Joost van den Vondel (1587-1679)

PETER EN PAUWELS

HET VIERDE BEDRIJF

PLAUTIL, PETRONEL

PLAUTIL.

Och, dochter, och, ik hoor het snerpen van de roÍn.

PETRONEL.

Zo most de hemelse om den aardsen Adam bloÍn,
Eer hij inít rechthuis van den rechter was verwezen.
Zijn stramen hebben ons, ter goeder uur, genezen.
Och, spaart díonnozelen. O hartepijn, o smert!

PLAUTIL.

Och, al tíonmenslijk slaan. Dat griezelt door mijn hart.
Och, gesels, stramen, och, och, kostelijke wonden.

PETRONEL.

Och, pijlers, die nu houdt gekneveld, en gebonden
De hoofdpijlaren zelfs vanít rijzend hoofdgebouw,
Gemetst met bloedig kalk; die proef doet van zijn trouw
Veel beter dan tiras: tirannige pijlaren,
Het kan gebeuren, dat gij, over duizend jaren,
Nog tuigen strekt vanít leed
, ítwelk íshemels eerste boŰn
Nu uitstaan onvertsaagd; daar hun de martelkroon
Alree zo troostelijk van verre straalt in díogen;
Een kroon, die tegens goud en diamant gewogen,
Den prijs behoudt. Wel hem, die zulk een kroon verkiest,
Daar Cezars lauwerkrans zijn luister bij verliest.

PLAUTIL.

Het geselen houdt op: men zal met hun voort doorgaan.

PETRONEL.

Kom, laat ons, naar de poort van OstiŽ, vast voorgaan.

AGRIPPA, PETER, PAUWELS

AGRIPPA.

Nadien dit paar om strijd ísGekruistens aanhank stijft;
Alít Rijk in oproer houdt; zijn razernijen drijft;
Verbastert Stads gewoonte, en Numaís oude zeden;
Veroorzaakt Simonís val, door schendige gebeden;
Ons Joffers tot vervloekte en blinde Hijmens raadt:
En sleept inít vloekverbond den ambtheer en soldaat,
En wat het listig kan betovren, en belezen;
Zo wordt het bei ter dood, in ísVorsten naam, verwezen.
De BethsaÔder sterve, als slaaf, aanít kruis gehecht.
Den Tarser gun men ít zwaard, uit kracht vanít burgerrecht.

PETER.

Hoe lieflijk klinkt die stem! Van waar komt mij die zegen?
De neergedaalde is, langs die ladder, opgestegen,
Door alle heemlen heen, ten hemel. O mijn God!
Vanwaar komt mij dit goed, dit onverdiende lot?
O sleutel van het Kruis, ontsluit mij íshemels deuren.
Wien van ons twaleftal mocht zulk een eer gebeuren.
Ik kus die schone dood. Hoe maakt ze mij gelijk
Den konink, die dat langs zich zette inít hoogste Rijk.

PAUWELS.

Zo wordt, ter goeder uur, de moede ziel ontbonden
Van íslichaams lastig pak, en vaart, door lieve wonden,
Haar oorspronk te gemoet, gelijk een hemelvlam.
De heiligste, die ooit van vrouw ter wereld kwam,
En díallergrootste ziel, en zuiverste in Gods ogen,
Voer zo ter halsa‚r uit, naar díonbezwalkte bogen;
Terwijl de romp vast bloedde, in zijn gevankenis,
En ít lachend hoofd de wraak verzaadde, op ískonings dis.
Zo trad sint Jakob voor. Hij moedigt mij, inít knielen.
Soldaten, helpt mij straks bijít zalig tal der zielen,
En rukt de sabel vrij kloekmoedig uit de schee.

PETER.

íKverzoek slechts op August een vriendelijke bee,
En wenste, met meer smaad en smert en pijn, te sterven.

AGRIPPA.

Laat horen, leití het zo, dat kunt gij licht verwerven.

PETER.

íKheb mijní gekruisten Vorst verloochend, in zijn nood,
Mij zelf onwaard gemaakt aan díere zijner dood,
Het triomferend Kruis; en wens die schuld te boeten.
Men hang mij dan om hoog ten hemel, bij de voeten;
En met dit schuldig hoofd, dien God-vergeten mond,
Die driewerf God verzwoer, beneden, naar den grond;
Als een die wel verdiení ten afgrond neer te dalen.
Versteken van den glans der zaligende stralen.
Ditís ít enig dat ik bid: vergun mij die gena.

AGRIPPA.

Zij wordt u toegestaan. Nu voort, en rept u dra.
Dit krijgsvolk wacht, om u naarít hoog gerecht te leiden.
Trauwanten, leidt hen weg. Men kwist slechts tijd met beiden.

REI VAN GEKERSTENDE SOLDATEN
ZANG.

Och, ofít geoorloofd waar;
Opít Apostolisch spoor, te blussen
Zijn ijver, met godvruchtig kussen
Der voetstappen vanít lijdzaam paar;
En elken voetstap, met Bedrukte tranen, te besprengen;
Ja, tranen met hun bloed te mengen,
En uit te storten ons gebed;
Daar dat doorluchtig rood
Zal vloeien, uit zo heilige aderen.
O Stad, heeft een wolvin uw Vaderen
Gelikt, gezoogd
; waarom verstoot
Gij, grimmiger van aard,
Dees Vaders? Och! waar sleept gij henen
De Meesters, die, met eedler stenen,
Uw muren trekken hemelwaart?
Vanwaar uw Godsdienst, door de wolken,
Wordt toegeblazen allen volken.

TEGENZANG.

Het heidens Rome most
Van ouds, door bloed, zijn grootheid baren,
En oorloog blazen zo veel jaren:
Dat heeft van Remus af begost;
Van dat de broeder sloeg
Ter neder
zijnen vollen broeder:
Gelijk nu lest de zoon zijn moeder,
Die hem, haar hoop, ter wereld droeg,
En zette in top vanít Rijk.
Zou, die zijn moeder zo durf lonen,
Dan onze Vaders nog verschonen;
Zo was hij niet zich zelf gelijk.
Maar ít Christens Rome moet
Door martelbloed zijn grootheid baren,
En worstelen door veel gevaren.
Ons Vaders stichten nu in bloed
Een nieuwe Stad, die, door hun lijden,
Meer wint, dan díoude, door haar strijden.

TOEZANG.

Datís meer dan op zijn Perziaans gestreÍn,
En deizende de kans
En onverwelkbren krans
Gerukt vanít hoofd der trotste mogendheÍn.
Nu neemt uw toevlucht niet, Inít uiterste verdriet.
Naar Kapitool, of Jovisí vogelen
En goude standerdgoŰn:
Zoekt heul aan Jezusí troon,
In schaduw van díApostlen, en hun vlogelen.


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001