovig volk
Acht Wichlaar noch Sibyl, Hetrus noch hemeltolk,
Noch drievoet noch gordijn, noch Delphis noch zijn koren;
Maar loopt dien onbesuisde, als Gods orakel, horen,
En ziet hem naar den mond; die knaagt Apolloís eer.
Zijn riem ontbindt de koorts. Men zet de baren neer,
En bedden in zijn schim, als gaf ze doden ít leven
.
Een visser dreigt kwansuis ons goden, dat ze beven.
Wij schopten doorgaands uit Egipters, en ChaldeÍn,
Ook korts ons Stoicijns: en lijdt men dees HebreŽn?
Beguichelaars vanít grauw.

NERO.

Watís aan dit paar bedreven?

CORNELIA.

Niet veel, werd dagelijks hun aanhank niet gesteven,
e water en te land, met brieven, of met boŰn;
Gezwore lasteraars van godsdienst, en van goŰn.
Maak ons díaanleiders kwijt, waaraan dees zwarmen hangen.
Gij hebt ze in uw gewoud: maar waartoe dient dit vangen;
Indien men telkens spaar den vorst vanít horzelnest?
Verplet dit hoofd: verstrooi dees onderaardse pest,
Gewoon, bij al wat rot, en zielloos aas te groeien
.
Wat snood, wat schendig is, wil hier wel tísamenvloeien,
Daarít licht in aanzien stijgt, tenzij het werd geblust.
Nu spreek ik niet als met den nazaat van August,
Maar den hoofdpriester zelf, wienít vierig past te waken,
Als ít oog der goddelijke en menselijke zaken;
Opdat men ít hemels Recht toch niets ontrekí ter sluik,
Doorít sloffen inít aloud voorvaderlijk gebruik,
En aanwenst van iet nieuws, zo driftig en onzeker.
Díoprechte Numa stelde u tot een ijvrig wreker,
En rechter, over al, wat zich te buiten gaat.
Gij zijt de kopre zuil, op wien die godsdienst staat,
Waarbij dees Stad, gesticht tot een voogdes der volken,
Achthonderd jaren stond, en uitsteekt door de wolken,
Met haar geblutsten helm, en vreselijke speer;
Voor wie de koningen opít aanzicht vallen neer;
Of treuren, hangends hoofds, getemd door nederlagen,
En slepen díijzre boei, voor haren gouden wagen.
Zij bidt u, zij beveelt u dezer beider straf.
Zij roept: och keert die schand van mijn altaren af,
En kerken. Draag toch zorg voor kerkzeen, en geboden
Van Numa. Laat niet toe, dat Rome, een stoel der goden,
En aller heiligheid, onteerd werde, en ontwijd,
Door dees wanschapenheÍn, gebroedsels van den Nijd;
Die loos, ontveinzende zijn aangebore nukken,
Dat goddelijk sieraad u van de kruin wil rukken,
En heersen op dien troon, u wettig toegeleid.
Stadhouder van Jupijn, en van zijn Majesteit,
Gij ziet, hoe onze en al der priestren ogen leken:
Nadien de tong bezwijkt, laat aller tranen spreken.

NERO.

Nu Moeder, zijt getroost. íKheb uw verzoek verhoord.
Agrip, men vaar terstond met dees gevangens voort.

REI VAN GEKERSTENDE SOLDATEN
ZANG.

Geen Gallen leiden lest de Stad in kolen,
O neen; maar ingeboren bloed
Zag stil, en met een koelen moed,
Zijn torts zes etmaal lank gaan ommedolen;
Dan in de dalen, dan gezwind om hoog,
De bergen op, de starren likken,
Met gloende tongen; rook verdikken,
En smook verdunnen
, onder íshemels boog;
De vlam dan weder flakkren, als herboren,
Doorít overslaan, van rak in rak.
Hier gaf een hof of kerk een krak:
Daar borsten muren: ginder stortte een toren.
Het volk aanít bergen, ginswaart op, dan hier,
Maar al vergeefs. Vulkaan voer spelen,
En teerde op stads twee derdedelen.
Geleek toen Rome niet een zee van vier?
O ijdelheid der hoven,
Aan lucht, aan as, aan rook, aan stof verstoven.

TEGENZANG.

Hij, zoet opít blaken, past op klacht noch krijter,
Schept adem in dat vierprieel,
Een deerlijk kostelijk toneel;
En stelt opít kermen der gemeent zijn cijter.
Hij ziet den Tiber nu voor Xanthus aan,
Waar in de brand zijn weerga schildert.
Hij ziet het volk, verbaasd, verwilderd,
Op straten, daken, ít onheil tegenstaan;
Of bleke wanhoop in den viere springen;
Den kleinen neef, aan Panthusí hand,
Vast rukken
naarít Sigese strand;
Gedrang van schimmen doods te poort uit dringen;
En sticht opít bernen vast, in zijnen zin,
Een nieuw paleis, en schoner straten
.
Zijn brein, alrede als uitgelaten
Met bouwen, brokt er koninkrijken in:
En, hoger in zijn wapen,
Acht alle dink om ťťn alleen geschapen.

TOEZANG.

Op smokend puin, en kool, nog ongedoofd,
Zit zijn Quirijner, van geduld beroofd,
Met jammerlijk misbaar,
De handen in het haar,
Bestrooid met gruizige as;
En schreit een bittren plas,
Of knarsende op zijn tand,
Vervloekt den stokebrand;
Die om de wraak te sussen,
De glimmende as durf blussen
Met Christens bloed, dat eeuwig klaagt,
Door duizend doden heengejaagd,
Met ongemat geduld:
Maar ieder schuift de schuld
Op een, dieít nu ontschuldigde getal,
Gehaat als godloos overal
,
Verdoet, zijn lust, niet hunliÍn, te geval.


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001