Joost van den Vondel (1587-1679)

IIIe HARPZANG

A. 1656

Domine, quid multiplicati

Hoe groeit het leger, datme plaeght !
t Werspannigh leger, datme daeght
In t oorloghsperck,
Wort vreeslijck sterck:
Het krielt, en krijt vast, rot by rot:
Hy vint geen heul aen zijnen Godt:

Maer ghy beschutme, o Heer, en stuit
Dien hoop, en voert, den oorlogh uit,
Als ghy belooft,
En heft mijn hooft,
Ten trots van t muitende gerucht,
Met vollen zegen in de lucht.

Ick riep, door noot geperst, tot hem,
Die van den Godtsbergh mijne stem
Verhoorde in last.
Ick sliep te vast,
En lagh ter doot toe uitgestreckt,
Maer zijne hant heeft my geweckt.

Nu vreeze ick niet, hoe ongetelt
Soo menigh duizent kriele in t velt.
Op op, mijn Heer,
En berghme wer:
Want ghy t gebit in stucken slaet,
En kneust al watme tonrecht haet.

Verwacht geen heil dan uit de wolck
Van Godt, den zegenaer van t volck.