Joost van den Vondel (1587-1679)

VIe HARPZANG

Aļ. 1656

Domine, ne in furore.

Och, strafme niet in uwen toren,
Noch leghme mijne schult te voren,
In uwe gramschap, lieve Heer :
Ontfarm u mijns; ick legh ter neder,
Ter doot toe kranck: geneesme weder :
Mijn beenen siddren meer en meer.

Mijn ziel is vol ontsteltenissen.
Help Godt, hoe lang zalze u noch missen ?
Och keer uw aenschijn toch naer my,
En ruck mijn ziel uit zoo veel stricken :
Maeck mijnen geest van alle schricken
Des doots door uw genade vry :

Want niemand, daer de dooden leggen,
Weet prijs en eer van u te zeggen.
Wie looft u in den helschen kuil ?
Ick ging in arbeit van al ít steenen.
íK Zal nacht op nacht in in ít bedde weenen,
En wasschen het, terwijl ick huil.

íK zal ít bedt met tranen overspreien.
Mijn oogh is root en blint van schreien :
Van hartzeer wert ick grijs en out,
Om zoo veel haeters, die my praemen.
Nu wijckt, vertreckt van my altsamen,
Gy die van recht noch regel houdt :

Want mijn gekerm quam Godt ter ooren
Godts goetheit wou mijn be verhooren :
Mijn smeecken ging hem aen het hart.
Dat nu zoo menige als my haeten
Verbaest en schaemroot ít velt verlaeten
En haestigh vliÍn, van schrick benart.