Joost van den Vondel (1587-1679)

Peter en Pauwels

HET VIJFDE BEDRIJF

AGRIPPA, NERO

AGRIPPA.

De Vorst, die onlangs speelde Orestes, droef en dol,
En vluchtig voor de wraak, speelt nu zijn eige rol;
Maar in der daad, en niet m schijn, van schrik gedreven,
Drukt uit, hoeveel de schijn en ít veinzen scheelt vanít leven.
De vlam, inít rotte bloed ontsprongen, knaagt het vlees,
Hij hijgt naar zijnen a‚m. De spraak luidt schor, en hees,
De tong slaat ijzerklank, en slibbert onderít spreken,
Alít aangezicht, gelijk met doodverf overstreken,
Ziet bleek, en blauw, als lood, en hier en daar gevlakt.
Nu steekt hij ít hoofd om hoog. Nu hangt het hoofd en zakt
Zwaarmoedig naar beneen, totdat hij raakt aanít schrikken,
Omít kraken van een deur; en opschiet, en twee blikken,
Zoo rood als vier en bloed, aan alle zijden slaat,
En opspalkt; en alít haar recht op te berge staat,
Om zijn verbeeldingen. Dan tsidderen de leden,
Het koude zweet breekt uit, en, van zijn schim bereden,
Verdaagt alít hofgezin te hoop, met ope keel.
Hoe schichtig is dit hof gedraaid, als een toneel!
Hoe ísVorsten staat verkeerd! Wat wil die plaag beduien?|
Daar komt hij weder aan, en heeft het hoofd vol buien.
De wakers wijken hem: een ieder maakt zich tízoek.
Best zie ikít veilig aan, en sla hier om een hoek.

NERO.

Och, bergt Orestes. Och, waar henen?
Waar bergt hij ít lijf, in doods gevaar?
Wie steekt die moordtrompetten daar?
Trompetter, blaast gij uit Mycenen?
Of klinkt dit van Misenen af?
Wat Vloeken komen mij verrassen?
Verrijst de Wraak uit moeders assen,
En uit het moederlijke graf?
Och, troost Orestes, in zijn lijen.
Nu weet hij nergens geen verblijf.
Och, bergt den bangen balling ít lijf.
Waar vliedt hij voor dees Razernijen?
íKzie, op den grond van Plutoís poel,
De geesten, die ons ít licht benijen;
Gepijnigd om hun schelmerijen,
Rontom dien zwart berookten stoel.
íTis nacht, ik hoor de vlammen kraken.
íT aloude Troje staat in brand,
Aan dezen, aan den andren kant;
Of brandt hier Rome, en al zijn daken?
Heb ik of Sinon brand gesticht?
Wat woelen hier al doodse zielen,
Die om mijn lijf, als bijen, krielen.
Houdt op, gij steekt naar mijn gezicht.
Zegt op, wat zijt gij voor gezellen?
Beschuldigt gij den rechten man?
Men maak er weer een nachttorts van,
Of steek hen straks in dierevellen.
Neen, Vesta leidt mij hier aan boord,
Om hare dochters, vers geschonnen.
Ik was verslingerd op uw Nonnen,
O moeder, zijt gij nog gestoord ?
Wat raad? Ik hoor haar leeuwen brullen.
Ik vrees dat scherpgewet gebit;
Die kelen, brandende en verhit.
Ai ziet, hoe zij hun staarten krullen.
Daar roept mijn moei, daar Claudius,
Mijn vader zelf: daar schreeuwt mijn moeder,
En gemalin. Daar komt mijn broeder,
Díonschuldige Britannicus.
Heb ik u hels vergif geschonken?
Daar kust het doodshoofd van Paulijn
Mijn meester, in bedrukten schijn.
Of is hijít niet? Of ben ik dronken?
Het regent lijken, uit de lucht.
Een veldgeschrei klinkt van Brittanje.
Daar worpt zich Galba op, in Spanje.
Daar ziet men, hoe díArmener vlucht,
Met alle mijn keurbendelingen,
Voor den verbolgen Persiaan.
Orestes, tast u zelven aan:
De burgers komen u bespringen.
Datís Thrasea. Ik zie den Raad,
De ridders, ít volk, en vrije, en slaven.
Ik hoor de kleppers herwaart draven,
Met al wat moederslagers haat.
Zij komen mij uit Argos jagen.
Zijnít Galilesen? Ja gewis:
Of zeit men dat dit Castor is,
En Pollux, van den wind gedragen?
Gij goden, die gelauwerierd,
In witte zijde, om laag komt zakken,
En, hand aan hand, met pallemtakken
Aldus gescepterd, nederzwiert;
Wien zoekt gij in dees aardse hoeken?

AGRIPPA.

Nu dunkt mij, is het sprekens tijd;
Nadien zijn droom geen steurnis lijdt,
Zal ik hem best aldus verkloeken.
Die twee gebroeders zoeken u.
Gij moet op zee, naarít Noorden, dwalen,
En ít kerkbeeld van Diane halen.
Wat beeft gij voor uw ooms, zo schuw?
Gij moet dat beeld aan Vesta brengen
.
Zo luidt uw zuiveroffer-les.
Ik ben uw leidsman Pylades.
Geef mij de hand.

NERO.

                             Ik zalít gehengen.

LINUS, PETRONEL

LINUS.

Godvruchte Dochter, wel wat tijding breng gij nu?

PETRONEL.

Och, Vader Linus, och, God hoede en zegení u.
Nu wei met ísvoorzaats staf dees nagebleve schapen,
Het lichaam rust aan ít hout, de ziel in Jezusí schoot.

LINUS.

Zij leeft bij God. Hij storf een kostelijke dood.
Zaagt gij hem, onder ít juk vanít kruis zijn schouders buigen ?

PETRONEL.

Geduldiglijk: ik kan hier levend van getuigen,
Als een, die onderít kruis inít alleruiterst stond.

LINUS.

Wij haken om ít verslag te scheppen uit uw mond.

PETRONEL.

De krijgsliÍn brengen hem, door ít volk, met Pauwels, buiten
De poort van OstiŽ, gebonden, en besluiten
íT verwezen paar van een te scheiden, op het lest;
En een in ít Joodse, en een inít Christense gewest,
Tot aanwas van meer smaads, te helpen om het leven.
Toen zag men mond aan mond, en borst aan boezem, kleven:
Toen klapte kus op kus; alsít op een scheiden ging,
Daar elk aan ísanders hart, gelijk geketend, hing.
De blijde Pauwels sprak tot Peter: ĄU zij vrede,
O grondsteen van de Kerk, o wachter in Gods stede,
O mond der herdren vanít verstrooide ChristendomĒ:
En Peter tegens hem blijgeestig wederom:
ĄO licht der Heidenen, o leidstar aller vromen,
Nu ga in vree, daar Gods verstrooiden tísamenkomen.
Een ogenblik geduld; wij zien malkandren weer.
Zo worstelt men inít stof, om onverwelkende eerĒ.
Hierop trad Pauwels voort rechtuit, getroost, en blijde;
En Peter welgemoed te rug, naar díoverzijde
Des Tibers, en den berg van Janus; daar de JoŰn
Hem grimden te gemoet, en nepen met dien hoon,
Waarmee hun ouders eer zijn levend voorbeeld nepen,
íTwelk, afgemat van pijn, zij ít moordhout zagen slepen.
Hier werd díApostel, als naar een toneel, gebracht;
Opdat díerfvijandschap vanít menselijk geslacht
(Zo teistren Heidens toch besneen, en kruisgetuigen)
Uit díeen en díanders bloed en gal, mocht honig zuigen.
De stramme Vader klnm den heuvel op, omhoog;
Gelijk een Avondstar, wanneer ze, naar den boog
Des hemels, uit der zee, haar zonen aan komt leiden;
Terwijl de kimmen licht en schemeringen scheiden.
Hij schoot hier, op den top des bergs, zijn kleedren uit.
Nog twistte de soldaat, om zulk een slechten buit.
Men knoopte omít middellijf een deksel, grof van draden.
Toen viel hij, om zijn wens ten volle te verzaden,
Met hart en mond opít kruis, en gaf het kus op kus,
En vatteít in den arm, en sprak verheugd aldus:

LINUS.

Wat sprak ít Orakel, op den drempel van zijn lijden?

PETRONEL.

ĄZijt wellekom, mijn kruis, beloofd, van lange tijden,
Door díonbesmette tong, aan mij; die wel beken,
Dat ik meer straf, en niet dees glorie waardig ben,
Van mijn verzworen Heer, inít sterven, te gelijken,
Noch, met het hoofd om laag, den hemel aan te kijken.
Zijt wellekom, mijn kruis. Aanvaard dit snode pak
Vanít sterfelijke lijf; waarin veel jaren stak
Een ziel, die hare schuld niet met haar bloed kan boeten:
Ontvang het niettemin, met doorgeslage voeten;
En strek een zoenaltaar, vanwaar ik God behaag,
Door Jezusí ogen, die mij straften hier om laag
Zoo welkomt hij zijn dood, en, kerende ten leste,
Zich om, geeft zijnen rug het lange hout ten beste,
En ieder arm een end vanít dwarshout. De soldaat
Klinkt díijzre spijkers door de handen heen, en slaat
De voeten plat op een. Dat kloppen, kraken, knarsen
Door zenuwen en been, gink telkens door mijn harsen,
Ja, door mijn schrillend hart, en moorde het gemoed:
Terwijl het dorstig gras vast slorpte ít rokend bloed,
Dat uit de wonden scheen het zand te willen laven.
Zo ras de schup het loch in díaarde had gegraven,
Teeg ít krijgsvolk met geweld aanít rechten van den stam,
Doch avrechts, als zijn pak: dit hing alree: dat kwam
Op a‚r en zenuw aan, en opende drie sluizen
Van vlees, waaruit meer bloeds, al schuimende, kwam bruizen.
De Kruisheld zag van bloed besprenkeld en bespat:
Nog kreet hij niet van pijn, maar steende slechs, en bad.
Men zag inít aanschijn (och, een stichtelijk aanschouwen)
Iet pijnelijks, omstraald van blijschap en betrouwen.
De stam kreeg steun. De Held goot, met een hees geluid,
En hijgende van dorst, dit jongste orakel uit:

LINUS.

Ik luister naar den mond van Christusí Stedehouder.

PETRONEL.

ĄMijn broeder Andries, neem gewillig op uw schouder
Het kruis, u toegeleid van boven, gelijk mij.
Ik volg mijn bedgenoot, mij voorgetreen; en gij,
Mijn dochter Petronel (de Vader sloeg zijn ogen
Te mijwaart, die hij zag bedrukt de kaken drogen)
Zult , ter gewenster uur, den rijksten bruidegom
In díarmen vallen, als een ongerepte blom.
Noch vijfmaal vijftig jaar wilít reegnen marteldroppen,
Tot dat het snoer van driemaal negen Bisschopskoppen
Volregen
, God beweegí, die, door een hemels post,
Den groten held verwekt, die mijnen stoel verlost
Vanít bloedig heidens juk, dat duizenden beschreiden.
Dees tempels zullen dan, gesloten voor den heiden,
Gans onverhinderd, voor den Christen, open staan;
Wien deze goude tijd en weelde dier wil staan,
Tenzij men bidde en waakí, eer klauwen, onderít wrijten,
Den nadelozen rok verwoed in flarden rijten,
Godsjammerlijk gesleurd van beren, uit het sneeuw
Opstuivende; en ten buit van Agarís ijzere eeuw.
Och Jezus, haal ons thuis, eer wij dien storm beleven.Ē
Zo biddende wordt hem eení dolk inít hart gedreven,
Van een Romeins soldaat, die wacht hield, neffensít hout.
Ik viel een poos in zwijm, en lag er dood en koud,
Voorít kruislijk uitgestrekt; en weet nauw, van wat magen
Of vrienden ik, voor dood, ten berg af ben gedragen.

PLAUTIL, LINUS

PLAUTIL.

O sluier, vers besprengd vanít uitverkoren vat,
En zijn welriekend bloed. O doek!

LINUS.

                                                        Wat doek is dat?

PLAUTIL.

Die ít Licht der Heidenen voor díogen werd gebonden.

LINUS.

O kussenswaarde doek! Waar hebt gij dien gevonden?
Geef hier dat pand der straks vanít lijf ontklede ziel,
En meld ons, eedle vrouw, hoe deze ceder viel.

PLAUTIL.

íK ontmoette, ontrent de poort, den heengeleiden Vader;
Die, mijne tranen ziende, en tredende wat nader,
Een doek (om zijn gezicht te blinden, en dien hij
Terstond herlevren zou) nog vorderde van mij,
Zo willig als bedrukt. De Stad liep leeg van mensen,
Nieuwsgierig naar zijn dood. Ik volgde hem met wensen,
En straks te rosbaar na, den Tiber langs inít veld,
Omít íheerlijk eind te zien van Gods manhaftsten Held;
Die onderít henegaan vermurwde drie soldaten,
Longijn, Acest, Megist, gereed den hals te laten,
Voor hem, die ít graf zijn aas, den Dood zijn schicht benam.
Zodra men nu te Gutte, aan ít Salvisch water, kwam,
Sprak Vader, in den ring des krijgsvolks: hier is ít ende
Der loopbaan, na veel druks, en doorgesolde ellende.
Hij vouwt; vol moeds, en heft de handen naar de lucht,
Meteen tot Jezus ít hart, en roept hem aan, en zucht:
ĄHier sta ik, om den slag der sabel te verbeiden,
Die straks het hoofd vanít lijf, en lijf en ziel zal scheiden.
O Jezus, laat mijn bloed afwassen díoude vlak
Van wreedheid, met wiens spits ik God naar díogen stak,
U zelf naar ít hart, doorít hard verdrukken uwer leden.
Hebt gij inít uiterst nog Gods vijanden verbeden;
Verbid ook mij, niet waard te storten, tíuwer eer,
Mijn Christenslachtig bloed, hetwelk gij nimmermeer
Moet eisen van de hand, die snakt om dat te drinken.
Zo bad de Held. Mij docht, men zag een Engel blinken
Uit zijn gezicht; mij docht, men hoorde een Engels stem.
Wat aards, wat menslijk was, verdween alrede in hem.
Hij nu, uit vlees en bloed, bijkans in geest herschapen,
Verbond zijn grijze hoofd, en knielde. Wij vergapen,
Vergeten ons; hij roept: God reikt mij díarmen toe.
De wereld is mijn kruis: ik ben de wereld moe.
De Wreedheid, op dat woord, met schitterenden zwaarde,
Trof toe, en onvoorziens lag ít hoofd geploft ter aarde,
En spronk nog driemaal op. Men hoorde een fijn gepiep;
Alsof de mond, vol lofs, nog driewerf JEZUS riep.
Mij docht, ik merkte omít hoofd een glans van gloende tongen;
En uit den zandgrond spronk een ader, met drie sprongen,
Daar ít hoofd gehuppeld had: en wonder wasít, dat elk
Uit dien onthoofden hals, zijn bloed, als verse melk,
Zag stralen in de lucht. Och, och, hij leit getroffen.
Mij dunkt, ik voel het hoofd nog op mijn boezem ploffen,
Nog bonzen op mijn hart. Daar leit de kerkpijlaar,
Die zulk een zwaren last droeg vijfmaal zeven jaar.
Neen, neen, hij leit nog niet, maar staat, gelijk voorhenen.
Inít rijden naar de stad is mij zijn geest verschenen,
Veel groter dan men hem inít leven had gekend.
Hij bracht mij dezen doek, een troost in mijn ellend.
Och, jongelingen, mans, och, weeuwen, maagden, vrouwen,
Och, schreit: gij zult voortaan zijn aanschijn niet aanschouwen,
Noch horen Gods trompet. Nu is het schreiens tijd.
Och, wezen, weent met mij: wij zijn ons Vaders kwijt.
Och, och, och, och, och, och, och, och, och, och, och, och.
Och, och, och, och, och, och.

LINUS.

Der wezen Vader leeft, die zal u niet vergeten,
Daar, in een rink van licht en Serafijns gezeten,
Hij in kristal vergaart uw tranen, vers geschreid.
Triomfen worden daar Gods Helden toegeleid;
Wier zielen in den schoot des heils, van daag herboren,
Gans onbeneveld zien, gans onbekommerd horen,
In dien gedurigen zielkittelenden lach,
íTgeen onbegrepen, oor noch oog nooit hoorde, of zag;
Dat isít volmaakte Schoon, waarvan alít schoon komt stralen.
Wij zullen, hier beneen, zijn HEILIGEN betalen
Onze allerleste schuld. Ga, Titus, Lukas, ga,
En volgt naar OstiŽ Lucijn, de Raadsvrouw, na.
Beveelt Sint Pauwelsí romp den kelder van haar hoeve,
Zo eerlijk als gij moogt; en troost en zalft dees droeve.
Gij blakende Marcel, tast den gekruisten aan,
En balsem, en begraaf het lijk, op Vatikaan;
Daar ísVorsten renbaan rookt, zijn lustprielen bloeien.
Ik zie Gods zwarmen, van vier winden, tsamenvloeien,
Te Rome, aan wederzij des Tibers; daarít gebeent
Der Martelaren slaapt
, begiftigd, en beweend,
En jaarlijks, met een vtaag van tranen, overgoten:
Terwijl de lastermond, gestopt en toegesloten,
Verbaasd staat en versuft, voor menig wonderwerk;
En Vatikaan de lucht te moet vaart, met zijn kerk,
Vol wierrooks, vol gezangs van opgetoge zielen,
Omít grafaltaar; waarvoor gekroonde koppen knielen;
Godvruchtiglijk vertreen rijksappel, zwaard, en kroon;
En spreien ít purper aan den voet van ísVissers troon:
Wanneer (Hieruzalem in rook en stof vervaren)
Des werelds Hoofdstad steunt op bei dees hoofdpijlaren
Der Kerke; en ziet, hoe ít al, wat haar die kroon benijdt,
Zijn hart knaagt, en vergeefs op diamantsteen bijt.

Gloria in excelsis Deo


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001