Joost van den Vondel (1587-1679)

PETER EN PAUWELS

HET DERDE BEDRIJF

PETRONEL.

Nu springt van vreugd mijn hart, ontboeid van duizend zorgen.
Ik heb, ter goeder uur, díApostels juist geborgen,
Toen hun die donkre wolk des doods hing overít hoofd.
O Engel, die hen leidde, o leidsman, zijt geloofd.
Ik zag al bevende van achter, hoe zij traden
Ter poort uit, door de wacht. Hoe was mijn geest beladen!
Hoe hing aan ieder haar, van angst, een druppel zweet!
Al wat mij voůrkwam green afgrijslijk, wreÍr dan wreed.
íKgeloof dat Engelen des wakers oog misleidden;
Of sluiers, dun van mist, omít hoofd der Helden spreidden.
Zij raakten veilig uit. Hun uitgank viel mij zuur,
Die, al beklemd omít hart, liep kijken op stads muur,
Zo veer het oog, opít spoor van Appius, kon reiken.
íKvernam geen onraad meer, noch enig droevig teiken,
Totdat ze uit mijn gezicht, met druppelen bedouwd,
Verdwenen, daar de steen des mijlpaals schildwacht houdt.
Hoe zwaarlijk kon men hen tot deze vlucht bewegen!
Wat dronk de dorstige aarde een al te bittren regen
Van tranen, eer de drang der vromen hun gemoed
Kon scheuren, van die schaar, bij wie zij ziel en bloed,
En lijf en leven zich getroostten op te zetten;
Te vliegen, zonder schrik, in díuitgespanne netten.
Hoe kweet zich Aquila, Marcel, Lucijn, Priscil;
Hier Titus, Lukas; daar díaanhoudende Plautil.
Wat zocht hun Cletus niet, wat Clemens in te scherpen.
Hoe poogde Linus daar hen over stag te werpen.
Nu springt mijn hart van vreugd. Wat moeite en zweet het kost,
Zij zijn, ter rechte tijd, uit doodsgevaar verlost,
Kan ik mijn blijschap wel verzwelgen, ofte helen?
Wiens trouwe zal mijn mond zijn blijschap mededelen?

PETER, PAUWELS, PETRONEL

PETER.

Hier zijn wij wederom.

PAUWELS.

                                       Dat geldt zo recht naarít hof.

PETRONEL.

O Jezus, wat komt hier? Wie geeft mij weder stof
Tot schrikken? zijt gijít zelf? Of isít uw geest, mijn Vader?
O Vaders, zijt gijít zelfs?

PAUWELS.

Verschrik niet: tree vrij nader.

PETRONEL.

Wat reukeloosheid voert u in den jongsten nood?
Och, gaat niet voort: gij gaat in een gewisse dood.

PAUWELS.

Die zoeken wij.

PETRONEL.

                          Ik sterf. Gij hoeft haar niet te zoeken,
Zij komt u thuis van zelf, en loert uit alle hoeken
Der stede. Och, Vaders, och, wat jaagt u steewaart aan?
De krijgsliÍn zoeken u: want Caesar had verstaan,
Hoe gij, ter sluik, bij nacht, met list waart uitgebroken,
De wakers lijden last, indien het wordt geroken,
Wie uwe boeien hebí door zijne trouw geslaakt.
De Hel heeft heilig en onheilig opgemaakt,
Om Neroís gramschap, die gedoofd scheen, weer tíontsteken;
En houdt het voor gewis: uw vonnis leit gestreken.
Proces, Martiniaan
zijn (zo men zeit) alree,
Ontboden voor Agrip, opít missen van u twee.
Tenzij die beide van uw uitkomst reden geven,
En klaar bescheid; tíis omgekomen met hun leven.

PETER.

Zo stellen wij ons best voor hunliÍn in, als borg.

PETRONEL.

Och, Vaders, duikt terstond. Verlost mijn hart van zorg.
Het uiterste gevaar leerde u mijn trouw beproeven;
En komt gij mij daarvoor zo hartelijk bedroeven?
Wee mij! Wat ga ik aan? Och mannen, vlucht van hier.

PAUWELS.

Rechtschape hopliÍn past te volgen de banier
En standerd, dien zij trouw, inít heilig water zwoeren,
Te vechten, daar het hoofd des heirs hen aan wil voeren.
Wij keren in den strijd, door Christusí eigen last.

PETRONEL.

Wat taal is dat? Hier zijn verborgendheen aan vast.

PAUWELS.

De Hertog van Gods heir gemoette ons beide weder.

PETRONEL.

Mijn hart wordt koud. Ik zwijm: och , zet mij hier wat neder.

PETER.

Nu dochter zijt e rust. íTis nu geen treurens tijd.

PETRONEL.

Wie jaagt u wederom inít bangste van den strijd?

PAUWELS.

Wij zeggen, Christus stuurt zijn boden herwaart henen.
Wij hoorden Jezusí stem. Hij is ons zelf verschenen.

PETRONEL.

Verhaalt dan waar, en hoe de Heiland u ontmoet.
Beschrijft mij zijn gedaante, en geef mijn hoop wat voet.
Zo ras wij beide ontrent den eersten mijlpaal kwamen,
En voor noch achter ons iet zorglijks vernamen;
Begon een zwarte wolk, een dikke donkre lucht,
Te dalen op den weg; vanwaar een zware zucht,
Gelijk van een ter dood bedroefde, zich liet horen.
Toen kwam ons een gesteen tot driemaal toe ter oren.
Wij hielden, opít gesteen en zuchten, tsamen stand,
En vatten, wat beducht, malkanderen hand aan hand.
Terwijl de zinnen dus vast opgespannen waren,
Begon ie bruine wolk allengskens op te klaren,
(Gelijk de hemel in het krieken van den dag)
Tot datmíer in en door en iet in roeren zag,
íTgeen naar iet menslijks zweemde; en wij, die vierig baden,
Vernamen, na een poos, den Kruisvorst, overladen
Met zijn altaar, het kruis, dat van de schouder hing;
Een last, waaronder hij gekromd en bukkend ging,
En hijgde al ademloos; terwijl de dorens pramen
íTgekroond en hangend hoofd; de pijnelijke stramen
Der doorgeslage borst vast leken, en het zweet
Vermengen met zijn bloed; dat in den zoom vanít kleed
Komt vloeien, langs den hals, doorít haar, door al de leden;
En sleept al zijpende de geesten naar beneden.
De mond stond op van pijn. De lippen zwollen dik,
En paars, en blauw. íTgezicht gaf glinsterende een blik
Van water, hier en daar nog drupplende op de wangen.
De winkbrauw zakte opít oog, en scheen verslenst vanít hangen.
Men zag geduld, gemengd met pijn en moed, in hem.
Inít kort hij kroop, gelijk weleer Jeruzalem,
En drie MariŽn, en wat nog zijn kruisgank deerde,
Hem zagen, in dien schijn, toen hij zich ommekeerde,
En aan dien vrouwesleep, een dun, een teer getal,
Díaanstaande straf voorzei, en stads gedreigden val.

PETRONEL.

O Jezus, gaat uw geest in die gestalte waren?
DíOlijfberg zag u zo niet op de wolken varen.

PETER.

Nog zo verkeerde hij, op Thabor, in een zon,
Waartegens mijn gezicht en oog niet opzien kon.

PAUWELS.

Nog zo verscheen hij mij, die kerkers, klingen, koorden
Gereed had, om zijn volk te martelen, te moorden.

PETER.

Zo scheen zijn staat verkeerd, op een bedrukte wijs.
Mijn haren staan te berg, ik stokstijf, koud als ijs.
íK verman me inít einde, en vraag: mijn heer, mijn God, waar henen?
Waar leidt uw reis, mijn troost? Hij antwoordde eerst met stenen,
Geborsten uit een hart, dat van benauwdheid sluit.
Ten leste borst zijn stem, doch flauw en hees, dus uit:
Dat gaat naar Rome, om mij nog eens te laten kruisen.
Straks hoorde ik, in de lucht, gesnor van vleuglen ruisen;
En alít gezicht verstoof, verdween, voor mijn gezicht,
Door Jezusí aanzicht dus gehelderd en verlicht.
Dat moedigt mij ter dood. Men keert daarop te stouter
Naar stad, daar God ons eist ten offer, en ten outer.

PETRONEL.

Och, anders schikt de mens, en anders schikt het God.

PETER.

DíAlziende spelde mij dit kruis, dit martellot,
Al overlang, niet lang nadat, aanít hout ontslapen,
En ít nare graf ontrukt, zijn kooi, zijn kudde schapen,
Niet eens, maar driewerf, bleef bevolen mijnen staf;
Toen hij mij liefde vergde, en ik hem antwoord gaf.
Mijn trouwste leerling, sprak de Meester, die nooit rustte,
ĄGij gorde u, in uw jeugd, en gingt, waarít u gelustte;
Maar in uw ouderdom zult gij, dees handen lank
Uitstrekkende, en gegord van andren, uwen gank
Eens zetten derwaart, daarít hun lust u heen te leien.Ē Ė
Nu wordt dit rijp. Die kelk was mij van toen bescheien.
íT wil tijd zijn, dat ik eens verhuize uit íslichaams tent.
God roept mij tot dit kruis
. Mijn baan is afgerend.

PAUWELS.

En ik voorzag al lang mijn offerand genaken.
Mijn loopstrijd zal terstond het vrolijk einde raken.
Mij dunkt, íkverander al in goddelijk gestalt.

PETRONEL.

En ik gevoel, helaas! hoe bitter ít scheiden valt.

PETER.

Nu dochter, staak dien rouw, en volleg ons niet verder.
Gehoorzaam Linus nu, verwilligd tot een herder,
Nadien hem Clemens ít lot van mijnen zetel gunt.
Verkwikt u onderling, ten beste dat gij kunt.
DíAlziende waakt met troost voor zijne schare, inít midden
Van allerlei verdriet. Wij zullen voor haar bidden.
íTis nodig dat wij gaan, daar God ons henen zendt.

PETRONEL.

Ik hoop u evenwel te spreken, voor het end,
En scheide, maar met smert. Och, Vaders, gij gaat sterven.
Och, och, wat valt het zwaar uw aangezicht te derven!
Doch niettemin, nadienít mijn Konink zelf gebiedt;
Volbrengt Zijn noodgebod. Gaat heen, ik houde u niet.
Ik hinderít niet. Gaat heen, ít gedij tot Jezusí ere.
íTzij verre dat men u inít heilig opzet kere.
De wettige eigenaar van lijf en ziel alleen
Is God; die eist ze beide. O Vaders, gaat dan heen,
Als offerlammers, naar die slachtbank, u beschoren.
Wij zijn tot zulk een kroon niet altemaal geboren.

AGRIPPA, PROCES, MARTINIAAN

AGRIPPA.

Men vond geen breuk, aan muur noch poort, noch enig slot
Des kerkers. O wat hoon! dit schijnt in ernst gespot
Met Cesar, dat men durf zijn halsgevangens slaken,
In spijt vanít wachthuis zelf, daar zo veel ogen waken.
Ik heb Proces gedaagd, en ook Martiniaan,
De hoofden van de wacht. Hoe euvel wilít vergaan,
Indien ze beide niet vanít onheil reden geven?
Ik zweer gans Rome wil van zulk een straffe beven;
Wanneer ikít al, wat hier omheind was of ontrent,
Ten nutten spiegel stel: gelijk men is gewend
Te straffen, al degeen, die zo meinedig handelen,
En, eerloos in den aard, voor trouwe dienaars wandelen.
Daar komen ze. íKzal eerst, uitvarende al gestoord,
En gaslaande elks gebaar, hen vatten woord voor woord;
Of ik ze listig kon verbluffen, of verstrikken.
Meinedigen, durft gij, en zonder eens te schrikken,
Verschijnen voor Agrip, dien gij te leure stelt?
Wanneer gij, omgezet, en omgekocht met geld,
Of errefvijanden des Roomsen keizers gunstig,
Bij nacht gevangens slaakt, zo meesterlijk en kunstig:
Terwijl de meester slaapt, op uw gezwore trouw,
Veel vaster dan op muur, of slotwerk, of gebouw.
Dat stuk zou mensen min dan logge honden passen;
Die wekken, in gevaar, den meester nog met bassen,
En janken; daar gij zwijgt, als in den wijn versmoord.
Ik zweer.

PROCES.

                Nog heeft mijn heer onze onschuld niet gehoord.

AGRIPPA.

Wat onschuld grijpt hier plaats?

MARTIAAN:

                                                    Ten minste hoor ons spreken.

AGRIPPA.

Wat spreken? Zegt mij fluks, wie heeft dit stuk besteken?

PETER, PAUWELS, AGRIPPA

PETER.

Mijn heer, ik ben die man, om wien gij u zo steurt.

PAUWELS.

Men schuif de schuld op mij, indien hier is verbeurd.

AGRIPPA.

Zegt op, hoe hebt gij ít lijf des kerkers klauw ontwrongen.

PETER.

Ik vond den kerker op, en ben zo uitgesprongen.

AGRIPPA.

Wie bootst de sleutels na vanít nauw ontsluitbre slot?

PETER.

Wat sluitbaar is, ontsluit díalmogendheid van God.

AGRIPPA.

Zijt gij ons goden dan en ít heilig Recht ontwossen?

PAUWELS.

íTvalt mijn Verlosser licht zijn dienaars te verlossen.

PETER.

Tíis om de streek van zes en twintig jaar geleÍn,
Dat Cezar Claudius den scepter van Judeen
En heel SamŠriŽn Herodes gaf te dragen;
Die, om den blinden haat der Joden te behagen,
Het hoofd van Gods gezant dorst rollen in het stof;
En mij, eení slechten roof, den toren van zijn hof,
En acht paar wakers, gauw als afgerechte valken,
Vertrouwde, opdat men hem zou mompen noch verschalken.
Jeruzalem hiel feest. Mijn kudde vastte, en bad
Den Heiland aan, om hulp, toen ik gevangen zat.
De nacht gaat voor den dag, die mij ten toon wil stellen.
Veel vege tekens niet dan doodse rampen spellen.
Twee ketens binden ítlijf wel vast; de geest blijft vrij.
De wacht bewaart de poort; een krijgsman elke zij:
Wanneer het duistre hol des kerkers wordt beschenen
Vanít licht des Engels, die mij wekt, en roept: ga henen.
Schiet aan, omgord uw kleed: trek ras de schoenen aan.
Ik strijk de kluisters af, en stel mij om te gaan,
Als in een zoeten droom, door díeerste en tweede wachter.
Mijn leidstar stapt vooruit; ik volg haar glans van achter,
En koom aan díijzre poort, die opspringt voor mijn oog.
Ik kies de stad. De Geest verdwijnt, en vliegt zo hoog,
Als díofferande stijgt van mijne dankbre lippen.

PAUWELS.

Ik raakte in hechtenis, inít Macedoonse Flippen,
Om een waarzeggeres, bij den gebedestroom,
Door Jezus groten naam verlost van ísafgods toom;
Waarbij haar heren lang geen magre winst genoten.
Ik zat er in den stok met Silas ísnachts gesloten.
Het bloed droop langs het streng gegeseld lichaam af.
De lippen roerden vast en zongen; ít zingen gaf
Een goddelijken galm, die boven uit den toren,
Recht opsteeg door de lucht, door zo veel hemelkoren,
Inít juichend Paradijs; daar ik met lijf en geest,
Of, buitenít lijf, met geest of zinnen ben geweest.
Terstond begon de grond
, op díaandacht der twee bidderen,
Gelijk van schrik geraakt, te daveren, te tsidderen:
Toen volgde ít rammelen van koper, ijzer, staal.
De deuren knarsten eerst op tanden van metaal,
En sprongen echter op: cipier en wakers wakker.
De stokbewaarder, bang voor mij, voor mijnen makker,
Stak op; en, wanende dat al de kerker vlood,
Greep ít uitgerukte zwaard, en dreigde zich de dood.
Ik riep: ĄVerschoon uw ziel: wij zitten hier te zamenĒ.
Hij vloog met licht er in, en wies ons rode stramen,
En viel ons bei te voet, met zijn herboren huis;
Hetwelk, vol blijschap, roemde in Christusí dood en kruis.

AGRIPPA.

Gij trouwelozen, zoekt uw moedwil te verbloemen,
Maar zult vergeefs op kruis en dode goden roemen.
Trauwanten, boeit Proces, en boeit Martiniaan,
Opdat men boezem zulk een lasterlijk bestaan.
Verleert dit vluchtig paar zijn vlucht met scherpe roeden,
En leidt het dan voor ons, men koelt die koorts met bloeden.

REI VAN GEKERSTENDE SOLDATEN
ZANG.

Hoe menig Christen zagen wij
Aanít kruis al levend hangen,
En díogen met verlangen
Naar Christus slaan, getroost en blij?
Hoe menig in een hartevel
Of borstelen gesteken,
En bij een wild geleken,
Verstrekken voor een guichelspel
Der wreedheid, zoet op Christenjacht,
Met losgelate honden;
Te godloos aangeschonden
Op Gods geduldigste geslacht?
Hoe menig werd inít diereperk
Den luiperd voorgeworpen,
Verhit om bloed te slorpen?
Aldus voltrok de dag zijn werk.

TEGENZANG.

Maar síavonds gaat het vieren aan
Met mensen, die op staken
Gespit, als fakkels blaken,
En in geteerde rokken bra‚n,
Of flakkeren in wassekleÍn.
Hoe gloeien ísVorsten hoven
Van vier, gelijk een oven!
Was ít heidens hart toen staal of steen,
Dat het niet smolt in zulk een gloed?
Ons docht, wij zagen Engelen
Zich in die vlamme mengelen.
Wat schaal vol geuren riekt zo zoet
Voor Jezus, als die bittre smook
Van zijne liefste panden:
O zalige offeranden!
O Godbehagelijke rook!

TOEZANG.

Nu geven willig zich ten roof
De standerddragers vanít beproefd geloof;
Niet als ons DeciŽn, om eigen roem,
Van korten duur, gelijk een bloem;
Maar om Gods eer. Wat klinkt er beter?
En niet te min de Faam
Met haar bazuin zal zwellen op hun naam,
En eeuwig zwanger gaan van PAUWELS, en van PETER.


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001