Joost van den Vondel (1587-1679)

PETER EN PAUWELS.

INHOUDT.

D’apostels, Peter en Pauwels, van Keizer Domitius Nero in den kerker gesmeten, werden, op den top der gedreigende en genakende straffe (waarover hun doodvijanden vast uit waren) gedrongen, door het hard en gedurig aanstaan der Christenen, ter stad uit te vluchten; daar hun gemoette Jezus Christus, die van Cephas gevraagd, waar hij henen gink, hem antwoordde: naar Rome, om weder gekruist te worden. De Bethsaïder hieruit besluitende, dat Gods zoon in hem, zijnen dienaar, aan het kruis, lijden zoude; keerde met den ambtgenoot weder in stad en gaf zich gewilliglijk in de Leeuwsklauwen des tyrans; die hen beide liet geselen, en (als schuldig aan’t lasterstuk van godloosheid) verwees, den enen, om gekruist, den anderen, om onthoofd te worden. Alzo werd de Prins der Apostelen op Janus’ berg gekruist, doch te zijner bede, met de voeten opwaart; en de Leraar der Heidenen knielde, te Gutta, bij het Salvise water, rustig voor het zwaard. Nero ontzette zich, tot razens toe, over hun dood, de voltooiinge zijner schelmerijen en tsidderde voor de geesten van Pauwels en Peter; wiens kudde bevolen bleef zijnen nazaat Linus; die der Martelaren uitvaart bezorgende, de bedrukten vertroostte met God, en de tegenwoordige en toekomende glorie dezer HEILGEN.

Het toneel beeldt Rome uit. De Geest en van Simon toveraar en Elymas spreken de voorrede. De Rei bestaat uit gekerstende soldaten. Het treurspel begint te midnacht, en eindigt den volgenden dag.


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001