Joost van den Vondel (1587-1679)

IXe HARPZANG.

(Naar de nieuwe Overzetting de 9e en 10e.)
A. 1656

Confitebor tibi, Domine.

I.

Getrouwste noodhulp in mijn smart
Ik wil uit al mijn hart
U loven, en ontvouwen
Uw wonderdaden op een rij.
Ik wil, in U verheugd en blij,
(Mijn opperste betrouwen!)
Al juichende, met zang en snaar,
U eeren in het openbaar.

Gij brocht mijn vijand op de vlucht.
Al t heer, op dat gerucht,
Verloor den moed in t vechten;
Verstoof voor Uw gezicht beschaamd,
Toen gij mijn zaak ter harte naamt,
En, om t geschil te slechten,
Gezeten op den troon van t rijk,
Mijn haters stelde in t ongelijk.

Gij snoerde t Heidendom den mond.
De boosheid ging te grond.
Gij hebt ze aan stof gewreven,
Zoo klein gemorseld, dat er niet
De bloote naam van overschiet,
Die uitging met haar leven.
De vijand kwam geweer te kort.
Gij hebt zijn steden omgestort.

Zijn naam, gedachtenis, en huis
Verdween met een gedruisch;
Maar zonder te bezwijken
Bleef God, die zijnen rechterstoel
Gesteld heeft boven t aardsch gewoel,
Om t vonnis vlak te strijken
In billijkheid, en, met n woord,
Elk recht te geven, dien t behoort.

Daar zit de Heer, des armen wijk,
Zijn hulp in ongelijk
En druk; en hierom hopen
En zien ze op U in nood en strijd,
Die recht beseffen wie gij zijt;
Want al wie derwaart loopen
Om troost te zoeken, vinden raad
Bij U, die niemands klacht versmaadt.

Jeruzalemsche burgers! kroont
Hem, die op Sion woont,
Met harpzang in zijn Koren.
Verkondigt Gods beleid alom
Bij t onverlichte Heidendom,
Die t bloed van zijn verkoren
Hun afeischt, en, in harteleed,
t Geschrei der armen niet vergeet.

Ontferm U mijns, en sla toch g,
Hoe s vijands ongen,
En haat mijn recht verdrukte!
Aanschouw het, Heer, die in den nood
Mij menigmaal de poort der dood,
Door uwe macht, ontrukte,
Opdat mijn mond Uw lof getrouw
In Davids poorte zingen zou.

Ik zal, door U van t juk verlicht,
Met vreugd voor Uw gezicht
Gaan juichen, triomfeeren,
En mij verheugen zegenrijk;
Dewijl mijn vijand steekt in t slijk,
Die forsch mij wou verneeren,
En smoren bleef, gelijk t behoort,
Daarbij mij heenjoeg zelf gesmoord.

Wat onbesneden, tegens recht,
Mij boze lagen legt,
Die sneuvelde in zijn lagen;
Zijn voet bleef hangen in den strik,
Waarme hij heimlijk, zonder schrik,
Uw dienaar zocht te plagen,
Te vangen; die mij strikken hing,
Door Uw beleid zich zelven ving.

De billijkheid des Hemels blijkt,
Als God het oordeel strijkt,
De Goddeloozen smeden
Voor andre een moordtuig, wreed en valsch,
En voelen t eerst op hunnen hals.
De booswicht vaart beneden
Ten Afgrond, langs het duistre pad,
Daar God vergeet, die Hem vergat.

Maar d arme, die op God betrouwt,
Al zat hij lang benauwd,
Wordt boven niet vergeten
Ten einde toe. God kent elks schuld;
Der armen lijden en geduld,
Die heele jaren sleten,
Vergeet de Hoogste niet altoos,
En d uitkomste is niet vruchteloos.

Sta op, sta op, o Noodhulp! stijf
Geen goddeloos bedrijf,
Noch trotschen, dus vermeten.
Verschijn in Uw gerecht omhoog;
Verschrik ze met Uw grimmig oog!
Bestel een, die, gezeten
In t recht, hun wetten stell, en toon,
Dat ze assche zijn voor Uwen troon.

II.

Waar steekt ge, o Schutsheer van t geslacht
Der vromen! met uw macht,
Zoo lang en stil verborgen?
Waarom verzuimt ge, verre en wijd
Van d Uwe, hen, ter rechte tijd,
Te redden, door Uw zorgen
En hulp, uit hunnen nood en druk,
Zoo hard geperst van t ijzrenjuk?

Terwijl de razende tyran,
En t Goddeloos gespan
Zich zelven verhovaardigt
Op zijnen voorspoed, jaar op jaar,
Zucht d onderdrukte, droef en naar.
De booswicht schijnt gewaardigd
Tot zulk een lot; d oprechte klaagt,
Dat d Opperste geen kennis draagt.

De booswicht wordt bij elk geerd,
En juicht en triomfeert,
Terwijl hij, naar zijn wenschen,
t Geluk der wereld heeft ten vriend,
Het onrecht hem ten zegen dient,
Gezien bij alle menschen.
Dees beeldt zich in, nu t wel beslaat,
Dat hij nog rechte gangen gaat.

Dees trotsche, dronken van zijn lot,
Vergramt, verbittert God;
Zijn gramschap, nooit bewogen,
Groeit aan, en zoekt de Godheid niet,
Die zijn verkeerdheid hoort en ziet,
Hij heeft God niet voor oogen.
Waar dees zijn voeten keert of zet,
Zijn wandel is doorgaans besmet.

Dees ziet Uw oordeel niet te moet,
En trapt, gelijk verwoed,
Dien hij zijn vijand schatte,
Voor zijne voetschabel, en zegt
Met zijn gedachten: ik zit hecht.
Wat stoel ooit schrankte en spatte,
Mijn staat zal duren, hoog geacht
Door al de rij van mijn geslacht.

De mond braakt laster overal,
Bedrog en bittre gal.
Hij neemt vergift van draken
Op zijne tong, die baart verdriet
En smart, bij al wat zij beschiet.
De rijken met hem waken,
Die heimlijk uit zijn lagen past,
Dat hij d onnoozelheid verrast.

Hij vlamt op d armoede, ieders vloek,
Bespiedt ze uit zijnen hoek,
Gelijk in donkre buien
De wreede leeuw verbolgen let.
Hij loert op d arme onnoozelheid,
Opdat hij, stil gescholen.
Den armen vange, en in zijn net
Mag slepen, daar hem niemand redt.

Dan valt hij den gevangen stijf
Met al zijn macht op t lijf,
Grijpt toe, en houdt hem onder
De klaauwen van zijn tirannij;
Want hij besluit: wie hindert mij?
God keert zich in t byzonder
Aan niemands klachten, nochte ziet
Het goed en kwaad, dat hier geschiedt.

O Heer! sta op, hef op Uw hand,
En drijf t geweld in t zand,
Vergeet ze niet t ontzetten,
Die overweldigd, arm en bloot,
Uw hulp behoeven in den nood.
Geweldenaren wetten
Hun boosheid, in der armen smart,
Met dit besluit al stil in t hart:

Waarom zou God, de hoogste macht,
Zich om der armen klacht
Vergrammen en verstoren?
De Godheid, honger dan het zwerk
Gezeten, moeit zich met geen werk
Van s aardrijks ingeboren,
Noch recht noch onrecht, leeft gerust,
Van s menschen handel onbewust.

Neen zeker, neen; wel degelijk
Ziet God, der vromen wijk,
Den druk, de zwarigheden
Der kermenden van boven af.
De dwingeland zal zijne straf
Gevoelen hier beneden.
Hij zal zijn handen niet ontvlin,
En dan zijn reukeloosheid zien.

Gij zijt der armen toeverlaat,
De vader, voogd, en raad
Der onderlooze weezen.
Och t breek des ongerechten macht,
Den arm der boozen door Uw kracht;
Men vindt gewis na dezen
In hem geen boosheid, nochte smet,
Hoe scherp men op zijn handel let.

De Heer zal heerschen, naar Zijn zin,
Alle eeuwen uit en in,
De boozen uit zijn palen
Verdrijven al de wereld door.
Hij weet en luistert met Zijn oor,
Eer zij hun leed verhalen,
De he der armen en hun smart,
En kent de spraak en tong van t hart.

Bescherm en handhaaf in haar recht
De wees, die onder legt,
Zoo veel verschovelingen,
Voor hun verdrukkers. Help ze ras,
Opdat de mensch, slechts stof en asch,
Zich wachte te bespringen
D Almogendheid van t Hemelsch hof,
Te sterk voor zulk een brosse stof.


Ingezonden door J.R. van Wijk op: 19 July 2001