Joost van den Vondel (1587-1679)

VIIIe HARPZANG

A. 1656

Domine Dominus noster.

O Heer, ons aller Heer
Hoe schiet de zon van Uwen naam en eer
Haar heldre wonderstralen
Zoo verre om d aarde, en over alle palen!
Want uwe heerlijkheid,
Uw goedheid, macht, en wijsheid, uitgespreid
In t scheppen, wijder springen
Dan t groot begrijp der heemlen en hun ringen.
Het kleentje, dat noch zuigt
Aan moeders borst, van nwen lof getuigt,
Zoo klaar, dat ze al te zamen,
Die Uwen naam ontheiligen, zich schamen.
Wanneer ik, s avonds sp,
Uw werrekstnk, den Hemel, gade sla,
Den loop van starre en man;
Die gij geleidt op t spoor van hare bane;
Dan spreek ik: hoe bezint
Gij dus een worm, een mensch, een menschenkind!
Wat is de roem des menschen,
Dat ge om hem denkt, hem gaslaat naar zijn wenschen!
Gij hebt hem zulks verrijkt,
Dat hij bijkans uwe Engelen gelijkt.
Gij kroonde hem, met merken
Van eere en prijs, tot Heer van alle uw werken.
Gij stelt hem in uw ste
In t hoog gezag der wereld, over t vee,
De schapen in de heiden,
En ossen, die in veld en beemden weiden;
Ook over t pluimgediert,
Dat door de lucht met vlugge rennen zwiert;
En visschen, die zich reppen
In zee en stroom, en daar hun adem scheppen.
O Heer, ons aller Heer!
Hoe schiet de zon van Uwen naam en eer
Haar heldre wonderstralen
Zoo verre om d aarde, en over alle palen!


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 30 January 2003